Dienen in het heiligdom – de dienst van de Levieten
God dienen – dat is een groot voorrecht, zowel ten tijde van het volk van Israël in het Oude Testament als ook vandaag. Er was veel te doen in verband met de tent van de samenkomst. God heeft daarom een stam in Israël, de Levieten, aangesteld om Hem daar te dienen. Hun dienst geeft ons vandaag veel aanwijzingen voor een welgevallig dienen van God.
De geschiedenis van de Levieten
Alleen al het feit dat God de Levieten voor de dienst uitkoos, is opmerkelijk. Deze keuze was uitsluitend gebaseerd op de soevereine genade van God, want het begin van deze stam was allesbehalve roemrijk. Hun stamvader Levi had een zeer droevig levensverhaal: Genesis 34 vertelt over een zeer wrede daad die hij met zijn broer Simeon pleegde. Dit leidde ertoe dat hun vader Jakob hen moest vervloeken (Gen. 49:5-7).
Was er bij ons iets van nature wat ons kwalificeerde om de Heere te dienen? Helemaal niet! Vóór onze bekering waren we ‘krachteloos’, ‘goddelozen’, ‘zondaars’ en ‘vijanden van God’ (Rom. 5:6-10). Wij hebben alles aan onze God te danken, Die ons op grond van het verlossingswerk van de Heere Jezus gered heeft en ons nu in Zijn dienst wil gebruiken. Dat moeten we nooit vergeten.
Later was er echter een situatie waarin de zonen van Levi resoluut aan de zijde van Mozes en dus aan de kant van God stonden (Ex. 32:26-29; Deut. 33:9).
Heeft deze trouw er misschien toe bijgedragen dat God in Zijn genade de Levieten verkoos om Hem te dienen in de tent van de bijeenkomst (Num. 8:15-19)?
Wie dienden de Levieten?
Numeri 3:5-9 laat zien dat de bediening van de Levieten een drievoudig doel had. De dienst was:
- voor Aäron,
- voor de hele gemeente van de kinderen van Israël,
- voor de dienst van de woning.
Eerst en vooral dienden de Levieten Aäron, de hogepriester die een beeld is van Christus (Hebr. 3:1). God beval Mozes: ‘Laat de stam Levi naderbij komen en plaats hem vóór de priester Aäron om hem te dienen’. Zij moeten de dienst voor hem vervullen (Num. 3:6-7).
Dit is een belangrijke les voor ons: we zijn dienaren van de ware Aäron, de Heere Jezus en vervullen onze bediening in de eerste plaats voor Hem en onder Zijn leiding.
Ten tweede was er de bediening van de hele gemeente van de kinderen van Israël (vs. 7-8). De Levieten hielpen bijvoorbeeld de Israëlieten wanneer zij een offer brachten (Deut. 33:10).
Voor ons betekent het dat wij ervan leren dat Christelijk dienen wordt uitgeoefend tot geestelijk welzijn van het volk van God. Het moet vooral ertoe leiden dat de gelovigen tot ‘betere’ priesters worden, dat wil zeggen tot aanbidders die tot God komen met inzicht en harten vol dankbaarheid.
Ten derde waren de Levieten verantwoordelijk voor de dienst aan de woning. Ze zorgden voor de tent en transporteerden hem door de woestijn (zie Num. 3 en 4). Voor ons wordt de betekenis van het ‘dienstdoen in de woning’ begrepen, wanneer we bedenken dat de tent der samenkomst enerzijds een beeld van de samenkomst is als de woonplaats van God hier op aarde. Anderzijds laat het zien hoe God Zich openbaarde in de Heere Jezus hier op aarde. Zo vindt de Christelijke ‘Levitische bediening’ plaats onder het volk van God, met als doel een getuige van God te zijn tot Zijn verheerlijking.
Een gevarieerde en individuele dienst
Alle Levieten hadden het werk van de tent der samenkomst als een gemeenschappelijke taak, maar tegelijkertijd was er een grote verscheidenheid in de aandachtspunten van hun bediening. Daarbij legde God precies vast wie wat te doen had. Niet iedere Leviet had dezelfde taak. Hij kon zijn bezigheid ook niet naar believen uitzoeken. God heeft aan elke familie van Levi’s drie zonen een speciale opdracht toegewezen. Hij bepaalde de ‘draaglast’ van iedere afzonderlijke Leviet (Num. 4:49). De Gersonieten moesten zorgen voor de buitenkant van de tent, de dekkleden en gordijnen (Num. 3:25-26). De hulpmiddelen van het heiligdom werden toevertrouwd aan de Kehathieten (vs. 31) en de Merarieten waren verantwoordelijk voor de planken, balken en pilaren van de woning (vs. 36-37).
