De zeventig jaarweken (Daniël 9)

Laten we het Woord openslaan bij hoofdstuk 9 van het Boek Daniël. De eerste verzen van dit gedeelte laten ons deze geliefde dienaar van God zien in zijn intense gebedstijd vanwege de bedroevende situatie van zijn geliefde volk Israël, een situatie waarin hij zich grondig verplaatst, door de Geest van Christus. Hoewel hij niet persoonlijk had deelgenomen aan de daden die de verwoesting over het volk hadden gebracht, vereenzelvigt hij zich toch volkomen met het volk en maakt hij hun zonden tot de zijne in zijn belijdenis en zelfveroordeling voor zijn God (v.a. vs. 20).

Terwijl ik nog sprak en bad, en belijdenis deed van mijn zonde en van de zonde van mijn volk Israël, en mijn smeekbede uitstortte voor het aangezicht van de HEERE, mijn God, omwille van de heilige berg van mijn God – terwijl ik mijn gebed nog uitsprak, kwam de man Gabriël, die ik in het begin in het visioen gezien had, snel aangevlogen en raakte mij aan, omstreeks de tijd van het avondoffer. Hij begon mij te onderwijzen en sprak met mij. Hij zei: Daniël, nu ben ik eropuit gegaan om u de betekenis te doen begrijpen. Bij het begin van uw smeekbeden is er een woord uitgegaan en nu ben ik zelf gekomen om u dat te vertellen, want u bent zeer gewenst. Begrijp dan dit woord en krijg inzicht in het visioen. Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden te zalven’ (vs. 20-24).

We kunnen niet ingaan op alle argumenten om aan te tonen dat met de ‘zeventig weken’ in het hierboven aangehaalde gedeelte letterlijk 70 keer 7 jaren, dus vierhonderdnegentig jaar, bedoeld worden. Wij zijn ervan overtuigd dat dit het geval is. Wij geloven dat Gabriël de taak had om de geliefde profeet te instrueren en hem op de hoogte te stellen van het feit dat ‘vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen’ (vs. 25) er een periode van vierhonderdnegentig jaar zou verstrijken en dat daarna Israël in de zegen gebracht zou worden.

Eenvoudiger en duidelijker kan het niet. Wij kunnen met het volste vertrouwen het volgende stellen: net zoals het zeker is dat de zon morgen op het vastgestelde tijdstip zal opgaan, is het ook zeker dat Daniëls volk in de zegen gebracht zal worden bij het afsluiten van de periode die de engel hierboven noemde. Het staat zo vast als de troon van God. Niets kan het verhinderen. Alle machten van de aarde en de hel samen zijn niet in staat om de volledige en volmaakte vervulling van het Woord van God via Gabriël tegen te houden. Wanneer het laatste zand van de vierhonderdnegentig jaar uit de zandloper is gelopen, zal Israël het bezit binnengaan van al hun voorbestemde heerlijkheid. Het is onmogelijk om Daniël 9:24 te lezen en dit niet in te zien.

We kunnen ons echter voorstellen dat iemand zich afvraagt: maar die periode van vierhonderdnegentig jaar is toch allang voorbij? Beslist niet. Als dat het geval was, zou heel Israël nu in zijn eigen land zijn, onder de gezegende regering van zijn eigen geliefde Messias. De Schrift kan niet verbroken worden en we kunnen ook niet naar eigen goeddunken omgaan met haar uitspraken. Het Woord is nauwkeurig. ‘Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk’. Niet meer en niet minder dan zeventig weken. Als het om letterlijke weken zou gaan, zou dit gedeelte helemaal geen betekenis hebben. 

Maar als, zoals wij geloven, Gabriël zeventig jaarweken bedoelde, dan gaat het om een duidelijk onderscheiden periode, een periode die zich uitstrekt vanaf het moment dat Kores het bevel uitvaardigde om Jeruzalem te herbouwen tot aan het herstel van Israël.

Hoe kan dit dan? Het is immers ook al veel langer dan vierhonderdnegentig jaar geleden – meer dan vier keer zo lang zelfs – dat de koning van Perzië zijn bevel uitvaardigde, maar Israëls herstel is nog steeds niet gekomen. Die zeventig weken moeten vast op een andere manier geïnterpreteerd worden.

