Gedachten over evangelisatie
Ik meen dat het goed is een woord van aansporing en bemoediging te spreken tot allen die werkzaam zijn geweest en nog werkzaam zijn in het gezegende werk van de verkondiging van het evangelie van Gods genade.
Ik ben me in zekere mate bewust van de moeilijkheden en ontmoedigingen die voorkomen op het pad van elke evangelist, wát ook zijn werkterrein en mate van gave precies zijn. En het is mijn verlangen om de handen te ondersteunen en de harten te bemoedigen van allen die gevaar lopen neer te vallen onder de grote druk van deze dingen. Meer en meer voel ik het zeer grote belang van een oprecht, krachtig getuigenis van het evangelie, alom. En ik ben erg bang voor elk struikelen hierin.
Laat niemand menen dat ik door dit te schrijven ook maar iets wil afdoen van de waarde van onderwijs en opbouw. Dat zij verre! ‘Deze dingen <nu> zou men moeten doen en de andere niet nalaten’ (Mattheüs 23:23). Ik wil het werk van de evangelist niet vergelijken met dat van de leraar en ook de evangelist niet verheerlijken ten koste van de leraar. Elke taak heeft zijn eigen plaats, zijn eigen belang en gewicht. We hebben echter werkelijk dringend evangelisten nodig! Een ware evangelist is bijna net zo’n zeldzaamheid als een ware herder. Helaas, helaas! Hoe zeldzaam zijn ze allebei! Deze twee zijn nauw aan elkaar verbonden. De evangelist brengt de schapen bijeen, de herder voedt en verzorgt hen. Het werk van beide ligt zeer op het hart van Christus, de ware Evangelist en Herder van Godswege.
Maar nu spreken we in het bijzonder over de eerste: de evangelist, om hem te bemoedigen in zijn werk en hem te waarschuwen tegen de verzoeking dit werk te verlaten. We kunnen ons niet veroorloven ook maar één gezant van Christus juist nu te verliezen, of ook maar één prediker te hebben die zwijgt!
Hoe weinig wordt er veelal meegestreden in het evangelie! En hoe weinig medeleven wordt er getoond met het hart van Hem Die weende over onberouwelijke zondaren, en Die het al aan het begin van Zijn gezegende dienst kon zeggen: ‘[De] Geest van [de] Heer is op Mij, doordat Hij Mij heeft gezalfd om aan armen het evangelie te verkondigen’ (Lukas 4:18; Jesaja 61:1). En op een andere plaats zegt Hij: ‘Laten wij ergens anders heengaan, naar de naburige plaatsen, opdat Ik ook daar predik; want daartoe ben Ik uitgegaan’ (Markus 1:38).
Onze gezegende Heer was een onvermoeibare Prediker van het evangelie. En allen die zijn vervuld met Zijn gedachten en Zijn gezindheid, zullen levendig belang stellen in het werk van allen die in hun zwakke mate hetzelfde proberen te doen. Een dergelijke belangstelling zal niet alleen blijken uit een vurig gebed om Gods zegen over dit werk, maar ook uit ijverige en volhardende pogingen om onsterfelijke zielen onder het gehoor van het evangelie te brengen.
Op deze manier kunnen we behulpzaam zijn in het evangelie. En let wel: deze weg ligt open voor elk lid van de Gemeente van God, zowel voor mannen als voor vrouwen of kinderen. Allen kunnen behulpzaam zijn in de uitbreiding van het heerlijke werk van het evangelie.
Wanneer elk lid van de Gemeente ijverig en onder gebed zó werkzaam zou zijn, hoeveel krachtiger zouden dan de onmetelijke rijkdommen van Christus worden bekendgemaakt! Er zijn vele manieren waarop elk lid van de Gemeente van God behulpzaam kan zijn in de verkondiging van het evangelie.
Maar hoe vaak is er maar weinig behulpzaamheid! Hoe vaak horen we zelfs gelovigen die gezien worden als geestelijk, zeggen dat ze niet zo’n interesse hebben in de verkondiging van het evangelie, want ‘het is alleen het evangelie’. Hoe is dat mogelijk?! ‘Het is alleen maar het evangelie!’ Met andere woorden: ‘Het is alleen maar het hart van God – alleen het kostbare bloed van Christus – alleen het heerlijke werk van de Heilige Geest!’ Dát is de betekenis van een uitspraak als ‘Het is toch alleen maar het evangelie!’
Er is niets méér bedroevend dan dat belijdende Christenen op zo’n manier spreken. Het toont overduidelijk aan dat hun zielen vér verwijderd zijn van het hart van de Heer Jezus. Ik heb helaas telkens opnieuw moeten vaststellen dat gelovigen die kleinerend denken en spreken over het werk van een evangelist, gelovigen zijn met een zeer laag geestelijk peil. En anderzijds stellen de meest toegewijde, de meest waarachtige, de best onderwezen gelovigen altijd een levendig belang in dit werk. Hoe zou het ooit anders kunnen zijn?
Getuigt de Heilige Schrift niet ondubbelzinnig over het belang dat de drie-enige God stelt in het werk van het evangelie? Zeer zeker! Wie predikte het eerst het evangelie? Wie was de eerste Boodschapper van de behoudenis? Wie verkondigde het eerst het goede nieuws van het verbrijzelde Zaad (nageslacht) van de vrouw? Dat was immers Jahweh Elohim, de HEERE God Zelf, in de hof van Eden. Dat is een sprekend feit in verbinding met ons onderwerp.
