Gemengd gebed?

Gemengd gebed?

Vraag:

Is het Bijbels gezien juist als jonge broeders en zusters bij elkaar zijn en allemaal hardop bidden (dus mannen zowel als vrouwen)? Ik ben er als jonge zuster toe aangespoord om mee te doen, maar voel me niet vrij.

Antwoord:

Biddende handen

‘Gemengd bidden’ gebeurt inderdaad steeds meer, maar je hebt gelijk: dát is niet de norm. De vraag is: wat zegt Gods Woord hierover? Er zijn enkele Schriftplaatsen die ons wat dat betreft verder helpen.

1 Korinthe 11:1-16

‘Iedere vrouw die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar hoofd’ (vers 5). Voor we het hebben over het onteren van je hoofd, kunnen we uit deze tekst een belangrijke eerste les trekken: je mág als zuster in bepaalde situaties bidden en ook profeteren! Dat is een zegen, een voorrecht, en ik hoop van harte dat je er veel gebruik van zult maken. Veel gelovige vrouwen menen dat dit alleen aan broeders is voorbehouden, en lopen daardoor veel zegen mis. Bidden is noodzakelijk voor ons innerlijke, geestelijke leven met de Heer; het wordt daarom wel de ademhaling van de ziel genoemd.

Soms doe je dat in je binnenkamer, helemaal alleen met de Heer, maar soms ook in aanwezigheid van anderen. Uit het feit dat bidden in deze tekst samen wordt genoemd met profeteren, is al duidelijk dat het hier niet alleen gaat om een stil gebed voor jezelf, maar juist in het bijzonder om hardop bidden, om gebed in het openbaar, om voorgaan in gebed. Immers, profeteren is het spreken tot opbouw, vermaning en vertroosting (vlg. 1 Korinthe 14:3), en is dus uit de aard van de zaak óók iets dat je hoorbaar doet tot bemoediging van andere gelovigen. Over de vraag, wáár een vrouw precies kan bidden of profeteren, zullen we het later nog hebben.

Als een vrouw bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert ze haar hoofd, dat wil zeggen de man, die naar Gods scheppingsplan boven haar geplaatst is; en die man heeft als Hoofd niemand anders dan Christus (vers 3). Door haar hoofd niet te bedekken en tóch te bidden of te profeteren, eigent een vrouw zich de plaats van de man in de scheppingsorde toe. Dat is de z.g. emancipatie van de vrouw, die helaas ook met kracht is binnengedrongen in de Gemeente, terwijl ze toch regelrecht indruist tegen Gods gedachten.

De scheppingsorde is weliswaar heel bijzonder van kracht in de Gemeente, dus ook in de gemeentelijke samenkomsten, maar beslist niet alleen maar dáár. Immers, de scheppingsorde geldt vanaf de schepping van Adam en Eva voor alle mensen, door alle eeuwen heen. Die orde moet in héél ons leven als schepselen van God zichtbaar gepraktiseerd worden. Daarom wordt in 1 Korinthe 11:1-16 ook niet gesproken over de samenkomsten, maar over de plaats die man en vrouw naar Gods gedachten in de scheppingsorde innemen. Dat is een plaats die ook o.a. in hoofdbedekking, haardracht en kleding tot uitdrukking komt; een positie die ook de natuur zelf ons leert, voor zover we ons geweten niet hebben laten dichtschroeien door het gedachtengoed van onze moderne geëmancipeerde tijd (vers 14). Al in het algemeen moet de wijsheid van God als Schepper in het leven van Zijn schepselen zichtbaar worden. En uiteraard moeten dan nog des te meer in Gods Gemeente op aarde Zijn wijsheid, Zijn waarheid, Zijn heiligheid en Zijn liefde zichtbaar worden. Daarom moet de vrouw dus óók in de samenkomsten een macht op haar hoofd hebben, een teken van het gezag waaronder zij staat. Ze moet dit dragen terwille van de engelen, die nu hier op aarde in de Gemeente Gods veelvoudige wijsheid willen bewonderen (1 Korinthe 11:10; Efeze 3:10). Wat moeten we in dit licht denken van de tendens om hoofdbedekking alleen te dragen wanneer we in het lokaal bijeen zijn voor de normale, wekelijkse bijeenkomsten, maar achterwege te laten bij (jeugd)conferenties, begrafenissen, bepaalde Bijbelstudies, of lezingen over zendingswerk …?!

Nee, het veel gehoorde argument dat zusters hun hoofd alléén moeten bedekken tijdens reguliere gemeentelijke bijeenkomsten, snijdt beslist geen hout. En dat temeer omdat vrouwen in de gemeentelijke samenkomsten nooit hardop bidden, en er evenmin profeteren. Want Gods Woord zegt in 1 Korinthe 14:26 duidelijk, dat de vrouwen hebben te zwijgen in de gemeente, ‘want het is hun niet geoorloofd te spreken’.

Maar wanneer bidden of profeteren vrouwen dan wél? Er zijn heel veel situaties denkbaar waar dat gebeurt en waar het gebed van zuster een enorme zegen is: een moeder die met haar kinderen bidt omdat haar man nog niet thuis is, een weduwe die aan tafel voorgaat, zusters die een zondagschool of kinderclub houden, zusters die elkaar bezoeken, met elkaar bidden en elkaar opbouwen in het geloof (dat is de dienst van profetie), enz. In zo’n geval zal een zuster haar hoofd dus ook bedekken om ‘aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten’ (Efeze 3:10) te laten zien dat zij handelt naar Gods veelvoudige wijsheid en zichzelf niet de plaats van hoofd in Gods schepping toe-eigent.

