Gods plan voor man en vrouw

1 Korinthe 11:1-16

Inleidende opmerkingen

Is 1 Korinthe 11:1-16 nou echt zo’n belangrijk onderwerp? Zijn er geen belangrijkere thema’s dan dit te bedenken? Het wordt toch door ware gelovigen telkens weer verschillend uitgelegd! Zou het niet noodzakelijker zijn het evangelie in alle duidelijkheid te verkondigen en af te zien van de uitleg van 1 Korinthe 11:1-16?

In onze tijd wordt er getornd aan de fundamenten van het Christendom en betwijfelt of ontkent men fundamentele dogma’s, zoals de maagdelijke geboorte, de opstanding van de Heer Jezus, het gezag van de Bijbel, de rechtvaardiging door het geloof enzovoort. Dat zouden onderwerpen zijn voor een brochure. We denken ook aan verschillende extreme, dweepzieke stromingen die het Christendom puur op emoties baseren en daardoor grote schade onder het volk van God aanrichten.

Is het dan echt nodig om 1 Korinthe 11:1-16 in onze tijd als onderwerp te nemen, terwijl er eigenlijk maar heel weinig Christenen zijn die er echt interesse in hebben? Hoeveel twistgesprekken zijn er over dit onderwerp al gevoerd? Zouden we ons dan nu opnieuw met dit omstreden gedeelte willen bezighouden?

Al deze vragen bevatten zeker een kern van waarheid, maar kunnen nooit als een afdoende argument gebruikt worden om een Bijbelgedeelte aan de kant te schuiven. Ook niet met het argument dat het hier ‘alleen maar’ om zogenaamde uiterlijkheden gaat.

Het avondmaal en de doop zijn immers ook uiterlijkheden, waarachter ongetwijfeld belangrijke geestelijke waarheden staan. Zou dat bij ons onderwerp ook niet het geval kunnen zijn? Inderdaad moeten wij het evangelie van Jezus Christus heel duidelijk verkondigen. Ook is het heel belangrijk om een Bijbels gefundeerde houding aan te nemen ten opzichte van een verkeerde leer, om zowel de moderne theologie als ook de emotionele charismatische stromingen van onze tijd aan de kaak te stellen. Wij moeten het ene doen en het andere niet nalaten.

Zo’n omstreden onderwerp als dat waarmee we ons nu willen bezighouden, moet zeker zonder vooroordelen en strikt gebonden aan de Bijbeltekst behandeld worden; dat moet gebeuren in de wens onze Heer en niet mensen te behagen (zie Johannes 5:44, 12:42-43, 1 Thessalonika 2:5-6). Het is mijn vaste overtuiging dat dit Schriftgedeelte en de daarmee in verband staande onderwerpen uitermate belangrijk zijn voor de gelovigen in onze tijd.

Is het misschien zo dat veel verkeerde leringen, veel sociale en psychische problemen van onze tijd (juist ook onder kinderen van God) hun werkelijke geestelijke oorsprong hebben in de verkeerde interpretatie of in de verachting van 1 Korinthe 11:1-6 en de parallelle Schriftgedeelten? Het is mij duidelijk dat deze bewering gewaagd is, maar toch aarzel ik niet ze u in overweging te geven.

Verwonderen wij ons over het steeds sterker wordende morele verval in onze (post-) Christelijke maatschappij? Verwonderen wij ons over de vele huwelijks- en gezinsmoeilijkheden onder gelovigen? Verwonderen wij ons over de toenemende desoriëntatie onder de jeugd? Verwonderen wij ons over de vaak godslasterlijke uitspraken in de feministische theologie?

Als we de in de Bijbel gegeven geboden van God met betrekking tot Zijn scheppingsorde als ouderwets, traditioneel, achterhaald en verouderd voorstellen, zullen we oogsten wat we gezaaid hebben: het morele bederf van de Christenheid, dat we zo vaak om ons heen zien.

Daarom: laten wij naar Hem omkeren en oprecht Gods wil zoeken, ook wat betreft Zijn orde in de schepping; laten we uit liefde voor onze Heer Jezus doen, wat naar Zijn wil is. Moge de Heer schenken dat wij (schrijver en lezer) met zelfkritiek en met voorzichtigheid, met gebed om wijsheid en geestelijk inzicht, ons met deze verzen bezighouden en eraan denken dat God alleen door Zijn Heilige Geest licht, inzicht en de kracht voor consequente gehoorzaamheid geven kan.

Eén verzoek: het is niet mijn bedoeling dat je als lezer de indruk krijgt dat ik iedereen veroordeel die niet tot in alle details net zo over de uitleg denkt als ik. Dat is zeker niet zo. Dit werk is een studie met het doel om kinderen van God aan te moedigen om ook in deze tijd ‘onaangename’ onderwerpen opnieuw te overdenken en oprecht de wil van God te zoeken.

Romeinen 12:1-2 zegt: ‘Ik vermaan u dan broeders, door de ontfermingen van God, dat u uw lichamen stelt tot een levende offerande, heilig, voor God welbehaaglijk, dat is uw redelijke dienst. En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt veranderd door de vernieuwing van uw denken, opdat u beproeft wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is’.

Efeze 5:8-9: ‘Wandelt als kinderen van het licht (want de vrucht van het licht bestaat in alle goedheid en gerechtigheid en waarheid), en beproeft wat de Heer welbehaaglijk is’.

Efeze 5:17: ‘Wees daarom niet onverstandig, maar verstaat wat de wil van de Heer is’.

Filippi 1:9-11: ‘En dit bid ik: dat uw liefde nog meer en meer mag toenemen in kennis en alle inzicht, om te beproeven wat het beste is, zodat u zuiver en onberispelijk bent tegen de dag van Christus, vervuld met de vrucht van de gerechtigheid die door Jezus Christus is, tot heerlijkheid en lof van God’.

We moeten met inzicht, kennis en verstand de in de Bijbel beschreven openbaring van de wil van God onderzoeken.

Bijbelverzen staan er nu eenmaal opdat we er ernstig biddend mee bezig zijn en ze niet zo maar naast ons neerleggen. We stellen ons dan aan het gevaar bloot dat we denken dat ze voor onze tijd onbelangrijk geworden zijn. Maar: ‘Alle Schrift is door God ingegeven en nuttig om te leren, te weerleggen, te verbeteren, en te onderwijzen in de gerechtigheid, opdat de mens van God volkomen is, tot alle goed werk ten volle toegerust’ (2 Timotheüs 3:16-17).

In het gebed tot de Heer of Hij wil zegenen wat van Hem is, reik ik de volgende uitleg aan opdat elke lezer het geestelijk kan beoordelen (1 Thessalonika 5:21, Handelingen 17:11).

Waarom voelde ik me eigenlijk genoodzaakt om dit boek te schrijven? De laatste jaren spraken jongere en oudere gelovigen me telkens weer over dit onderwerp aan. Sommigen glimlachten om het feit dat zo’n Bijbeltekst in deze tijd überhaupt nog het onderwerp van gesprek onder broeders is. Anderen reageerden agressief en afwijzend, omdat ze geloofden dat alleen ouderwetse mensen hierover kunnen spreken en schrijven. Ook waren er mensen die zich oprecht met de betekenis van deze tekst hadden beziggehouden en daarover spraken alsof alles heel eenvoudig en duidelijk was. We moeten voorzichtig zijn met het vellen van een oordeel over zulke gelovigen, die niet alles zo zien zoals ik het zie. Alleen iemand die zich werkelijk bezighoudt met moeilijke vragen en onderwerpen, zal erkennen hoe belangrijk het is om nauwkeurig te lezen en iets niet te snel als de wil van God en voor een Bijbels standpunt te laten doorgaan wat niet écht de Bijbelse leer is.

Wij (de schrijver en de lezer) moeten oprecht en kritisch het Woord van God uitleggen en altijd de vraag in het hart hebben: Heer, als ik me vergis en Uw Woord steeds verkeerd begrepen heb, verbeter me dan maar (Jakobus 3:1).

Vaak zijn het juist pasbekeerde mensen die deze verzen consequent in hun leven toepassen en ze naleven. Dat bracht me tot nadenken. Een korte illustratie zal dit duidelijk maken:

Petra zocht in de wereld naar vrede, geluk, geborgenheid en liefde. Maar ze vond dit alles niet. Feestjes, bezoeken aan discotheken, vriendschappen enzovoort waren korte, voorbijgaande pleziertjes, die uiteindelijk geen bevrediging gaven.

Door een prediking uit het Woord van God vond ze de Heer Jezus en gaf haar leven aan Hem. Ze werd een gelukkige Christin en bezocht ijverig de samenkomsten van de gelovigen, met wie ze zich nu verbonden voelde.

