De Zoon van Zijn liefde
De uitdrukking ‘Zoon van Zijn liefde’ vinden we maar één keer in de Bijbel, namelijk in Kolosse 1:13. Daar lezen we over de Vader dat Hij ons getrokken heeft ‘uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde’. We willen nu niet over het koninkrijk nadenken dat met de ‘Zoon van Zijn liefde’ verbonden is, maar alleen kort bij deze unieke formulering stilstaan. We doen dat met de nodige voorzichtigheid en eerbied. Ook willen we niet vergeten dat de Heere Jezus Zelf gezegd heeft dat niemand de Zoon kent dan de Vader (Matth. 11:27). Dat maakt ons voorzichtig om iets over de uitdrukking ‘Zoon van Zijn liefde’ te zeggen.
‘Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren’ (Matth. 11:27).
In enkele Bijbelvertalingen staat in vers 13 van Kolosse 1: ‘Zijn lieve Zoon’. Deze vertaling is niet juist. Ze leidt weg van wat de Heilige Geest ons met deze titel van onze Heere wil laten zien. Het gaat er – puur taalkundig gezien – niet om dat de eeuwige Zoon (de Heere Jezus) de liefde van de Vader zichtbaar heeft gemaakt, noch dat Hij het Voorwerp van de liefde van de Vader is. Beide zaken kloppen natuurlijk. De context van de uitdrukking maakt echter duidelijk dat Paulus ons hier wil laten zien Wie de Heere Jezus is: Hij is Diegene Die de Vader liefheeft.
De Vader heeft de Zoon lief
Een andere mogelijke vertaling is: ‘de Zoon (Die) door Hem geliefd (wordt)’. Dat toont ons waar het om gaat. De Zoon van de liefde van de Vader is die Ene Die altijd door de Vader geliefd werd en wordt. Deze heerlijke titel leidt de daaropvolgende verzen in. Deze verzen beschrijven vooral de heerlijkheid van deze Zoon van de liefde van de Vader – een heerlijkheid die uniek en onvergelijkbaar is.
Hoe ver we ook terugdenken willen: de Vader heeft de Zoon altijd al liefgehad. Het ontroert ons om de woorden van de Heere Jezus te horen: ‘U hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging van de wereld’ (Joh. 17:24). Toen er nog niets geschapen was, was de liefde van de Vader voor de Zoon realiteit – en dat zal het altijd blijven. Toen Hij later als Mens op aarde leefde, gaf Hij Zijn Vader zogezegd opnieuw een reden om Hem lief te hebben: ‘Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem’ (Joh. 10:17). Alles wat de Zoon op aarde gedaan heeft, was tot vreugde van de Vader, Die Hem liefhad. De Vader zwijgt niet over deze liefde voor Zijn Zoon. Hij betuigt die openlijk. Hij opende de hemel voor Hem en wij horen Zijn stem: ‘U bent Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen’ (Mark. 1:11; Luk. 3:22). In alle eeuwigheid zullen we deze liefdesband vol verwondering aanschouwen (verg. Joh. 17:24).
‘Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn die U Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die U Mij gegeven hebt; want U hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging van de wereld’ (Joh. 17:24).
Als we dus over de ‘Zoon van Zijn liefde’ lezen, denken we aan een relatie die tijdloos is, die geen begin en geen einde heeft. Die relatie is net zo eeuwig als God eeuwig is. In de eeuwigheid vóór de tijd was Hij de geliefde Zoon van de Vader. Toen Hij als Mens op aarde leefde, was dat niet anders. Als deze tijd ten einde is, zal dat nog steeds zo zijn, voor eeuwig.
Jezus Christus was en is de geliefde Zoon van de Vader en zal het in eeuwigheid zijn.
De Bijbel toont ons heerlijkheden van de Heere Jezus als Mens, die God Hem gegeven heeft. Het zijn heerlijkheden die Hij in de eeuwigheid vóór de tijd niet had. Hij heeft Hem bijvoorbeeld tot Heere en Christus gemaakt (Hand. 2:36). Hij heeft Hem tot Koning gezalfd (Ps. 2:6). Hij heeft Hem tot Rechter aangesteld (Hand. 17:31). Maar op geen enkele plaats wordt aangeduid dat Hij tot ‘de Zoon van Zijn liefde’ gemaakt zou worden. Die gedachte mag niet eens bij ons opkomen. Hij ís de eeuwige en geliefde Zoon van de Vader. Daarover verwonderen wij ons. Daarvoor danken wij. Daarom aanbidden wij.
‘Hij heeft ons verlost uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde’ (Kol. 1:13).
Dan is er nog iets wat ons ook doet verbazen, danken en aanbidden. We denken eraan dat wij – ooit verloren mensen, zondaren en vijanden van God – uit genade deel hebben aan deze liefdesrelatie tussen de Vader en de Zoon. Als de Heere Jezus het niet Zelf gezegd had, zouden we het niet wagen om zoiets te beweren. We horen Zijn woorden: ‘Zoals de Vader Mij liefgehad heeft, heb ook Ik u liefgehad’ (Joh. 15:9) en iets later: ‘opdat de wereld erkent dat U … hen liefgehad hebt, zoals U Mij liefgehad hebt’ (Joh. 17:23). We kunnen dat niet bevatten. Het is reden tot eeuwige dankbaarheid en aanbidding.
Tegelijkertijd blijft waar wat de Heere Jezus in het volgende vers – in Johannes 17:24 – zegt: ‘Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn die U Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die U Mij gegeven hebt; want U hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging van de wereld’. Dat kan alleen door Hem gezegd worden, de eeuwige Zoon van Zijn liefde. Hij moet in alles de voorrang hebben! Dat wil zeggen: Hij is altijd de Eerste!
Ernst-August Bremicker