We kunnen niet anders doen dan herhalen dat de vierhonderdnegentig jaren nog niet voorbij zijn. Er is een parenthese geweest, een pauze, een niet-genoemde onderbreking. Laten we nog eens nauwkeurig naar Daniël 9:25-26 kijken: ‘U moet weten en begrijpen: vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken [49 jaar] en tweeënzestig weken [434 jaar]. Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden’. Of zoals de kanttekening van de KJV zegt: ‘in strait of times’, wat wil zeggen dat plein en gracht van Jeruzalem in de kortste van de twee genoemde perioden werden herbouwd of in negenenveertig jaar. 

De Messias uitgeroeid

Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn’ [volgens de Engelse kjv: en zal Hij niets hebben].

Hier zijn we bij die gedenkwaardige en ernstige gebeurtenis. De Messias wordt niet aangenomen, maar uitgeroeid. In plaats van de troon van David te bestijgen, gaat Hij naar het kruis. In plaats van de vrucht van alle beloften in bezit te nemen, heeft Hij niets. Zijn enige deel – voor zover het Israël en de aarde betrof – was het kruis, de azijn, de speer, het geleende graf.

De Messias was afgewezen, uitgeroeid en had niets. En toen? God maakte Zijn mening over deze moord duidelijk door een tijdlang zijn handelen met Israël te stoppen. De loop van de tijd werd onderbroken. Er is een groot gat. Vierhonderddrieëntachtig jaren zijn vervuld; zeven jaren zijn over.

Een uitgestelde week

Al die tijd vanaf de dood van de Messias is er een niet-genoemde onderbreking geweest, een pauze waarin Christus verborgen is in de hemel en de Heilige Geest op aarde werkt aan het vormen van het lichaam van Christus, de Gemeente, de hemelse bruid. 

Wanneer het laatste lid aan dit lichaam toegevoegd zal zijn, zal de Heere Zelf komen om de Zijnen tot Zich te nemen, om hen terug te brengen in het Vaderhuis en om daar bij Hem te zijn in de onuitsprekelijke gemeenschap van dat gezegende huis. In die tijd zal God door Zijn regerende handelen Israël en de aarde voorbereiden op de verschijning in heerlijkheid van de Eerstgeborene in de wereld. 

Wat deze onderbreking en alles wat daarin zou gebeuren betreft, was Gabriël heel terughoudend. Het is duidelijk dat hij geen opdracht had gekregen om erover te spreken, aangezien de tijd daarvoor nog niet was aangebroken. Wonderbaarlijk en abrupt stapt hij over eeuwen en generaties heen; hij stapt van bergtop naar bergtop van de profetische kaart en maakt zich met een paar zinnen af van een periode van tweeduizend jaar. 

De verovering van Jeruzalem door de Romeinen wordt kort genoemd: ‘Een volk van een vorst, een volk dat komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten’. Een periode die al ongeveer twintig eeuwen duurt, wordt als volgt afgedaan: ‘Het einde ervan zal zijn in de overstromende vloed en tot het einde toe zal er oorlog zijn, verwoestingen waartoe vast besloten is’ (vs. 26).

Vervolgens worden we met enorme snelheid naar de eindtijd verplaatst, wanneer de laatste van de zeventig weken – de laatste zeven van de vierhonderdnegentig jaren – in vervulling gaat:Hij [de vorst] zal voor velen [van de Joden] het verbond versterken, één week lang [zeven jaren]. Halverwege de week zal hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden. Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste’ (vs. 27).

Hier komen we bij het einde van de vierhonderdnegentig jaren die bepaald waren voor Daniëls volk. Wanneer we proberen deze periode te interpreteren zonder besef te hebben van de lange niet-genoemde onderbreking, kan het niet anders of we raken in verwarring. Het is onmogelijk. Talloze theorieën zijn ontwikkeld; eindeloze berekeningen en speculaties zijn erop losgelaten, maar tevergeefs. De vierhonderdnegentig jaren zijn nog niet voorbij en ze zullen ook niet vervuld worden voordat de Gemeente in haar geheel deze aarde heeft verlaten om samen met haar Heere in haar stralende hemelse huis te zijn. 

De hoofdstukken 4 en 5 van Openbaring laten ons de plaats zien waarin de hemelse heiligen de laatste van Daniëls zeventig weken zullen doorbrengen en in de hoofdstukken 6-18 vinden we de verschillende handelingen van God in Zijn regering, om Israël en de aarde voor te bereiden op het in de wereld brengen van de Eerstgeborene.

C.H. Mackintosh