Uit de Bijbel leerde ze wat Christus als Heer en Heiland voor haar betekende. Ze las niet alleen in de samenkomsten, maar ook thuis intensief met gelovigen en gehoorzaamde van harte de Bijbel. Uiteindelijk kwam ze door het persoonlijke Bijbellezen bij de eerste Brief aan de Korinthiërs. Toen ze het elfde hoofdstuk las, stopte ze, want ze had tot dan toe gedacht dat hoofdbedekking een typisch islamitische traditie is.

Toen ze de teksten zorgvuldig bestudeerde en gebeden had, wilde ze ook aan dit woord gehoorzaam zijn en zich voortaan ook bij het bidden bedekken. Bij een bidstond met anderen waren haar broeders en zusters heel verbaasd over het gedrag van deze pasbekeerde vrouw. Zij waren zelfs ontsteld en vroegen zich af of dit niet wat overdreven was. Wilde zij geestelijker zijn dan zij die al langer de Heer navolgden? Sommigen lachten haar uit. Naar aanleiding daarvan las ze de verzen uit 1 Korinthe 11 voor. Maar men wees het af en zei: ‘Dat gold toen voor de Korinthiërs, maar dat geldt vandaag niet meer voor ons. Daarbij zijn dat ook maar uiterlijkheden’.

Toen werd deze jonge zuster onzeker. Ze wilde niemand aanstoot geven. Dat waren toch ook trouwe broeders en zusters, die ze van harte liefhad. De gewetenswroeging die ze eerst in haar hart voelde, werd uiteindelijk door ‘voorlichting’ van leidinggevende broeders bijna helemaal verdrongen. Na een tijd werd deze jonge zuster door negatieve invloeden van ongelovigen ontrouw aan de Heer, verloor haar interesse in het Bijbellezen en keerde terug naar de wereld. Maar de Heer, de Goede Herder, vond haar na enkele jaren opnieuw. Intussen wil ze de Heer consequent dienen. Ze wil zich niet meer onderwerpen aan menselijke tradities, maar alleen aan het Woord van God.

Is het niet vaak zo dat we allereerst al onze menselijke overleveringen in het licht van Gods Woord kritisch moeten bekijken, zodat we, in vastbesloten gehoorzaamheid aan onze Heer, door de Heilige Geest bevrijd kunnen worden van een on-Bijbelse uitleg? Dan kunnen we Zijn wil met blijdschap doen, omdat het ons om Zijn wil gaat en wij het voor Hem doen, en niet omdat de traditie het zo voorschrijft.

Ik wil nog graag benadrukken dat je uiterlijke vormen niet moet vasthouden, omdat men het altijd zo gedaan heeft, of omdat men het nu eenmaal uit gewoonte zo doet, of omdat ouders of medegelovigen het graag zien, maar omdat je er van harte van overtuigd bent dat het Gods wil is. Daarmee wil ik niet beweren dat gehoorzaamheid aan de ouders en rekening houden met de gevoelens van broeders en zusters niet tot eer van God is. Maar God wil meer. Hij wil dat we uit geestelijk inzicht handelen.

Een puur formele instemming met de Bijbel in uiterlijkheden, vormen en tekenen (zoals de doop, het breken van het brood, de hoofdbedekking, lange haren bij de vrouwen en korte haren bij de mannen), zonder een werkelijk geestelijke overtuiging maakt het geloof hol, krachteloos, verkrampt en opgelegd. God heeft ons deze dingen niet alleen om het feit zelf gegeven, maar omdat Hij ons daarmee ook geestelijke en morele waarheden wil leren.

Maar een uit moderne opvattingen loslaten van het Woord leidt tot hetzelfde: een hol, inhoudsloos geloof!

Uitleg van 1 Korinthe 11:1-16

Vers 1: ‘Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus’.

Dit inleidende vers wijst op de voorbeeldfunctie van de schrijver van deze geïnspireerde regels. Hij was een apostel en een navolger van Jezus Christus. Omdat hij dit van ganser harte was, en niet alleen met zijn mond, kon hij dit vers onder leiding van de Heilige Geest opschrijven (vergelijk daarbij ook: 1 Korinthe 4:16; 1 Thessalonika 1:6; Efeze 5:1; 1 Thessalonika 2:14; Hebreeën 6:12).

Tegenwoordig kan en mag geen enkele broeder of zuster zeggen: Wees mijn navolgers, zoals ik Jezus Christus navolg. In Hebreeën 13:7 worden we weliswaar opgeroepen om het geloof van onze voorgangers na te volgen, maar daarmee wordt het vertrouwen bedoeld dat deze voorgangers te allen tijde in God hadden. Dit Godsvertrouwen, dit geloof, moeten we met ons hart navolgen. God geve dat er ook vandaag nog voorgangers gevonden mogen worden die op grond van een intensief gebedsleven en een godvrezende Bijbelstudie een onwankelbaar vertrouwen in God, hun hemelse Vader, hebben en zich door geen enkele geestelijke stroming laten meeslepen of beïnvloeden. Mannen die de meningen van mensen niet vrezen, maar zichzelf en dat wat ze leren alleen toetsen aan het geopenbaarde Woord van God en zich door dat Woord laten leiden.

Als we er hier toe geroepen worden om de apostel Paulus na te volgen, moeten we allereerst precies nagaan wat hij ons te zeggen heeft. Zijn we bereid de gedachten die God hem heeft ingegeven, werkelijk serieus te nemen?

Overigens kunnen we vers 1 ook op hoofdstuk 10 toepassen. Daarom zullen we de verzen 31-33 nog met elkaar lezen: ‘Hetzij dan dat u eet, hetzij dat u drinkt, hetzij dat u iets anders doet, doet alles tot heerlijkheid van God. Geeft geen aanstoot, noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente van God; evenals ook ik in alles allen behaag, niet om mijn eigen voordeel te zoeken, maar dat van de velen opdat zij behouden worden’.

Deze verzen geven iets weer van de gezindheid van Paulus, die ons tot voorbeeld dient en bereid was nooit zijn eigen voordeel te zoeken, maar alles te doen tot eer van God.

God geve ons die gezindheid van de apostel Paulus. Hij kon inderdaad schrijven: ‘Weest mijn navolgers’. Waar is het ons om te doen? Om Gods welgevallen of om menselijke bijval?

Vers 2: ‘En ik prijs u, dat u mij in alles gedenkt en de inzettingen vasthoudt, zoals ik ze u overgeleverd heb’.

Dit vers deelt ons drie belangrijke dingen mee:

  1. De Korinthiërs waren de apostel Paulus niet vergeten. Ze waardeerden hem als een oprechte, nederige en volmaakte dienstknecht van God en verheugden zich over zijn dienst, die hij van de Heer ontvangen had.
  2. Ze dachten aan zijn overleveringen of onderwijzingen en ze stonden er niet onverschillig, sceptisch of vijandig tegenover.
  3. Ze hielden aan deze overleveringen of onderwijzingen vast. Het woord ‘katecho’ (zeker en trouw vasthouden, in gedachtenis houden, in bezit nemen) wordt in Mattheüs 21:38 met ‘in bezit nemen’ en in Lukas 14:7 met ‘innemen’ vertaald.

Op verschillende plaatsen worden we opgeroepen iets vast te houden:

  • 1 Korinthe 15:2: ‘… als u vasthoudt aan het woord dat ik u heb verkondigd’.
  • 1 Thessalonika 5:20: ‘Veracht de profetieën niet, maar beproeft alles, behoudt het goede’.
  • Hebreeën 3:6: ‘… als wij de vrijmoedigheid en het roemen in de hoop <tot [het] einde toe onwrikbaar> vasthouden’.
  • Hebreeën 3:14: ‘… als wij tenminste het aanvankelijk vertrouwen tot het einde toe onwrikbaar vasthouden’.
  • Hebreeën 10:23: ‘Laten wij de belijdenis van de hoop onwankelbaar vasthouden’.

De Korinthiërs dachten niet alleen aan de persoon van de apostel, die zo’n voorbeeldige navolger van Christus was, maar ze hielden ook zijn woorden vast die hij hun had overgeleverd. En die innerlijke houding prijst de apostel Paulus. Zou hij ook ons kunnen loven omdat wij de geïnspireerde woorden vasthouden?

We moeten ook aan de uitdrukking ‘zoals ik ze u heb overgeleverd’ denken. Paulus waardeerde het dat de Korinthiërs zijn overleveringen zuiver en duidelijk, zonder theologische, sociologische of culturele interpretatie, ontvangen hadden en ze ook als zodanig vasthielden. En dat is ook voor ons erg belangrijk!