1 Timotheus 2: 11-14

We vinden in deze verzen een ander belangrijk beginsel als het gaat om de plaats van de vrouw: ‘Een vrouw moet zich stil, in alle onderdanigheid, laten leren; maar ik sta aan een vrouw niet toe dat zij leert of over een man heerst, maar zij moet stil zijn. Want Adam is eerst geformeerd, daarna Eva; en Adam werd niet verleid, maar de vrouw werd verleid en viel in overtreding’.

Voor we nagaan wat de vrouw volgens dit Bijbelgedeelte wel of niet kan doen, willen we eerst kijken welke argumenten worden aangegeven:

  • de man, Adam, werd als eerste geschapen, en Eva als tweede; ze is uit de man genomen, en dat moet ook blijken uit de positie die ze inneemt in de praktijk van haar leven;
  • de vrouw, Eva, is als eerste verleid en in zonde gevallen; ze ging haar man voor op de weg van de zonde, en heeft er daardoor nog des te minder recht om zich voor te doen als hoofd en voorganger.

Deze beide redenen hebben niets te maken met de cultuur van vroegere tijden in Israël of het Midden-Oosten, dan wel met een vrouwvijandige houding van de apostel Paulus, zoals vandaag de dag door liberale theologen wordt beweerd. Nee, de plaats van de vrouw naar Gods gedachten gaat terug op het feit dat ze ná de man werd geschapen, en op het feit dat ze bij de zondeval het voortouw nam.

Op grond van deze beide argumenten geeft God duidelijk aan:

  • dat de vrouw niet mag leren; dat betekent: de taak om het Woord van God uit te leggen, om de leer van Gods Woord uiteen te zetten, is in geen enkele omstandigheid toegedacht aan de vrouw. Uiteraard kunnen oudere zusters wel leraressen van het goede zijn, door jongere zusters bij te brengen hun mannen en kinderen lief te hebben, huishoudelijk te zijn, enz. (Titus 2:3-5), en kunnen ze hun kinderen of die van anderen bij de Heer Jezus brengen, hen in de tucht en vermaning van de Heer opvoeden en hun over Zijn liefde vertellen, zoals eenmaal moeders hun kinderen bij de Heer Jezus brachten. Hopelijk vergeet je niet zo’n zegen om je heen te verspreiden?!
  • dat de vrouw niet over de man mag heersen, en dus in elk geval in de Gemeente geen positie van geestelijke verantwoording, leiding en gezag mag innemen, want het gaat daar om een publiek waar mannen deel van uitmaken. Hier gaat het er niet om dat een vrouw niet over háár man mag heersen (al is ook dát waar), maar over dé man, over het mannelijke geslacht. Soms wordt er aangevoerd dat het toch ‘moet kunnen’ als die mannen het ermee eens zijn dat een zuster in hun aanwezigheid openlijk bidt of een dienst doet, bijv. op een zondagsschool of kinderclub. Maar de instemming van die mannen met een emancipatiepraktijk die niet naar Gods gedachten is (en dus ongerechtigheid is) verandert niets aan de duidelijke eis van Gods Woord! … maar zij moet stil zijn: zou God het nóg duidelijker kunnen omschrijven? Elke gelovige vrouw heeft een bevoorrechte plaats onder de gelovigen – een plaats waar ze weliswaar niet op de voorgrond treedt, maar wél tot zegen van jong en oud om haar heen actief kan zijn. Haar plaats is er één van zegen in de stilte, in ingetogenheid, en niet een plaats waarin ze ‘haantje de voorste’ kan spelen.

We mogen opnieuw onderstrepen dat dit gedeelte zich totaal niet beperkt tot de samenkomsten van de gemeente, maar dat het hele hoofdstuk 1 Timotheüs 2 ons algemeen onderwijs geeft over de taak en positie van man en vrouw – onderwijs dat ons hele leven raakt.

Deze beide gedeelten geven voldoende aanwijzing over Gods gedachten. Uiteraard mogen jonge zusters overal bidden, rekening houdend met de beperkingen die we hebben gezien. We kunnen niet blij en dankbaar genoeg zijn voor veel zusters die de gezinnen van de gelovigen, de zieken, vervolgde Christenen, het werk van de Heer in binnen- en buitenland enz. volhardend in het gebed aan de Heer opdragen. We mogen wel bidden dat er nog meer van zulke jonge (en oudere) zusters komen! Maar als het gaat om hardop, openlijk bidden (en ook om een profetische dienst) door zusters, geeft Gods Woord aan:

  • dat dit onmogelijk is in de samenkomsten waar de gemeente bijeenkomt;
  • en dat dit onmogelijk is in aanwezigheid van mannen.

Veel sterkte gewenst in het vasthouden aan het Woord van God!

Aanbevolen lectuur:
De plaats van de vrouw volgens de Schrift, R.K. Campbell
De dienst van vrouwen naar Gods Woord, F. Prod’hom
Ik? Moet ik hém gehoorzamen?, E. Rice-Handford