Gelooft niet iedere geest

“Geliefden, gelooft niet iedere geest,
maar beproeft de geesten of zij uit God zijn
” (1 Johannes 4:1).

Toen de apostel Johannes deze Brief schreef, ging het niet meer alleen om de verkondiging van de genade en goedheid van God, in een wereld van zonde en ellende. Het is een groot voorrecht om het kanaal te mogen zijn van zo’n getuigenis als dat van het Evangelie, en de drager te zijn van de wonderbare boodschap van liefde aan deze arme wereld. Die boodschap werd natuurlijk tegengestaan, maar zij was toch een wonderbare en zichtbare zegen voor de mens.

Maar nu moest de Geest een ander werk doen, een andere waarheid bekendmaken. Goddeloze mensen waren binnengeslopen (Judas 4), en het was nodig om tegen het kwaad te waarschuwen. Het is veel moeilijker om de zegen vast te houden, nadat wij die ontvangen hebben, dan om van de waarheid in het begin te getuigen. Wij zien in Judas de vermaning om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen was overgeleverd (vers 3). Het gaat er dus niet meer alleen om, dat de boodschap van zegen zuiver en onvermengd wordt bekendgemaakt.
Het is veel mooier om te zeggen: “Gelooft de Geest”, maar omdat dwaling ingeslopen was, moest er gezegd worden: “Gelooft niet iedere geest”. Dit was noodzakelijk, omdat de verborgenheid van de wetteloosheid al werkte (2 Thessalonika 2:7). Alle apostelen moesten al tegen dit kwaad waarschuwen en vooral Johannes als de laatste van hen. “Beproeft de geesten of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld”. De mensen hebben geslapen en de vijand heeft onkruid gezaaid (Mattheüs 13:25). Satan probeert altijd door geweld en tegenstand het aannemen van de waarheid te verhinderen. Maar als hij dat niet kan, probeert hij de waarheid te bederven. “Vele valse profeten (valse geesten) zijn uitgegaan in de wereld”. Zij kunnen uiterlijk “heiligen” lijken, maar zij zijn valse profeten, die eenvoudige zielen aanvallen. Mogelijk met veel uiterlijk vertoon brengen zij een vermenging van veel echte waarheid en leugen. Maar hun doel is, dat de dwaalleer het hart en geweten in beslag neemt.

God oefent waar gezag over het geweten uit. De waarheid is gezaghebbend. Maar de mensen willen iets, waardoor hun harten en gewetens voor God niet onrustig worden. En door menselijk gezag blijft het geweten uit de tegenwoordigheid van God. Men wil onafhankelijk van God zijn. Maar dit geeft de mens een lagere plaats, dan waarvoor hij bestemd is. Want zijn ware positie is, om van God afhankelijk te zijn, de ware ereplaats voor de mens.

Het geweten moet met God in aanraking komen en in Zijn tegenwoordigheid worden gebracht. En dat gebeurt door ware dienst. Elke dienst die hierin faalt, en die dit doel niet heeft, is niet uit God. Want dan wordt er iets tussen de ziel en God geplaatst. Als dienst echt is, wordt God door het Woord direct voor het geweten geplaatst. Maar alles wat onecht is, staat tussen God en het geweten. Dit gegeven stelt ons in staat het verschil te ontdekken en direct te onderscheiden wat valse of ware dienst is. God heeft beloofd dat Hij de zachtmoedigen zal leiden (Psalm 25:9), en Hij zal de nederige ziel bewaren voor de valse profeten.

Het Woord van God leert nergens dat het menselijk denkvermogen bevoegd is om het Woord te beoordelen. Het Woord zelf is alleen gezaghebbend over het geweten. Men heeft de kracht van het Woord, om in het geweten te werken, wel verward met de bevoegdheid om het Woord te beoordelen. Maar het menselijk denken is niet bekwaam om het Woord van God te beoordelen. Als dat wel zo zou zijn, dan zou het niet Gods Woord zijn. Want dan zou het denkvermogen van de mens gelijk zijn aan dat van God en dan zou er geen God zijn.

Gods Woord zegt mij wie ik ben. De ziel ontvangt het resultaat daarvan door goddelijke kracht. Het Woord beoordeelt mij en niet omgekeerd. Maar wel kan het Woord in mij de bekwaamheid werken om te kunnen beoordelen. Waar kunnen wij deze bevoegdheid vinden? Dat is de vraag waar het om gaat. Nu, die bevoegdheid vinden wij in het Woord, omdat het tot ons komt en zichzelf aan onze harten bewijst, door met kracht aan het geweten te werken.
“Iedere geest die Jezus Christus als in [het] vlees gekomen belijdt, is uit God”. Gelooft niet iedere geest. Het gaat niet eenvoudig om de waarheid en om het werk van het menselijk denken. Het gaat om Gods kracht en om valse geesten die het denken van de mens beïnvloeden. Er zijn bepaalde krachten werkzaam die invloed op de mens uitoefenen. Terwijl de mens denkt dat hij vrij en onafhankelijk is, is er in hem een geest werkzaam die óf van God is, óf van de duivel.