Het is de Bijbellezer vast al opgevallen dat in het Nieuwe Testament zowel positieve als negatieve overleveringen aangehaald worden. Van negatieve menselijke overleveringen lezen we in Mattheüs 15:2,3,6; Markus 7:3,5,8,9,13; Galaten 1:14; Kolosse 2:8; terwijl bijvoorbeeld in 1 Korinthe 11:2; 2 Thessalonika 2:15 en 3:6 over positieve, door God gewilde overlevering gesproken wordt.

Als de Heer Jezus in Mattheüs 15:3 zegt: ‘waarom overtreedt ook u het gebod van God ter wille van uw overlevering’ en in vers 6: ‘… en u hebt zo Gods gebod krachteloos gemaakt ter wille van uw overlevering’, dan moet ons dit zeker tot nadenken stemmen.

Deze overleveringen waren afkomstig van de rabbijnen; ze waren van de wet van Mozes afgeleid. Later werden deze in de Talmoed vastgelegd. Veel van deze bepalingen konden helemaal niet onderbouwd worden met oudtestamentische geboden. Kennen ook wij zulke menselijke bepalingen?

Eeuwenoude of tientallen jaren oude gewoonten worden uiteindelijk ook schriftelijk vastgelegd. Zo kunnen overleveringen ontstaan onder ware gelovigen, die de uitdrukkelijke geboden van God krachteloos maken. Aan de andere kant moeten we de overleveringen die door God via de apostel aan ons gegeven zijn, juist heel serieus nemen en ons daaraan onderwerpen. Als de Korinthiërs aan die overleveringen vasthielden, zouden wij ze dan loslaten, ongeldig verklaren, ze eenvoudigweg – zonder er een echte Bijbelse verklaring ervoor te hebben – als tijdgebonden beschouwen en of ze zelfs voor een persoonlijke mening van Paulus houden? Moge God ons bewaren voor zo’n houding ten opzichte van de Bijbel!

Het kleine woord ‘overleveren’ (‘paradomi’; in vers 2 wordt het bijbehorende hoofdwoord ‘paradosis’ gebruikt) leidt ons naar het volgende onderwerp in de eerste Brief aan de Korinthiërs. 1 Korinthe 15:3-5 zegt: ‘Want ik heb u in de eerste plaats overgegeven wat ik ook ontvangen heb: dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften, en dat Hij is begraven en dat Hij op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften; en dat Hij aan Kefas verschenen is en daarna aan de twaalf’.

Het woord ‘overleveren’ (‘overgeven’) leidt ons in in dit bijzondere hoofdstuk, waarin ons het belangrijke feit van de opstanding van de Heer Jezus en de gelovigen meegedeeld wordt.

1 Korinthe 11:23-24 zegt: ‘Want ik heb van de Heer ontvangen wat ik u ook overgegeven heb, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij overgeleverd werd brood nam; en nadat Hij gedankt had brak Hij het en zei: Dit is Mijn lichaam dat voor u is, doet dit tot Mijn gedachtenis …’. Hier leidt het woordje ‘overleveren’ of ‘overgeven’ het tekstgedeelte over het avondmaal in, waarmee de dood van de Heer verkondigd zou worden, totdat Hij komt.

Deze drie Goddelijke ‘overleveringen’ zijn van fundamenteel belang:

  1. 1 Korinthe 11:1-16: de scheppingsorde van God met betrekking tot de positie van man en vrouw.
  2. 1 Korinthe 11:23-34: het avondmaal dat centraal staat in de Christelijke eredienst en de hoogste uitdrukking van Christelijke gemeenschap is.
  3. 1 Korinthe 15:3-58: de opstanding van Christus als grondslag van de opstanding van de ware gelovigen.

We vragen ons het volgende af: Met welk recht houdt men vast aan een correcte uitleg van avondmaal en opstanding en zegt dat die niet gebonden zijn aan tijd en cultuur, terwijl het gedeelte in 1 Korinthe 11:1-16 door veel Christenen als cultureel bepaald wordt beschouwd?

Wie bepaalt eigenlijk welke tekst in de Schrift cultuurafhankelijk en welke cultuuronafhankelijk is? Welke vergankelijke en morele maatstaven gebruikt men daarbij? De maatstaf van het menselijke intellect en verstand soms? Maar is juist het verstand met zijn interpretaties niet afhankelijk van tijd en cultuur?

Maar let op: als je denkt dat onze tijd en onze moderne cultuur de maatstaf vormen voor de uitleg van 1 Korinthe 11:1-16, moeten we ook bij 1 Korinthe 15 deze maatstaf hanteren! Schaf dan de opstanding ook maar af! Veel moderne theologen hebben dat ook consequent gedaan. In onze tijd is er immers geen sprake meer van een geloof in de opstanding uit de doden?

Merken we hoe gevaarlijk het is om te beweren dat 1 Korinthe 11 in onze tijd niet meer serieus genomen kan worden?

Het is al betreurenswaardig dat een bekende schrijver in het voorwoord van zijn boek over de eerste Brief aan de Korinthiërs schrijft: ‘Wie dit boek wil begrijpen, moet het daarom ook historisch lezen. Hij zal ook dingen tegenkomen die voor ons geschiedenis, verleden tijd zijn … Geen vrouw draagt bij ons nog een hoofdbedekking zoals in de tijd van de apostelen. En niemand van ons zal het als een schande ervaren, als de vrouw in het openbaar spreekt’.

Op een andere plaats schrijft hij over 1 Korinthe 11: ‘We moeten bij dit gedeelte bedenken dat Paulus geen verhandeling schrijft die tijdloos is … Een hoofdbedekking is tegenwoordig toch geen teken meer! Hiermee heeft de vrouw dus ook geen macht meer op het hoofd’.

Een andere bekende Bijbelonderzoeker begint de uitleg over 1 Korinthe 11 met de woorden: ‘Hier hebben we één van de gedeelten voor ons die in de eerste plaats een plaats- en tijdgebonden betekenis hebben’.

Bijbelkritiek begint vaak in het verborgene, doordat bepaalde Schriftgedeelten gerelativeerd worden die in het bijzonder te maken hebben met zogenaamde uiterlijkheden. Die zijn weliswaar duidelijk in de Bijbel vastgelegd, maar worden door Bijbelcritici als volledig ondergeschikt of zelfs als overbodig beschouwd. Uiteindelijk volgt de volgende stap; die bestaat hierin dat de fundamentele waarden van het Christendom kritisch bekeken worden om uiteindelijk de waarheid van het Christendom helemaal overboord te gooien.

Moge de Heer Jezus ons bewaren voor zo’n verschrikkelijke en ontstellende geest van kritiek, die alles bekritiseert maar het niet waagt om zichzelf in Gods licht te stellen en uit liefde voor de Heer te doen wat het nieuwe leven vraagt: gehoorzaam te zijn (Johannes 14:21-23). Gehoorzaamheid aan God en aan Zijn Woord zal voor ons een zegenrijke uitwerking hebben. Echte gehoorzaamheid leidt altijd tot echte vrijheid en niet tot wettische dwang. En ware vrijheid is de zegen van een gelukkig, de Heer toegewijd leven, dat Christus, als het ware Leven, bewust geniet!

Laten we verdergaan met de uitleg van de tekst:

Vers 3: ‘maar ik wil dat u weet, dat Christus het Hoofd is van iedere man en de man het hoofd van de vrouw en God het Hoofd van Christus’.

Als de apostel hier schrijft ‘ik wil …’, dan is dat niet zijn persoonlijke, van de Heer Jezus onafhankelijke wil, maar de wil van Diegene Die hij navolgt. Als Paulus schrijft ‘ik wil’ dan zegt hij dat met een hart dat iets begeert, iets wenst en weloverwogen voorstelt (vergelijk 1 Korinthe 10:1; 10:20; 12:1; Kolosse 2:1 enzovoort).

De gelovigen moeten weten. Dit woord (‘oida’) drukt niet alleen een intellectuele kennis van iets uit, maar benadrukt bovenal het innerlijke, bewuste inzicht in een bepaalde zaak.

Overigens wordt een andere vorm van dezelfde woordstam op veel andere plaatsen met ‘zien’ vertaald (vergelijk 1 Korinthe 2:9 en Handelingen 26:13 en 16, waarin duidelijk wordt dat het hier om innerlijk inzicht gaat en begrip van een bepaalde zaak).1

Drie dingen moeten de Korinthiërs en ook wij weten:

1. Christus is het Hoofd van de man

De man moet zich onderwerpen aan de opgestane en aan de rechterzijde van God verheerlijkte Mens Christus Jezus. Hij is niet autonoom, maar afhankelijk van de aanwijzingen van zijn Hoofd. Maar hoe kan dat praktisch verwerkelijkt worden? Nu, de man is verplicht dagelijks met zijn Hoofd te spreken. Hij moet zich door gebed en door het luisteren naar Zijn Woord in alle gedachten, gesprekken, in zijn handelwijze in het huwelijk en in het dagelijkse leven door Hem laten leiden.