En nog een vraag: Wie was de meest oprechte, ijverige en getrouwe Prediker Die ooit op aarde heeft gewandeld? De Zoon van God! En Wie heeft in de afgelopen eeuwen onafgebroken het evangelie verkondigd? De Heilige Geest, Die vanuit de hemel naar de aarde is neergezonden.
Zo zien we dus dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest samen daadwerkelijk werkzaam zijn in het werk van evangelisatie. En wanneer dit zo is, wie zijn wij dan om geringschattend te durven spreken over zo’n Goddelijk werk? Mocht het veel meer zo zijn dat ons hele hart door de kracht van Gods Geest ertoe wordt gebracht een krachtig en diepgemeend ‘Amen!’ uit te spreken op die kostbare, geïnspireerde woorden: ‘Hoe lieflijk zijn de voeten van hen die vrede verkondigen, van hen die het goede verkondigen’ (Romeinen 10:15; Jesaja 52:7)!
Het kan zijn dat iemand die dit artikel leest, werkzaam is geweest in de verkondiging van het Evangelie, en eigenlijk een beetje ontmoedigd is. Misschien heeft hij al jarenlang de roeping van de Heer om in één en dezelfde plaats te evangeliseren, en vindt hij het moeilijk zich telkens weer tot dezelfde mensen te moeten richten; telkens weer het Evangelie te moeten uitdragen naar deze mensen, week na week, maand na maand, jaar in, jaar uit. Misschien is er zo’n prediker die graag iets nieuws wil, iets dat fris is, een beetje afwisseling, en die daarom verlangt naar een nieuwe werkomgeving waar de onderwerpen die hij op z’n hart heeft nog niet bij de mensen bekend zijn.
Of als dit niet mogelijk is, wil hij in die plaats misschien wel beginnen met diepgaande Bijbellezingen en uiteenzettingen over Bijbelse onderwerpen, in plaats van door te gaan met een bezielde, persoonlijk gerichte, vurige verkondiging van het Evangelie.
Ik denk dat het voor zo’n prediker erg nuttig en behulpzaam zal zijn, wanneer hij eraan denkt dat het grote Onderwerp van een waarachtig evangelist is: Christus. De kracht om dat Onderwerp voor de aandacht te plaatsen, is de Heilige Geest. Degene aan wie dat Onderwerp moet worden voorgesteld, is de arme, verloren zondaar.
Welnu, Christus is altijd weer nieuw! De kracht van de Heilige Geest is altijd fris. De toestand en eindbestemming van de ziel is altijd uitermate belangrijk. Bovendien is het bij elke nieuwe gelegenheid om te evangeliseren goed dat de evangelist eraan denkt dat zijn onbekeerde toehoorders in feite totaal onwetend zijn wat betreft het Evangelie. Daarom moet hij zich ook elke keer opnieuw tot de mensen richten alsof zij de boodschap van het Evangelie voor het eerst horen, en alsof hij zelf die boodschap voor de eerste keer aan hen brengt. Want laten we eraan denken: de verkondiging van het Evangelie is naar Gods gedachten niet een regelmatig voorgedragen dogma dat een evangelische leer samenvat. Het is iets totaal anders!
Het Evangelie is in werkelijkheid het ruime, liefhebbende hart van God dat opwelt en in stromen van leven en redding behoudenis brengt naar de arme, verloren zondaar. Het is het voorstellen van de verzoenende dood en de heerlijke opstanding van de Zoon van God. En dit alles vindt plaats door de aanwezige kracht, door de vurige werking en de frisheid van de Heilige Geest vanuit de onuitputtelijke rijkdommen en schatten van de Heilige Schrift.
Bovendien: het éne doel van de evangelist dat hem totaal in beslag neemt en opeist, is het winnen van zielen voor Christus, tot eer van God. Dáárvoor werkt en smeekt hij. Dáárvoor bidt en huilt hij en is hij in grote nood. Dáárvoor brengt hij de boodschap met grote kracht, vurig en direct. Dáárvoor doet hij een heel klemmend beroep op de harten en gewetens van de mensen tot wie hij zich richt, en worstelt hij als het ware met hun hart en geweten.
Het is niet zijn doel om leerstellingen te onderwijzen, hoewel onderwijs heel zeker broodnodig is; evenmin wil de evangelist de Bijbel uitleggen, hoewel de uitleg van de Schrift een absolute noodzaak is. Dit zijn immers de taken van de leraar. Laten wij daarom nooit vergeten dat het doel van de evangelist is: de zondaar bij Christus brengen en zielen voor Christus winnen. Moge God door Zijn Geest deze dingen altijd voor onze harten levendig houden, zodat we daadwerkelijk een diepere belangstelling krijgen voor het heerlijke evangelisatiewerk!
Ter afsluiting wil ik graag in alle liefde een opwekkend woord richten tot mijn geliefde en geëerde medearbeiders. Richt u erop uw tijd te geven aan het grote werk van de redding van kostbare zielen. O, laten we toch de gelegenheid aangrijpen om de heerlijke boodschap door te geven van Gods onbeperkte liefde en van de volledige behoudenis in Christus!
C.H. Mackintosh