De belijdenis dat Jezus Christus in het vlees is gekomen, is uit God. De waarachtige erkenning dat Christus in het vlees is gekomen stelt alles op de proef. Dat bewijst de oprechtheid en waarachtigheid van de persoon die dat zegt. Het is zijn persoonlijk geloof, geen belijdenis met de mond. Want wie iets werkelijk gelooft, laat zich daardoor beheersen en leiden. Wij zijn aan Christus onderworpen. Geen boze geest is zo onderworpen. Beproeft de geesten. Als Jezus Christus niet erkend wordt als God, geopenbaard in het vlees, is die geest niet uit God. “Vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld”. Daarom is de erkenning van de heerschappij en het gezag van de Heere Jezus Christus de toetssteen voor alles. In plaats daarvan worden duizenden andere dingen aangeboden. Maar die geest die niet buigt voor de Heere Jezus Christus, is niet van God.

Het wordt niet aan eigen bevoegdheid of bekwaamheid overgelaten om de dingen te beoordelen; ook niet aan het gezag van andere mensen, maar aan de Geest van God: “Omdat Hij Die in u is, groter is dan hij die in de wereld is”. Dit is de kracht voor de wandel! In de waarheid zelf is geen kracht om ons te bewaren. Het gaat om de vraag of het hart de waarheid vasthoudt. De enige grond om te overwinnen is de kracht van de Geest van God over de gevoelens en gewetens van de gelovigen. Dan is het hart op Christus gericht en op de dingen van Christus, om Hem meer lief te hebben, meer van Hem te genieten en Hem beter te dienen. Als wij niet bewaard worden door de Geest van God, zullen wij de dagelijkse verzoekingen van de zonde niet kunnen weerstaan.

Valse godsdienst kan monniken kweken, maar brengt het geweten niet in de tegenwoordigheid van God. Dwaalleer maakt geen aanmerkingen op de menselijke hartstochten. Valse godsdienst past zich altijd aan bij de hartstochten, de gedachten en de gevoelens van de mensen. Daarom kan de wereld beter overweg met valse godsdienst, omdat die zich aanpast aan de mens. En de massa zal de dwaling volgen. De apostel verwachtte niet dat de waarheid de wereld zou overwinnen, maar zegt duidelijk dat de dwaalleer dit wel zou doen.

Wij zien dus, wanneer God toelaat dat een grote groep mensen op een bepaald punt van de waarheid op de proef gesteld wordt, dat de meerderheid dan de dwaalleer zal aannemen. “Zij zijn uit de wereld; daarom spreken zij uit de wereld, en de wereld hoort hen”. Maar “u bent uit God, kinderen, en hebt hen overwonnen”. Als God in hen is, blijven zij bewaard, zo niet dan zullen zij de waarheid loslaten.

Wij moeten vertrouwen op dat wat de Geest van God heeft verklaard, meer dan op dat wat de verwachting van mensen is. Ook de apostel had geen ijdele hoop dat de waarheid de macht had om de wereld te hervormen.

“Wie God kent, hoort ons”. Er staat niet: “Die overwint”, maar: “Die hoort ons”. Zij hadden de geestelijke kracht om te ontdekken wat waarheid was. Het middel om waarheid van dwaling te onderscheiden was de erkenning van het Woord. Zij mochten niet luisteren naar ieder die zich niet onderwierp aan het geïnspireerde Woord. Ook al spraken zij zo mooi als engelen, het was niet uit God; het was uit henzelf. Het directe getuigenis van de apostelen was de toetssteen die God gebruikte voor waarheid en dwaling. Nu wordt geen enkel mens meer door God gebruikt als garantie voor de waarheid.

De Geest van God en het Woord van God moeten samengaan. Het Woord van God alleen is niet genoeg, omdat ik dan het Woord met mijn eigen verstand of intellect zou kunnen beoordelen en daardoor verkeerd kan gaan. Ook de Geest van God alleen is niet genoeg, want ik zou dan mijn eigen inbeeldingen voor de Geest kunnen aanzien. Woord en Geest werken samen. Het Woord bereikt mijn hart dan met absoluut gezag en beoordeelt mij. Als beide, Woord en Geest, in het hart ontvangen worden en mij helemaal in beslag nemen, kan Satan mij niet aantasten. Want het vlees en de eigenwil zijn dan niet werkzaam. Woord en Geest stellen mij in staat het vlees in mijzelf en in alles om mij heen te veroordelen. Dat is de zekerheid tegen elke vorm van dwaling: het bezitten van de Geest en het Woord van God.

Wij moeten er elke dag naar streven om ons met de waarheid bezig te houden. Daardoor verblijden wij ons steeds meer in Christus en voeden wij ons steeds meer met Hem, de waarachtige God en de volkomen Mens, die in alles aan Zijn Vader onderworpen was. Dan zal alles wat niet van Hem is mijn hart raken, want het is die Christus die onteerd wordt. En dat heeft zijn invloed op de hele toestand van mijn hart. Laten wij ervan verzekerd zijn dat wij de dwaalleer niet kunnen weerstaan, wanneer er geen levende kracht is van de levende Christus, die door ons hart gekend en genoten wordt. De waarheid moet worden vastgehouden in verbinding met de Persoon van Christus, anders zal zij ons niet bewaren voor dwaling.

J.N. Darby

(Uit: ‘Nine lectures on the First Epistle of John’)