Ware en innige gemeenschap met het Hoofd is het enige werkelijke middel om bewaard te blijven op de weg door deze wereld. Wij mannen moeten ons deze vraag stellen: Zijn wij dagelijks bereid ons Hoofd in alle omstandigheden om raad te vragen? Hoeveel tijd nemen we dagelijks om te bidden en om Gods Woord te lezen? Welke invloeden hebben gewoonten, tradities en vooringenomen standpunten op ons persoonlijk leven? Kennen we nog het spreken van de Heer tot onze harten? Weten we nog wat een echt geloofsleven inhoudt? Waardoor wordt ons gedrag in ons huwelijk, gezin en beroep bepaald?

Hoe komen we aan onze waardeoordelen en hoe nemen we beslissingen? Christus is uw en mijn Hoofd, geliefde broeders. Dat is van grote betekenis. Als ik als man de Heer Jezus Christus niet persoonlijk ken als Hoofd in mijn leven, hoe moet ik dan begrijpen wat Christus als Hoofd op de verschillende terreinen van Zijn heerschappij betekent?

Hij is immers:

  • het Hoofd van alles (‘alle dingen’, Efeze 1:10 en 22) en zo zal Hij eens over de hele schepping regeren;
  • het Hoofd van alle overheid en macht (Kolosse 2:10) en zo zullen alle zichtbare en onzichtbare, goede en boze machten onderworpen worden;
  • het Hoofd van Zijn Lichaam, de Gemeente (Efeze 4:15, 5:23. Kolosse 1:18, 2:19); en dat betekent dat alle handelingen van de leden van het Lichaam onder Zijn autoriteit en onder Zijn invloed zouden moeten staan;
  • het Hoofd van de hoek, de Hoeksteen (1 Petrus 2:7; vergelijk met Mattheüs 21:42, Markus 12:10, Lukas 20:17, Handelingen 4:11), en dat staat met het Huis van God in verband; Christus bepaalt de orde en

inrichting van Zijn geestelijke Huis, waartoe immers alle ‘levende stenen’, alle ware gelovigen, behoren; – het Hoofd van de man (1 Korinthe 11:3).

Hoe belangrijk is het dat wij mannen altijd georiënteerd zijn op ons Hoofd. Hij Die vol liefde, erbarmen, mildheid en goedertierenheid is, maar ook rechtvaardig, heilig, trouw en waarachtig, zodat wij bekwaam worden het hoofd van de vrouw te zijn. Moeten wij mannen ons falen niet belijden?

2. De man als hoofd van de vrouw

De vrouw is dus onderworpen aan de man. Dat is de wil van de apostel Paulus, die dit in opdracht van God schrijft. Het is volgens de Bijbel de nadrukkelijke wil van God. Dat laten ook de volgende Schriftgedeelten zien:

Efeze 5:22 en 23: ‘Vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig als aan de Heer, want de man is het hoofd van de vrouw, evenals ook Christus het Hoofd van de Gemeente is’.

Kolosse 3:18: ‘Vrouwen, weest aan uw mannen onderdanig, zoals het betaamt in de Heer’.

Titus 2:4 en 5: ‘… opdat zij de jonge vrouwen inscherpen … aan hun mannen onderdanig, opdat het Woord van God niet gelasterd wordt’.

1 Petrus 3:5: ‘Want zo versierden zich vroeger ook de heilige vrouwen die hun hoop op God stelden, terwijl zij aan hun eigen mannen onderdanig waren’.

Wat betekent dat nu? Moet de man de bevelhebber of zelfs dictator van de vrouw zijn? Uiteraard niet! Moet hij haar dirigeren, alles dicteren, haar overheersen? Volstrekt niet! Het hoofd is een beeld van intelligentie, leiding en intelligente besturing.

De man hoort de vrouw verstandige aanwijzingen te geven, haar in liefde te leiden (Efeze 5:25) en haar te laten zien wat hij van zijn Hoofd, Christus, heeft geleerd. Zal de vrouw zich dan niet gewillig aan hem onderwerpen? Kan dan ook niet tot vervulling komen wat we in Genesis 2:18 lezen: ‘Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem’. Als de vrouw een echte hulp voor de man is, kan een Christelijk huwelijk dan niet een stukje hemel op aarde zijn?

3. God is het Hoofd van Christus

Hier kun je natuurlijk niet aan de Drie-eenheid van God denken. Binnen die Drie-eenheid bestaat er geen Hoofd. ‘Christus’ is hier de Mens Christus Jezus, Die door God is opgewekt en als Mens nu aan Zijn rechterhand is (vergelijk Handelingen 7:56, Hebreeën 2:9. Lukas 22:27, 1 Korinthe 15:28). Christus is God, maar Hij heeft Zich vernederd en is Mens geworden. En alleen als Mens heeft Hij een Hoofd, namelijk God.

Wat kunnen we nu samenvattend uit dit vers leren? In de scheppingsorde van God bestaan gezagsstructuren, waaraan wij als mensen maar bovenal als gelovigen absoluut onderworpen zijn.

Natuurlijk – wij zijn ‘hemelburgers’ (1 Korinthe 15:48) en moeten hemelse kenmerken in de wereld laten zien (Filippi 2:15), maar we zijn ook schepselen; enerzijds natuurlijke schepselen, zoals alle mensen, anderzijds ook al een ‘eersteling van Zijn schepselen’ (dat betekent: een nieuwe schepping, Jakobus 1:18).

Als kinderen van God zijn we mensen die ‘de nieuwe mens aangedaan hebben, die naar God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid’ (Efeze 4:24), ‘die vernieuwd wordt tot kennis naar het beeld van Hem Die hem geschapen heeft’ (Kolosse 3:10). Zo willen we de wereld graag laten zien, dat we als Gods schepselen Zijn wil willen doen met betrekking tot Zijn scheppingsorde. Christus onze Heer is daarvan een prachtig Voorbeeld, want hoewel Hij God de Zoon was en bleef, ook als Mens, heeft Hij Zich toch als Mens onderworpen aan Zijn God en God als Hoofd erkend.

Vers 4: ‘Iedere man die bidt of profeteert met [iets] op zijn hoofd, onteert zijn Hoofd’.

Allereerst wordt het volgende duidelijk: mannen mogen bidden en profeteren! Dat is een heerlijk voorrecht. Hopelijk waarderen we dat voldoende! Bidden: dat is praten met God, met lofprijzing, met dankzegging en aanbidding, met smeken en met voorbede. Profeteren: dat is spreken tot de mensen in de Naam van God. Profeteren is volgens 1 Korinthe 14:3 spreken tot mensen tot opbouw, vermaning en vertroosting, een spreken vanuit de tegenwoordigheid van God tot de mensen.

Als een man nu bidt tot God of onder de mensen profeteert, moet volgens vers 4 een bepaalde orde aangehouden worden: de man mag niets op zijn hoofd hebben. In de zichtbare schepping is er geen wezen waaraan hij onderworpen is; dat is immers wat door de bedekking wordt uitgedrukt, zoals we nog zullen zien.

Zijn autoriteit, de Persoon aan Wie hij onderworpen is, is Christus als onzichtbaar Hoofd in de hemel. Als hij nu met bedekt hoofd bidt of profeteert, onteert hij Christus, zijn Hoofd, want hij zou daarmee laten zien dat er naast Christus nog een andere autoriteit is waaraan hij onderworpen zou zijn. Christus zou daarmee op hetzelfde niveau gesteld worden als een zichtbaar gezag en daarmee zou Hij van Zijn waardigheid worden ontroofd.

Het is daarom van het grootste belang dat de man bij het bidden en profeteren zijn hoofd ontbloot heeft, omdat hij daarmee enerzijds Christus eert en openlijk zijn afhankelijkheid van Hem toont, anderzijds zich ook bereid toont de plaats in te nemen die God hem als man gegeven heeft.

Vers 5: ‘Iedere vrouw die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar hoofd; want het is één en hetzelfde alsof zij geschoren was’.

Ook hier wordt vastgesteld dat vrouwen kunnen bidden en profeteren. In ons gedeelte wordt niet gesproken over het waar en wanneer, maar alleen dat het mogelijk is!

De vragen over het waar en wanneer worden in andere artikelen in dit boek behandeld. Wat een bijzonder voorrecht voor de zusters te mogen bidden en te mogen profeteren! Mag ik hier vragen: Maken jullie, lieve zusters, gebruik van dit voorrecht? Maar ook hier geldt een voorwaarde: de vrouw moet haar hoofd bedekken als ze bidt of profeteert. Als ze met onbedekt hoofd bidt of profeteert, dan drukt ze daarmee het volgende uit:

  • Ze onteert haar hoofd (dit is de man, niet haar lichamelijk hoofd).
  • Ze is als iemand die kaalgeschoren is.

