Gods kinderen verwachten het beste!
Hier voel ik de moeite, het lijden, de smart –
’t kan tranen in d’ ogen mij geven.
En tóch: door die tranen zie ’k Jezus, mijn Heer,
mijn Rust en mijn Steun in dit leven.
Hij wijst naar de toekomst, de eeuwige vreugd,
waarheen mij Zijn liefde zal leiden.
Wordt ’t lijden soms erger, ik steun op Gods trouw.
’k Mag rustig het beste verbeiden.
Ja, alles wordt beter: eens zie ik mijn Heer
door hemelse glorie omgeven.
Hij Die met Zijn bloed al mijn schuld heeft betaald,
Hij gaf mij het eeuwige leven.
Zijn Geest woont in mij, in het lichaam dat nu
verneed’ring door zonde moet dragen,
maar eens zal ’t gelijk zijn aan dat van mijn Heer.
Mag ik met dit uitzicht nog klagen?
Ik roem in mijn God en ik roem in mijn Heer.
’t Wordt beter! Het beste zal komen!
Als Christus verschijnt, ga ik Hem tegemoet;
dra wordt de bazuinklank vernomen.
Wat nu ook mijn deel nog op aarde zal zijn,
mijn Heiland zal niet van mij scheiden.
Ik wacht op het beste. Zo kan ik reeds nu
toch steeds in mijn Heer mij verblijden.