Een kannibaal en een kapitein

Om te ontkomen aan noodweer deed een Britse kapitein met zijn schip twee eeuwen geleden de Fiji-eilanden aan. Daar woonden toen nog veel kannibalen. Maar hij was enorm verrast toen hij aanlegde en het stamhoofd met uitgestoken armen op hem toekwam lopen: “Hartelijk welkom, mijn broeder!” Hij zei tegen zijn stamgenoten: “Dit is een man uit het land van de Christenen!” De kapitein begreep meteen dat deze gevaarlijke kannibalen Christenen waren geworden.

De hoofdman vertelde dat ze bijeen zouden komen om te bidden. “Onze broeder uit het land van de Christenen zal God met ons om een zegen vragen”. Dat bracht de kapitein in grote verlegenheid: “Mijn moeder bad vaak met me toen ik nog een kind was, maar sinds ze gestorven is ben ik alles vergeten”. De hoofdman riep uit: “Wat? Een man uit het land van de Christenen die het Woord van God vergeten heeft! … Maar u gelooft toch wel in de Heer Jezus?”

Beschaamd boog de kapitein zijn hoofd en mompelde verlegen “Nee!” Helemaal in de war riep de hoofdman zijn mensen bij elkaar onder een groepje palmen om tóch te bidden – ook voor die blanke man die in een christelijk land was opgegroeid en Jezus Christus tóch niet kende …

Dat sprak zo tot het hart en geweten van de kapitein dat hij zich tot God bekeerde en een broeder werd van dit eenvoudige stamhoofd dat zich niet had geschaamd voor het evangelie. Want het evangelie is Gods kracht om iedereen te redden die gelooft (Romeinen 1:16).