In vers 3 zagen we dat de man het hoofd van de vrouw is. Hier leren we dat de hoofdbedekking het zichtbare teken is van het feit dat ze bewust erkent: Ik ben onderworpen aan een zichtbare autoriteit, namelijk aan het gezag van de man.

Als ze dus met bedekt hoofd bidt en profeteert, laat ze daarmee aan de zichtbare en onzichtbare wereld (de mensen- en de engelenwereld) zien dat ze haar positie als vrouw inneemt; ze laat zien dat ze niet over de man heerst en ook niet aan de man gelijkgesteld wil zijn in de scheppingsorde. Ze erkent de plaats die haar door God is gegeven in de schepping en de wijsheid van God, die tot uitdrukking komt in de schepping van man en vrouw, als verschillende maar toch als elkaar wondermooi aanvullende persoonlijkheden.

Als de vrouw zich van dit alles niets aantrekt (wat intussen onder Christenen al vaak als normaal beschouwd wordt), handelt ze als iemand die kaal geschoren is. Het scheren van de haren gold in de oudtestamentische tijd bij mannen alsook bij vrouwen als teken van schande, ontering, smaad en droefheid (vergelijk Leviticus 10:6; 1 Kronieken 19:4,5; Jeremia 7:29; Ezechiël 27:31; 44:20; Micha 1:16). Blijkbaar werd het kaalgeschoren zijn ook door de uit het heidendom stammende Korinthiërs als een schande gezien (vers 6).

Ook uit het verband met verzen 14 en 15 wordt duidelijk dat het onnatuurlijk is (en ook toen voor de Korinthiërs was) dat een vrouw haar ‘eer’ eenvoudigweg afscheert! Daarom kun je de uitdrukking ‘alsof ze geschoren was’ ook omschrijven met de woorden: als iemand die haar heerlijkheid, die ze van God gekregen heeft, bewust prijsgeeft.

Vers 6: ‘Want als een vrouw niet gedekt is, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen; maar als het voor een vrouw schande is zich het haar te laten afknippen of zich te laten scheren, dan moet zij zich dekken’.

Ons vers wijst op drie dingen waar we nader op in willen gaan:

Ten eerste moeten bij een vrouw, als ze zich bij het bidden en profeteren niet wil bedekken, ook de haren afgeknipt worden. Hier staat ‘keirastho’2. Het is dus eigenlijk een bevel: men moet een vrouw de haren afknippen als zij zich niet wil bedekken.

Het woord ‘katakalyptomai’, dat voor ‘bedekken’ gebruikt wordt, komt alleen voor in 1 Korinthe 11:6,7 en betekent: verhullen met een sluier tot aan het voorhoofd (zie lexicon W. Bauer).

Het woord ‘keiro’ betekent zoveel als: scheren, afscheren, afsnijden, afmaaien. In het Nieuwe Testament wordt het in Handelingen 8:32 gebruikt voor het scheren van schapen en in Handelingen 18:18 voor het scheren van het hoofd van de apostel Paulus. In de Septuaginta (de Griekse vertaling van het Oude Testament uit de 2e eeuw voor Christus) wordt dit woord gebruikt voor het scheren van schapen (Genesis 31:19; 38:12; Deuteronomium 15:19; Jesaja 53:7), maar ook voor het scheren van de haren van de man: Absalom en Job (2 Samuel 14:26; Job 1:20). Deze uitdrukking betekent niet zozeer ‘scheren’, ‘kaalscheren’, of ‘middellang knippen’, maar eenvoudig ‘afknippen’.

Een vrouw moet zich bij het bidden en profeteren bedekken. Als ze dat niet wil doen, dan wordt ook haar haar afgeknipt (‘keirastho’, aoristus imperatief, is afgeleid van ‘keiro’) of wordt haar hoofd geschoren. Bij een vrouw moet dus het haar afgeknipt worden als zij zich niet wil bedekken.

En waarom? Nu, als de vrouw er niet in geïnteresseerd is om zich aan Gods orde te onderwerpen, dan moet ze dit ook maar openlijk door het korte haar, namelijk het mannenhaar, laten zien. Door het korte haar, het mannenhaar, loochent de vrouw haar vrouwelijke eer (namelijk het lange haar, vers 15) en zegt daarmee dat ze het met Gods scheppingsorde niet eens is. In Gods ogen is dat alsof we een kaalgeschoren vrouw zien en we ervaren dat als een schande.

Ten tweede is afgeknipt of afgeschoren haar voor de vrouw een schande. Hier wordt nogmaals het woord ‘keiro’ gebruikt. Maar de apostel Paulus gebruikt ook een ander woord, namelijk ‘kyrao’. Dit begrip komt nog één keer voor in Handelingen 21:24 en wordt met ‘scheren’ vertaald3. Het is duidelijk dat het woord ‘kyrao’ eigenlijk ‘kaalscheren’ of ‘helemaal scheren’ betekent. In Ezechiël 44:20 lezen we: ‘Zij (de priesters) mogen hun hoofd niet scheren, maar zij mogen ook de haarlokken niet vrij laten groeien’.

In Micha 1:16 staat: ‘Scheer uw haar af, ja, scheer u kaal vanwege uw kinderen, die u lief zijn’.

Hier worden nog één keer beide begrippen (‘kyrao’: kaalscheren, en ‘keiro’) in één zin gebruikt. Uit het geheel wordt duidelijk dat de beide Griekse woorden wel tot hetzelfde verband horen, maar ze betekenen zeker niet exact hetzelfde. Het ene woord duidt op helemaal kaalscheren, het andere (‘keiro’) duidt aan: eraf knippen, eraf scheren.

Als derde punt: ‘Laat zij zich bedekken’ (‘katakalytesto’, gebiedende wijs). Nog een keer doet de apostel een beroep op het morele besef van de vrouw. De apostel wil zeggen: Wil je dat je haar afgeknipt of afgeschoren wordt? Nee, uiteraard wil je dat niet, want je weet dat het een schande is (11:15). Weiger je hoofdbedekking op te doen bij het bidden of profeteren, dan is dat net zo’n schande als dat je haren afgesneden of geschoren zijn. Je weet toch dat je lange haren een eer zijn? Dan denk je er toch aan dat je met de hoofdbedekking bij het bidden en profeteren je positie als vrouw in de schepping eert?

Het is gewoon nergens voor nodig om als een man te verschijnen, omdat God je juist als een vrouw of meisje wil eren. God heeft er beslist een bedoeling mee dat Hij jou het vrouwelijke geslacht gaf. Wees toch werkelijk een vrouw! Vind je het nodig om een andere plaats in Gods scheppingsorde in te nemen dan de plaats die Hij je gaf?

Verdere aanwijzingen met betrekking tot het onderwerp ‘vrouwenhaardracht’:

Misschien moeten we op deze plaats noemen dat Maria (Johannes 12) en de zondares (Lukas 7:38,44) met hun haren de voeten van de Heer Jezus afdroogden. In Openbaring 9:8 wordt gezegd ‘… zij hadden haar als vrouwenhaar’ (trichas gynaikon). De lengte van de haren van de vrouw is dus blijkbaar duidelijk in tegenstelling met die van de man.

Hoe mooi beschrijft de bruidegom in het Hooglied de lange haren van de bruid: ‘Uw haar is als een kudde geiten, die neergolft van de Gilead’ (Hooglied 4:1; 6:5).

‘Uw hoofd is op u als de Karmel en uw haartooi is als roodpurper, de Koning zit gevangen in de lokken’ (Hooglied 7:5).

Mag ik op deze plaats eens een persoonlijk woord aan onze lieve zusters richten? Heb je de Heer wel eens gedankt voor je haren, voor je lange haar? Of is dat een nieuwe gedachte voor je? Nu, dit lange haar is toch volgens vers 15 ‘uw eer’ (letterlijk: uw heerlijkheid).

Het lange haar van een nazireeër, ‘het hoofdhaar van zijn nazireeërschap’ (Numeri 6:7,18), moest, nadat het nazireeërschap voorbij was, in het vuur van het vredeoffer geworpen worden. Het haar van de nazireeër was toen het zichtbare teken van een aan God gewijd leven.

Geliefde zuster, bewaar toch je vrouwelijke uiterlijk; wees er dankbaar voor en verval niet in de mannelijkheidswaanzin van deze wereld! Je zult ervaren dat de Heer je rijk zal zegenen, want jouw Schepper wilde je als vrouw en Hij heeft je lief als vrouw, niet als man!