Vandaag is het niet anders: net zoals elk lid van ons lichaam een heel speciale functie heeft, heeft elke gelovige als lid van het lichaam van Christus zijn eigen speciale taak en werkterrein. Dit wordt heel aanschouwelijk weergegeven in 1 Korinthe 12:12-26. De Heere wil ieder van ons in Zijn dienst gebruiken. Bovendien heeft Hij iedere gelovige een passende genadegave, een geestelijke vaardigheid, gegeven (1 Petr. 4:10), die verbonden is aan de opdracht om die voor de Heere uit te oefenen. Teksten als Romeinen 12:3-8, 1 Korinthe 12:4-11 en Efeze 4:11-16 laten de grote diversiteit aan gaven en taken zien die de Heere geeft.
Niet alle taken van de Levieten lijken in dezelfde mate aantrekkelijk te zijn. Om jarenlang als Merarieten bijvoorbeeld een paar touwen door de woestijn te vervoeren was misschien ook niet het meest interessante werk. Wat heeft zo’n Leviet geholpen om zijn werk nog steeds trouw te doen? Enerzijds had hij de gedachte: God heeft mij in Zijn wijsheid op deze plaats gesteld en mij deze taak gegeven. Ik doe dienst voor Hem. Anderzijds wist hij dat zijn werk hier op aarde samenhing met de woning en het getuigenis van God. Dat maakte het werk belangrijk voor hem. Daar komt nog bij: als deze Merarieten hun taak niet zouden hebben gedaan, dan zou men de tent bij de eerstvolgende pleisterplaats niet hebben kunnen opbouwen. Er had iets essentieels ontbroken.
Deze aspecten kunnen ook ons helpen om een misschien minder ‘spannend’ lijkende taak trouw en met vreugde te doen. Bovendien bewaart het ons voor jaloezie of het gaan vergelijken met betrekking tot de dienst van een ander die ons zo mogelijk interessanter of belangrijker lijkt.
De diensttijd van de Levieten
De dienstperiode van de Levieten wordt gekenmerkt door vier leeftijden:
1. ‘vanaf één maand’ (Num. 3:15) – hun indeling;
2. ‘vanaf 25 jaar’ (Num. 8:24) – de aanvang van hun dienst-periode;
3. ‘vanaf 30 jaar’ (Num. 4:3,23,30) – hun volledige inzet;
4.‘vanaf 50 jaar’ (Num. 8:25-26) – hun uittreden uit de actieve dienst.
We kunnen deze getallen vandaag niet een voor een zo op ons overbrengen. Maar ze laten ons wel zien dat er enige ontwikkeling is in het dienen voor de Heere. Verschillende taken vereisen een verschillende geestelijke wasdom.
De Levieten werden – in tegenstelling tot de overige Israëlieten – al vanaf één maand geteld (verg. Num. 3:1vv met 26:62). Dit geeft aan dat de Heere recht op ons heeft vanaf de dag van onze bekering en ons voor Zichzelf wil gebruiken (1 Kor. 6:10; 2 Kor. 5:15). Paulus vroeg onmiddellijk na zijn bekering: ‘Wat moet ik doen, Heere?’ (Hand. 22:10).
Zo moeten wij het ook doen, want dienst aan de Heere begint altijd met taken en niet met de vraag: ‘Wat is mijn gave?’ Als wij simpelweg de taken doen die de Heere ons voor de voeten legt, zal het onszelf en anderen spoedig duidelijk worden wat voor een gave wij hebben en hoe wij haar het beste voor de Heere kunnen inzetten.
De Heere dienen begint in de regel thuis met kleine taken. Als wij deze getrouw uitvoeren, kan de Heere ons met de tijd ook wat grotere taken toevertrouwen. Voor de Levieten eindigde de actieve dienst met vijftig jaar, maar ook daarna had de Heere nog een mooie taak voor hen: ‘Hij kan zijn broeders helpen’ (Num. 8:25-26). Wanneer oudere ‘Levieten’ jonge Christenen terzijde staan en hen in de dienst voor de Heere kunnen begeleiden, is dat waardevolle hulp.
Er zijn veel andere details die verband houden met de bediening van de Levieten die erg leerzaam voor ons zijn. Het is de moeite waard om het in Gods Woord na te gaan. Het is een groot voorrecht om als verloste Christenen te mogen dienen voor onze Heere en Heiland. Laten we ons daarom vroeg ter beschikking stellen van de Heere, aan Hem onze beste krachten wijden, net als de Levieten en getrouw de taken uitvoeren die Hij ons toont.
Stefan Ulrich