Gods Vaderliefde
’k Buig voor U, o God der liefde,
mij aanbiddend neer in het stof!
Vul mijn hart met wederliefde,
vul mijn mond steeds met Uw lof!
’k Wil U prijzen in mijn leven,
’k wil U zingen in mijn lied,
U, Die Vaderlijk ontfermend
op Uw kinderen nederziet.
Op mij zag U in ontferming,
– van mijn wieg, van moeders schoot,
van mijn eerste schreden – neder:
God, wat is Uw liefde groot!
Hoe toch, hóe zal ik U prijzen,
Die mij éérst hebt liefgehad,
en mij trouw bleef, waar ik ontrouw
U miskende of vergat!
’k Was verloren, maar U zocht mij,
nimmer moede, nimmer mat,
tot ik afgetobd en moede,
rust vond in Uw liefdeschat,
en ik, aan de rand des afgronds,
in het smachten van mijn ziel,
door Uw hand teruggehouden
Vader, in Uw armen viel.
O mijn ziel, maak groot Uw Vader
en vermeld wat Hij u deed!
Zing de wond’ren van Gods vrede,
nu ook gij van vrede weet.
Prijs de wond’ren van Gods liefde,
Die, van wieg en kindsheid af,
trouw gebleven is in ’t leven,
trouwe houdt tot over ’t graf.