Vers 7: ‘Want de man moet het hoofd niet dekken, daar hij het beeld en de heerlijkheid van God is; maar de vrouw is de heerlijkheid van de man’.

De man is Gods beeld en heerlijkheid, daarom mag hij zich niet bedekken. God wil de kenmerken van Zijn eigen Wezen zichtbaar voorgesteld zien in de man. De man moet op deze aarde een zichtbare representatie van God zijn en Hij wil Zijn eer, Zijn heerlijkheid, Zijn uitstraling, Zijn verhevenheid en Zijn majesteit op een bepaalde manier in de man geëerd zien.

Zoals ook de mens in Genesis 1 naar Gods beeld geschapen werd, zo moet nu de man – ook na de zondeval – Gods beeld en heerlijkheid zijn. Het woord ‘beeld’ betekent dat het wezen van iets of iemand zichtbaar wordt. Zo wordt bijvoorbeeld Christus als Beeld van God voorgesteld (2 Korinthe 4:4;

Kolosse 1:15). De gelovigen zijn door God voorbestemd aan ‘het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn’ (Romeinen 8:29). 2 Korinthe 3:18 en Kolosse 3:10 wijzen ons erop dat de gelovige nu al deel heeft aan het proces van de geestelijke verandering naar Christus’ beeld; in de heerlijkheid zullen de gelovigen het ‘beeld van de Hemelse’ dragen (1 Korinthe 15:49).

Het woord ‘beeld’ kan ook gebruikt worden voor munten of beelden van afgoden (Mattheüs 22:20; Romeinen 1:23; Openbaring 13:14). Ook op deze plaats moeten wij mannen ons afvragen in hoeverre we werkelijk Gods wezen in de wereld en ten opzichte van de vrouw vertonen.

De man is ook Gods heerlijkheid. Betekent dat niet dat de man Gods eer, Zijn waardigheid en Zijn uitstraling moet laten zien? Hoezeer zijn wij als mannen daarin tekortgeschoten! Hoe laten wij de onzichtbare God in ons gedrag op aarde zien?

De vrouw is de heerlijkheid (‘doxa’) van de man. Zij is niet het beeld van de man, maar zijn heerlijkheid. Ze representeert hem niet in deze wereld, maar zij is zijn eer, zijn aanzien, zijn heerlijkheid (zoals je ‘doxa’ ook kunt vertalen).

Iemands beeld zijn betekent: hem zichtbaar representeren; iemands heerlijkheid zijn, wijst erop dat men iets van hem uitstraalt, bijvoorbeeld bepaalde verborgen kenmerken openbaart.

Onze medemensen kunnen dus Gods wezen en eigenschappen zien als ze een gelovige man zien, en ze kunnen zien wie de man is als ze de vrouw zien (bijvoorbeeld zijn gelovige vrouw). Wat een verantwoordelijkheid hebben gelovige mannen en vrouwen in deze wereld.

Verzen 8 en 9: ‘Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man; want de man is ook niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man’.

De vrouw is uit de man. Dat betekent ook dat de man er het eerst was. 1 Timotheüs 2:13 zegt: ‘Want Adam is eerst geformeerd en daarna Eva’. Toen God Adam schiep, zag Hij in hem Zijn eigen beeld. Uit dit beeld, naar dit voorbeeld, werd Eva gevormd.

De vrouw werd ter wille van de man geschapen. In Genesis 2:18 staat dat God voor Adam een hulp wilde maken. Hiermee is dus de vrouw de hulp van de man, en niet de man de hulp van de vrouw. Dat betekent vanzelfsprekend niet dat de man de vrouw niet moet helpen! Integendeel, uit liefde zal hij haar helpen waar het maar mogelijk is. Maar dat verandert niets aan de grondbeginselen van de scheppingsorde. We moeten dat hier duidelijk benadrukken, omdat het zogenaamde feminisme en de feministische theologie juist dit punt ontwrichten en daarmee laten zien uit welke anti-Christelijke bron zij hun verdorven ideeën halen.

Vers 10: ‘Daarom moet een vrouw een macht op het hoofd te hebben ter wille van de engelen’.

Kunnen we niet zeggen dat vers 10 door middel van het woord ‘daarom’ de verzen 7 en 8 afdoende motiveert? We hebben gezien dat de man het eerste menselijke schepsel is en dat de vrouw omwille van de man is geschapen, niet omgekeerd.

Nu wordt in vers 10 gezegd dat de vrouw een macht op het hoofd moet hebben. Maar waarom deze macht? 4 De vrouw moet een macht, een teken van gezag, op haar hoofd hebben, omdat ze volgens de verzen 7-9:

  • de heerlijkheid van de man is;
  • niet als eerste geschapen werd; en
  • omwille van de man geschapen werd.

De Griekse uitdrukking ‘ichein epi tes kephales’ kan niet anders vertaald worden dan met de woorden: ‘op het hoofd hebben’. ‘Macht’ moet dus iets zijn dat niet bij het natuurlijke, menselijke lichaam behoort. Daarom wordt er in verschillende vertalingen aan toegevoegd: ‘een teken van het gezag waaronder ze staat’.

De betekenis van de uitdrukking ‘macht’ is dus deze: de vrouw staat onder het gezag van de man. Waaraan is dit te zien? Natuurlijk ziet God allereerst het hart aan; Hij onderkent meteen of iemand iets alleen maar doet omdat het nu eenmaal zo hoort of uit bewuste gehoorzaamheid en liefde voor Hem. Maar God heeft ook zichtbare tekenen gegeven en aan de hand van deze tekenen kunnen medemensen en de engelen herkennen of iemand Gods inzettingen erkent of niet. De hoofdbedekking bij het bidden en profeteren is het zichtbare teken dat de vrouw onder geen beding de positie van de man ten opzichte van God en de mensen in wil nemen. Is deze motivatie voor de hoofdbedekking niet voldoende? Blijkbaar niet, want er staat bij: ‘ter wille van de engelen’ (Gr.: dia tous aggelous). De vrouw draagt dus een hoofdbedekking omwille van de engelen. Veel Christenen vinden deze motivatie onbegrijpelijk en vreemd. Maar is dat wel zo?

Welke taken hebben de engelen in de nieuwtestamentische tijd?

  1. Het zijn hemelse boodschappers, gezanten van God en ze dienen God (Hebreeën 1:14; Mattheüs 13:49).
  2. In het Nieuwe Testament zien we dat ze in opdracht van God aan mensen zijn verschenen om een boodschap over te brengen (Lukas 1:26; 2:13; Handelingen 8:26; 10:3,7,22; 12:7; 27:27 en volgende; Openbaring 5:2; 14:8 enzovoort) en om te helpen (Handelingen 5:19; 12:7,11; Hebreeën 1:14).
  3. Ze dienen God en de Heer Jezus als oordeelsengelen (Mattheüs 13:41; 16:27; 24:36; 25:31; 26:53; Markus 13:27; 2 Thessalonika 1:7 en Openbaring 12:7).
  4. Engelen zijn in staat om gebeurtenissen hier op aarde waar te nemen (Lukas 15:10; 16:22; Johannes 20:12; Kolosse 4:9; 1 Timotheüs 3:16). Ze kunnen gesprekken van mensen horen (1 Timotheüs 5:21), hoewel afzonderlijke engelen natuurlijk als schepselen van God niet alomtegenwoordig zijn.

Als wij dus bidden en profeteren, horen de engelen dat ook. Ze kunnen ons gedrag beoordelen, want ze kennen Gods scheppingsorde. Ze waren immers bij de schepping aanwezig (Job 38:7).

In Efeze 3:10 wordt gezegd dat ‘aan de overheden en de machten van de hemelse gewesten door de Gemeente bekend gemaakt zou worden de veelvoudige wijsheid van God’.

Omdat de gelovigen volgens Jakobus 1:18 in zekere zin ‘eerstelingen van Zijn schepselen zijn’, moeten juist zij zowel aan de wereld alsook aan de engelen door hun gedrag laten zien dat ze God als Schepper eren.

Als de vrouw zich dus bij het bidden en profeteren bedekt, drukt ze het volgende uit:

  • dat ze vastbesloten ‘ja’ zegt tegen Gods scheppingsorde;
  • dat ze de door God vastgestelde relatie tussen man en vrouw uit Genesis 2:18 accepteert;
  • dat ze tijdens het bidden en profeteren zeker niet de indruk wil wekken bij de zichtbare en onzichtbare schepselen de plaats van de man in te willen nemen;
  • dat ze ook accepteert dat Eva als vertegenwoordigster van het vrouwelijke geslacht door de slang is verleid en daardoor in de zonde gevallen is: ‘… Adam werd niet verleid, maar de vrouw werd verleid en viel in overtreding’ (1 Timotheüs 2:14). Weliswaar werd Adam vervolgens ook verleid (door de vrouw!) en kreeg in Genesis 3 eveneens zijn straf, maar God zegt ons in 1 Timotheüs 2 dat Eva door de slang verleid werd; zij was de eerste die verleid werd en verstoorde door haar handelen de door God gegeven orde.

