Een valstrik in evangelisatie

Er is een gevaar dat in onze tijd bijzonder groot is, en waaraan zelfs de meest oprechte evangelisten zijn blootgesteld. Dat gevaar is: het sterke verlangen om belijdenissen te horen van de toehoorders, een verklaring dat iemand weet dat zijn zonden vergeven zijn.

Sommigen zullen nu verbaasd uitroepen: ‘Hoezo?! Moeten we dan niet een sterk verlangen hebben dat zondaren behouden worden? Moeten we daar niet hard aan werken?!’

Nee, dat is het niet waarnaar we moeten verlangen, en al helemaal niet waaraan we moeten werken! Waarop wij als Christenen de nadruk moeten leggen en waarvoor we ons moeten inzetten is dit: het Woord te prediken, waardoor een zondaar zichzelf als verloren ziet en als volkomen onbekwaam om voor God te verschijnen; en waardoor hij zich vervolgens bekeert en het kostbare evangelie gelooft: de boodschap dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften (1 Korinthe 15:3).

Dat is het wat de eerste evangelisten voortdurend deden, zoals we het zien in de Handelingen. Niet één keer vinden we dat één van hen zijn toehoorders opwekt om meteen openlijk te belijden dat ze behouden zijn. Deze predikers zijn onze voorbeelden om na te volgen en van hen te leren. Zij stelden aan hun luisteraars voor dat ze zich moesten bekeren en het evangelie moesten geloven. Maar we vinden niet één vermelding van een openlijke aansporing om in hun aanwezigheid te belijden dat ze zojuist behouden waren. Dit werd rustig overgelaten aan hen die inderdaad door Gods Geest en Woord waren geraakt, zich vervolgens bekeerden, en er op hun eigen tijd voor uitkwamen, dus als ze er rijp voor waren.

Het gebeurt tegenwoordig maar ál te vaak dat halfovertuigde of oppervlakkig geraakte mensen ertoe worden gebracht in de zaal naar voren te lopen, naar de spreker, en daar een belijdenis uit te spreken van dingen waarvan ze nog niet volledig zijn overtuigd (zoals in de gelijkenis van de zaaier het zaad voor een deel op rotsachtige grond viel, snel opkwam, en ook snel weer verdorde, want het had geen wortel).
Zonder enige twijfel is er al onnoemelijke schade aangericht aan de zielen van zulke personen die overhaast een belijdenis deden op grond van aandrang. Maar er is daardoor ook grote schade toegebracht aan de zaak van het evangelie zelf.

Het is waar: er zal uiterlijk gezien een groter succes zijn wanneer er aanhoudend op zo’n belijdenis wordt aangedrongen. Daarbij komen mensen naar voren, ze staan op of ze steken hun hand op, of ze ondertekenen een kaartje (‘Vandaag heb ik besloten Jezus na te volgen…’), terwijl ze stil op hun plaatsen blijven zitten. Hoe anders was de praktijk van de apostelen! Er was niets te vinden dat lijkt op deze moderne methoden! Ze stelden met kracht aan de mensen de waarheid voor van hun schuld voor God, en Zijn genadige oplossing voor de zonde door het offer van Zijn Zoon op het kruis.
En als het gevoel van nood bij hun toehoorders was ontwaakt, vermaanden zij hen met vele andere woorden. Daarna lieten ze het vervolg over aan de toehoorders, zodat die personen zélf de overtuiging zouden krijgen te moeten uitkomen voor hun geloof (uiteraard is nazorg voor pasbekeerden heel belangrijk, maar dat is iets totaal anders dan een dringende aansporing overhaast ervoor te kiezen uiterlijk en zonder diepe overtuiging een Christen te worden).

Chr. Knapp