God in alle dingen
Er is geen omstandigheid in het leven van een Christen, hoe klein zij ook mag zijn, waarin God Zijn hand niet heeft. Geen haar valt van mijn hoofd zonder de wil van mijn hemelse Vader. Geen moeilijkheid, geen strijd, geen lijden komt over mij zonder de wil van God. Hij heeft jou en mij lief en daarom leidt Hij de omstandigheden van mijn leven tot mijn nut en Zijn verheerlijking. Wat een troost in de verzoekingen op onze reis. God in alle dingen te zien doet de vervelende eentonigheid van ons dagelijkse leven verdwijnen en wekt de grootste belangstelling in de geschiedenis van elke dag.
Het Boek Jona stelt deze waarheid duidelijk aan het licht. Wij leren daar dat geen ding voor de Christen toevallig is. In de geschiedenis van Jona zien wij in de gewoonste dingen en in de eenvoudigste omstandigheden de tussenkomst van God. Regelmatig vinden wij de woorden: ‘De HEERE [God] beschikte’ (Jona 1:17; 4:6,7,8). Hij bestuurde de weg en het lot van Jona.
In het eerste hoofdstuk lezen wij dat God een grote wind op de zee wierp, en deze storm zou een ernstige waarschuwing voor de profeet moeten zijn geweest als hij opmerkzaam had geluisterd. Ongetwijfeld waren de zeelieden al vaak in een storm geweest; voor hen was dit geen nieuws, niets bijzonders; het was een omstandigheid die tot de gewone omstandigheden van de zeelieden behoorde. Maar er was iets bijzonders en buitengewoons in deze storm voor die ene man op het schip. Daarom moesten de zeelieden tevergeefs proberen de storm te bedwingen, totdat die éne, Jona, de stem van de HEERE had gehoord.
God sprak dus in de storm tot Jona. Hij wilde hem door die storm tot zichzelf laten komen. Jona verstond eindelijk die stem en werd in de zee geworpen. En toen? God liet een grote vis komen. Een grote vis was niets bijzonders, want er zijn er vele in de zee; maar voor Jona was het iets bijzonders. God gaf die vis voor Jona om hem te redden. God sprak dus zowel in die storm als in die vis. Hij was het Die in beide Zijn hand had en Jona’s weg bestuurde.
Hetzelfde zien wij in het vierde hoofdstuk van Jona. De profeet zit tegen het oosten van de stad. Hij is boos dat God de stad niet verdelgt; hij moppert en is ongeduldig; hij wenst dat zijn ziel van hem genomen zal worden. Het leek alsof hij de les vergeten was die God hem geleerd had in de drie dagen die hij in de diepte had doorgebracht. Daarom moest er een nieuw teken tot hem gezonden worden. ‘En de HEERE God beschikte een wonderboom’ (Jona 4:6). Op zichzelf was er niets buitengewoons in een wonderboom; velen mogen duizend wonderbomen zien en zich onder hun takken neerzetten zonder er iets buitengewoons in te zien.
Maar de wonderboom van Jona was, zoals eerder de grote vis, een teken van God voor de profeet. Hij was een schakel in de keten van omstandigheden, waardoor hij moest wandelen. Jona nu verblijdde zich met grote blijdschap over de wonderboom. Enkele ogenblikken eerder verlangde hij ernaar om te sterven, maar zijn verlangen was het gevolg van ongeduld en verdriet en niet de wens om te sterven en voor eeuwig te rusten. Het lijden van de tegenwoordige tijd, meer dan het geluk van de toekomst, deed de wens om te sterven in hem ontstaan. Zo gaat het vaak ook met ons. Wij verlangen vaak van het lijden verlost te zijn, maar als het lijden voorbij is, is ons verlangen gestild. Als wij echt naar de komst van de Heer verlangen, dan zullen de uiterlijke omstandigheden er niet toe doen. Wij zullen dan in dagen van voor- en tegenspoed verlangen om Hem te dienen en binnenkort Hem in heerlijkheid te zien.
Toen Jona onder de schaduw van de wonderboom zat, dacht hij er niet aan om te sterven. De wonderboom maakte de ware toestand van zijn ziel openbaar, toen hij zei: ‘Het is voor mij beter te sterven dan te leven’ (Jona 4:8). De Heer kan een wonderboom tot een werktuig maken om de geheimen van het menselijk hart te openbaren. De Christen kan zeggen: God is in alle dingen. In de storm, ook in het groeien van de wonderboom wordt dan de stem van de Heer opgemerkt.
Maar de wonderboom was alleen maar een schakel in de keten. ‘Maar God … beschikte een worm’ (Jona 4:7); en deze worm, hoe onbeduidend hij ook mocht zijn, was toch een ernstige bode van God net zoals de sterke wind en de grote vis. Een worm kan wonderen doen als hij door God gebruikt wordt. Hij deed Jona’s wonderboom verdorren. De onbeduidendheid van de bode verheerlijkt des te meer de grote macht van onze God en Vader. Hij gebruikt een worm en een sterke storm om Zijn doel te bereiken. Het geestelijk gemoed ziet God in alle dingen. De worm, de wonderboom, de grote vis en de storm zijn allemaal werktuigen in de hand van God. Wie zou gedacht hebben dat een worm en een stormwind middelen konden zijn om een werk van God te volbrengen? Maar zo was het wel. Groot en klein zijn woorden die de mensen gebruiken, maar bij God bestaan ze niet. God telt de menigte van sterren en bemoeit Zich tegelijkertijd met een mus die op de aarde valt. Hij kan de wind tot Zijn weg en een gebroken hart tot Zijn woning maken.
Gelovige, jong of oud, wij mogen daarom niets als toeval zien, want God is in alle dingen. Een gelovige mag door dezelfde omstandigheden gaan en dezelfde verzoekingen te verdragen hebben als andere mensen, maar hij moet daarbij in alles de hand van God zien; hij moet zowel in de onbeduidendste als in de treffendste gebeurtenissen van zijn leven de stem van God vernemen. Dat de Heer ons mag helpen om dit door Zijn genade te begrijpen.
Bode des Heils Jaargang 7