Is hierdoor niet duidelijk geworden dat de motivatie ‘omwille van de engelen’ niets anders betekent dan dat de vrouwen door de hoofdbedekking altijd aan Gods engelen willen laten zien: Als ik bid (spreek met God) of als ik spreek tot mensen als ‘uitspraken van God’ (dat is profeteren), wil ik nooit de positie van de man innemen en me ook niet boven de man stellen!

We kunnen hier dus vaststellen dat God ons door de apostel Paulus drie redenen geeft voor de hoofdbedekking bij het bidden en profeteren:

  1. De Goddelijke orde schrijft het zo voor: God – Christus – man – vrouw (vers 7).
  2. Er bestaat een scheppingsorde (verzen 7-9).
  3. De engelen observeren de heiligen en worden omwille van hen uitgezonden (vergelijk Hebreeën 1:14).

Overigens bewijst vers 10 nog eens heel duidelijk dat het in 1 Korinthe 11 nooit om dingen kan gaan die door de cultuur bepaald worden, maar om Goddelijke normen, want de engelen interesseren zich niet voor uiterlijke normen van een voorbijgaande cultuur, maar voor Gods scheppingsorde, die geldig blijft zolang de aarde zal bestaan.

Verzen 11 en 12: ‘Evenwel is noch de vrouw zonder de man, noch de man zonder de vrouw, in de Heer. Want zoals de vrouw uit de man is, zo is ook man door de vrouw; maar alle dingen zijn uit God’.

Dit vers laat nu heel duidelijk zien dat de betrekking tussen man en vrouw niet is gebaseerd op de behoefte van de vrouw zich te onderwerpen of op de aanspraak op heerschappij van de man, maar op Goddelijke beginselen, die enkel en alleen tot zegen zijn voor man én vrouw.

Dat geldt heel algemeen, voor dé man en dé vrouw. Maar ook als we dat betrekken op het huwelijk geldt: man en vrouw moeten in de Heer trouwen (1 Korinthe 7:39) en hun verhouding tot elkaar in het huwelijk is eveneens gebaseerd op het principe ‘in de Heer’. Wat is nu een man zonder zijn vrouw, wat is een vrouw zonder haar man? Moet hun verhouding niet door liefde en goddelijke orde bepaald zijn? Inderdaad is de vrouw van de man (vergelijk Genesis 2:21-22), maar de man bestaat door de vrouw (Gr.: die tes gynaikos). God heeft de vrouw uit de rib (zijde) van de man geformeerd, daarmee is zij van de man; ze hoort bij hem.

Wij als mannen moeten er wel aan denken dat de vrouw uit Gods hand voortgekomen is en als hulp aan de man is toegevoegd. Ze is er beslist niet om overheerst te worden, alsof ze alleen maar hand of voet of oor zou zijn, maar ze is een hulp die precies aanvult wat bij de man ontbreekt (‘die bij hem past’).

Elke man is sinds Eva alleen, of in zekere zin niet compleet, juist omdat de vrouw bestaat. Mannen zijn immers zonen van hun moeders, die hen gebaard hebben. Dat mogen wij mannen nooit vergeten. In zoverre is de man ‘door de vrouw’. Hoezeer moeten we toch het vrouwelijke geslacht op zich eren, en hoe sterk moeten we ook als echtgenoten onze echtgenotes eren! Hebben we niet gelezen: ‘… de vrouw is de heerlijkheid van de man’? Als nu de vrouw de heerlijkheid van de man is, mag ze dat dan ook niet merken? Dagelijks, in onze praktijk van elke dag?

In ons vers wordt verder gezegd: ‘… maar alle dingen zijn uit God’. God is de Schepper van man en vrouw. De man werd uit het stof van de aardbodem geformeerd en is daarom mogelijk van nature veel meer aards en zakelijk gericht, terwijl de vrouw uit de man werd geformeerd en daardoor veel meer persoonsgericht leeft.

Voorbeelden uit de cultuurgeschiedenis van de mensheid en de geschiedenis van de Christenheid hoeven we zeker niet als bewijsmateriaal aan te halen. Gelovige mannen en vrouwen mogen niet vergeten dat hun materiële, persoonlijke en morele oorsprong in de wil, de kracht en de wijsheid van God besloten ligt. Als we Gods aanwijzingen serieus nemen, zal dit nooit tot onze schade zijn, maar zullen we Gods zegen concreet in ons persoonlijke leven en in ons huwelijks- en gezinsleven ervaren.

Vers 13: ‘Oordeelt zelf: is het betamelijk dat een vrouw ongedekt tot God bidt?’

Twee dingen uit dit vers willen we van dichtbij bekijken:

1. Oordeelt bij uzelf!

Hoe vaak haalt de apostel toch het beoordelen aan in de eerste Brief aan de Korinthiërs5. Het woord ‘oordelen’ betekent: besluiten, geestelijk nadenken, waardoor iemand tot een gegrond, intelligent oordeel komt (vergelijk 1 Korinthe 7:37 en 11:31, waar gesproken wordt van besluiten of oordelen ‘bij zichzelf, bij onszelf’). Voor een oordeel heb je maatstaven nodig waarnaar je kunt oordelen. Bij de Korinthiërs was deze maatstaf het geweten, dat door de kennis van de heilsgeschiedenis, het Oude Testament en het al gepredikte Woord van God aangescherpt kon zijn (vergelijk Handelingen 18:11; 1 Thessalonika 2:13).

Natuurlijk blijft de vraag of ons geweten inderdaad Gods autoriteit hoger acht dan de gangbare morele normen om ons heen, die gevormd zijn door cultuur, traditie en gewoonte.

Laten we ons eens heel eerlijk afvragen: Als er een vraag op ons afkomt, welke maatstaven gebruiken we dan het eerst?

  • Vragen we eerst ons verstand?
  • Zien we op onze jarenlange ervaring?
  • Laten we onze (lang niet altijd positieve en evenmin betrouwbare) gevoelens de vrije loop?
  • Spreken we eerst met broeders en zusters die waarschijnlijk dezelfde mening hebben als wij?
  • Of gaan we met onze vraag naar onze Heer, buigen we onze knieën, bidden we om inzicht en begrip, onderzoeken we Gods Woord en spreken we dan met andere gelovigen en Bijbellezers die over inzicht beschikken over onze problemen?

Nogmaals: Hoe komen wij aan onze geestelijke beoordelingen en beslissingen?

2. Is het gepast …?

Dit woord (‘prepo’)6 betekent: zich schikken, behoren, passen, overeenkomend met. Het is volgens Gods Woord passend voor een biddende en profeterende vrouw, dat ze zich bedekt. Men kan aan de hand van de Goddelijke orde-principes en de voorafgaande verzen niet tot een andere conclusie komen. Het is niet gepast, omdat het in overeenstemming is met de Griekse of Joodse cultuur, maar omdat het volgens Gods scheppingsorde zo is!

Overigens baden de mensen in de Griekse wereld niet tot God, maar als ze al baden, deden ze dit tot hun afgoden en daarmee tot de demonen. De uitdrukking ‘gepast’ kan dus geen betrekking hebben op culturele normen. We houden hier eens heel eenvoudig de vraag in onze gedachten: Is het gepast dat een vrouw onbedekt tot God bidt? Lieve lezer, lieve lezeres, wat is jouw antwoord? Alsjeblieft, maak je er niet gemakkelijk vanaf!

Verzen 14 en 15: ‘Leert ook de natuur zelf u niet, dat als een man lang haar draagt, het een schande voor hem is? Maar als de vrouw lang haar draagt, is het een eer voor haar, omdat haar het lange haar tot een sluier gegeven is’.

We willen deze beide verzen in vier punten onderverdelen:

1. Ook de natuur is onze leermeester

Wat leert de natuur? Ze leert dat lang haar voor de man een oneer is, maar voor de vrouw een eer. Allereerst willen we het woord ‘natuur’ (‘physis’) wat nader bekijken.

In de geschriften van Herodotus, Solon, Aristophanes, Aristoteles en anderen wordt het begrip ‘physis’ gebruikt, als de natuurlijke aard of eigenschap, het karakter, de vorming, de geslachtskenmerken of de aard van iets nader aangeduid moeten worden. Ook kan het de creatie, de natuur of de afzonderlijke (biologische) soort betekenen. Het begrip ‘physis’ staat ook voor natuurlijke orde. De stoïcijn Epictetus schrijft bijvoorbeeld dat de natuur de geslachten naar aanleiding van hun haren rangschikt.

In Romeinen 1:26 lezen we bijvoorbeeld over de seksualiteit tussen man en vrouw als over ‘natuurlijke omgang’. Er bestaat dus natuurlijke en onnatuurlijke seksualiteit. De seksuele drift tussen man en vrouw wordt ‘natuurlijk’ genoemd, de seksuele drift tussen man en man of vrouw en vrouw ‘onnatuurlijk’.

Romeinen 2:14 spreekt erover dat de volken (heidenen) ‘van nature de [geboden] van de wet doen’, terwijl hun geweten mee getuigt. Dat wijst erop dat hun handelen getuigt van een in hen werkzaam moreel besef. We mogen er dus vanuit gaan dat er een zeker moreel besef voor wat natuurlijk of normaal is in de mens woont. Uit Judas vers 10 is zelfs een zeker natuurlijk verstand af te leiden.

Andere Schriftgedeelten als Romeinen 2:27; 11:21,24; Galaten 2:15 en Jakobus 3:7, waar het begrip ‘physis’ ook weer voorkomt, wijzen erop dat er een natuurlijke herkomst bestaat. Het kan heel goed zijn dat nu iemand zegt, dat de natuur hem helemaal geen lang haar voor vrouwen of kort haar voor mannen leert. Maar dat verandert niets aan het feit dat de natuur dat feitelijk wel doet, omdat Gods Woord dat namelijk zegt. Het kan wel zijn dat in onze tijd veel mensen zeggen dat homoseksualiteit normaal en natuurlijk is, maar Gods Woord zegt: De natuur leert het tegendeel.

Is het niet in de meeste culturen ook vandaag nog zo dat de vrouwen langer en mannen korter haar dragen? Toen Paulus deze tekst schreef, ging het om een geïnspireerde tekst. God zei dus: De natuur leert dat! Als wij dat niet meer voelen, moeten we allereerst erkennen dat onze cultuur zich steeds verder verwijderd heeft van wat de natuur leert. Het is al heel bedroevend dat door het opgeven van natuurlijke gevoelens (de natuurlijke seksuele drang in Romeinen 1 en natuurlijke liefde in 2 Timotheüs 3) onze cultuur steeds meer in een morele chaos stort. Maar willen wij als godvrezende Christenen, die de Schepper kennen, aan deze trend meedoen? Of willen we terugkeren naar wat God door de apostel Paulus in Zijn heilig Woord vastgelegd heeft?

Misschien is het op deze plaats nog interessant om te weten dat in Meyers grote encyclopedie (band 7, 1e uitgave) bij het woord ‘vrouw’ staat dat het hoofdhaar van een vrouw bij ongehinderde groei langer wordt dan dat van een man en dat de vrouwen over het algemeen minder neiging hebben tot kaal worden.

2. De uitdrukking ‘lang haar’

Het woord dat hier staat, vinden we verder niet in het Nieuwe Testament. In tegenstelling tot ‘thrix’, dat eenvoudig ‘haar’ betekent, staat in ons vers het woord ‘kome’ voor het typisch lange vrouwenhaar.

W. Bauer verklaart in zijn woordenboek bij het Nieuwe Testament het hoofdwoord ‘kome’ eenvoudig met ‘het haar van de vrouw’ en het werkwoord ‘komao’ met: lang haar dragen, het haar laten groeien.

In Benslers Grieks-Duitse woordenboek, bewerkt door Adolf Kaegi, leest men bij het begrip ‘komao’: ‘lang haar dragen … in Athene droegen de jongelingen lang haar tot hun achttiende levensjaar, waarin ze ‘epheboi’ (opgroeiende jongelingen) werden’.

In de Septuaginta vinden we het woord bijvoorbeeld op de volgende plaatsen:

Leviticus 19:27: ‘U mag de zijkanten van uw hoofd niet afscheren en de randen van uw baard mag u niet weghalen’.

Numeri 6:5: ‘Alle dagen van de gelofte van zijn nazireeërschap mag geen scheermes over zijn hoofd (‘kaphale’) gaan. Totdat de dagen waarvoor hij zich aan de HEERE gewijd had, voorbij zijn, moet heilig zijn, en de haarlokken van zijn hoofd lang laten groeien’.

Ezechiël 44:20: ‘Zij mogen hun hoofd niet scheren, maar zij mogen ook de haarlokken niet vrij laten groeien. Zij moeten hun hoofdhaar goed kortknippen’.

In alle bovengenoemde verzen gaat het over het hoofdhaar van de man. In Ezechiël 44:20 wordt gezegd dat de priester:

  • het hoofd niet mocht kaalscheren (dus geen kaal hoofd, zoals in Leviticus 21:5 voorgeschreven was);
  • het haar niet vrij mocht laten groeien;
  • het hoofdhaar kort moest knippen. Als we Numeri 6:5 en Ezechiël 44:20 met elkaar vergelijken, is het niet moeilijk om te ontdekken dat het Griekse ‘kome’ lang haar betekent.

3. Eer en oneer

Voor de man is lang haar een oneer (‘atimia’), voor de vrouw echter een eer (‘doxa’, niet ‘time’). Oneer (‘atimia’) voor de man betekent hier oneer in de zin van smaad en schande die je van anderen krijgt (vergelijk het woord in Romeinen 1:26; in 1 Korinthe 4:10 staat ‘atimos’ en dit wordt met ‘verachten’ vertaald).

Het lange haar van de vrouw is niet alleen haar eer of kostbaarheid (time), maar haar ‘doxa’, dat is haar eigen, persoonlijke heerlijkheid. Als een vrouw haar haren afsnijdt, snijdt ze daarmee haar eigen heerlijkheid af.

4. Een sluier

Het lange haar van de vrouw is haar tot een sluier gegeven. Ze hoeft dus in het dagelijkse leven niet als een gesluierde rond te lopen (vergelijk Genesis 24:65; 38:14,19; Hooglied 1:7). Sluiers bedekten het hoofd van de vrouw bijna volledig. Daardoor bleven de gezichten van de vrouwen voor de medemensen bijna helemaal verborgen. Dat is nu niet meer nodig. Het lange haar is de sluier van de vrouw.

Vers 16: ‘Maar als iemand lust heeft tot twisten, wij hebben zo’n gewoonte niet, en evenmin de gemeenten van God’.

Moeten Christenen twistziek zijn? Nee! Ze willen eenvoudig de wil van God doen. De apostel Paulus, zijn medearbeiders en de gemeenten van God hebben niet de gewoonte om twistziek te zijn. Over dit hoofdstuk moet men niet twisten. Het behoort tot het Woord van God en de Korinthiërs en ook wij moeten ons van dit feit bewust zijn. De apostel schreef toch niet dit hele Bijbelgedeelte om vervolgens tot slot te zeggen dat het helemaal vrijblijvend was. Hij bedoelde precies het tegengestelde: over deze verzen twisten we niet, want ze zijn voor elke ernstige en oprecht onderzoekende Christen te begrijpen.

Moge Gods Woord ook wat dit punt betreft voor ons weer belangrijk worden!

Bewerkt naar ‘Unbequem? Gottes Plan für Mann und Frau’, A. Steinmeister


1 In alle teksten in 1 Korinthe waar ‘weet u niet …?’ staat, is dit woord gebruikt: 1 Korinthe 3:16, 5:6, 6:2,3,9,15,16,19, 9:13 en 24.

2 Van Gr. ‘keiro’, in de 3e persoon enkelvoud, aoristus 1, gebiedende wijs

3 In de Septuaginta vinden we het in Genesis 41:14; Leviticus 13:33; 14:8; 21:5; Numeri 6:9, 18, 19; Deuteronomium 21:12; Richteren 16:17; 2 Samuel 10:4; 1 Kronieken 19:4; Jesaja 7:20; Jeremia 16:6 enzovoort

4 Het gaat hier om het Griekse woord ‘exousia’, dat zoveel betekent als ‘recht’, ‘autoriteit’, ‘overmacht’; alsook ‘overvloed’, ‘rijkdom’ (1 Korinthe 7:37; 15:24), ‘recht’ (8:9; 9:4,5,6; 9:12,18) en ‘macht’ (11:10).

5 Het Griekse woord voor ‘oordelen’ (‘krino’) vinden we op de volgende plaatsen: 1 Korinthe 2:2; 4:5; 5:3,12,13; 1 Korinthe 6:1,2,3,6; 7:37; 10:15,29; 11:11,13,31,32.

6 Dit woord (‘prepo’) komt voor in Mattheüs 3:15; Efeze 5:3; 1 Timotheüs 2:10; Titus 2:1; Hebreeën 2:10 en 7:26.