De zeven vrijplaatsen
Deel 1
In Christus Jezus onze Heer hebben wij een volkomen toevlucht gevonden: wie in Hem is, heeft niets te vrezen. Zo zeker en vast zegt de apostel: ‘Zo is er dan nu geen veroordeling (of: verdoemenis) voor hen die in Christus Jezus zijn’ (Romeinen 8:1).
In het Oude Testament hebben wij hiervan een schitterend beeld in de zes vrijsteden en – als zevende vrijplaats – in de hoornen van het altaar, die de schuldige mocht aangrijpen en waar hij veilig was zolang zijn handen die omvat hielden. Over de doodslager lezen we zo treffend mooi in de wet: ‘… zal Ik voor een plaats voor u zorgen waar hij naartoe kan vluchten’ (Exodus 21:13).
Naar de wet mocht een doodslager nooit voor onschuldig gehouden worden. ‘Wie iemand zó slaat dat hij sterft, moet zeker gedood worden’ (Exodus 21:12). Dit woord is een bevestiging van Gods Woord uit Noachs dagen: ‘Vergiet iemand het bloed van de mens, door de mens zal diens bloed vergoten worden; want naar het beeld van God heeft Hij de mens gemaakt’ (Genesis 9:6).
Had de doodslager moedwillig gehandeld, dan hield de door God bepaalde plaats op een vrijplaats te zijn. Voor zo iemand gold het woord: ‘U moet hem bij Mijn altaar vandaan halen, zodat hij zal sterven’ (Exodus 21:14). Hieruit blijkt – dit terloops opgemerkt – dat de ‘door God bepaalde plaats’ werkelijk het altaar is. In Numeri 35:9-34 lezen we over de zes vrijsteden ook dit woord: ‘Deze steden moeten u dienen tot een wijkplaats voor de bloedwreker, opdat degene die een doodslag begaan heeft, niet zal sterven, voordat hij voor de gemeenschap heeft terechtgestaan’ (Numeri 35:12). Is de doodslag zonder opzet geschied, dan geldt: ‘De gemeenschap moet hem die een doodslag begaan heeft, redden uit de hand van de bloedwreker, en de gemeenschap moet hem laten terugkeren naar zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was. Dan moet hij daar blijven tot de dood van de hogepriester, die men met de heilige olie gezalfd heeft.’ Maar alleen in die stad was hij veilig, want ‘als hij die een doodslag begaan heeft, de grens van zijn vrijstad … ook maar even overschrijdt … dan mag de bloedwreker hem die een doodslag begaan heeft, doden; dan is het voor hem geen bloedschuld’ (zie Numeri 35:23-27).
1. De hoornen van het brandofferaltaar
Als eerste vrijplaats vinden we dus de hoornen van het brandofferaltaar (vergelijk 1 Koningen 1:50-53 en 2:28-34). Stellen we ons een ogenblik de doodslager voor, vluchtend naar de heilige plaats, met het doel de hoornen van het brandofferaltaar in de voorhof aan te grijpen. Geen macht kon hem beveiligen tegen de bloedwreker, noch zijn eigen heerlijkheid, noch een plaats van aanzien die de schuldige innam onder het volk. Ook niet de voorspraak van anderen. ‘Wie iemand zó slaat dat hij sterft, moet zeker gedood worden’ (Exodus 21:12). Zó luidde het onverbiddelijke doodvonnis en het sneed alles af. Er was maar één plaats waar geen hand hem kon treffen. Die plaats had macht hem te beveiligen: het brandofferaltaar met de hoornen, die aangegrepen moesten zijn!
Die hoornen waren met bloed bedekt, terwijl het bloed van het zondoffer bovendien uitgegoten was aan de voet van het altaar. Daarmee was het brandofferaltaar ontzondigd, op de dag dat de hele tabernakel met Aäron en zijn zonen aan God was gewijd (zie Leviticus 8, vooral vers 15). Dit is uiterst belangrijk in verband ook met ons onderwerp. Wie de hoornen aangreep, greep het bloed aan en stond op een met bloed doorweekte plaats! Die hoornen beveiligden, omdat het bloed beveiligende kracht bezat. Heerlijke waarheid! Het bloed, bij de offerdienst zo vaak genoemd, spreekt van het kostbare bloed van Christus. Omdat Christus Zijn bloed heeft gestort, is er een grondslag van eeuwige veiligheid gelegd. Op grond van het storten van Zijn bloed is Christus voor de ‘krachteloze’ en ‘schuldige’ zondaar een eeuwige toevlucht. Hij is de Enige Die in waarheid beschermen en beveiligen kan!
Daarom moet iedere zondaar vluchten tot de Heer Jezus en Zijn bloed in het geloof aangrijpen (Romeinen 3:25a)! Dat bloed, dat beter spreekt dan Abel (Hebreeën 12:24). Dat bloed, waardoor volkomen schulddelging, volmaakte reiniging en eeuwige vrede het deel wordt van ieder die erop vertrouwt. Van ieder die erkent de dood schuldig te zijn, het oordeel te hebben verdiend, maar in de nood van zijn ziel tot het bloed van de verzoening zijn toevlucht heeft genomen. Zonder bloedstorting – geen vergeving. Achter het bloed – veiligheid. Op het bloed, dat wil zeggen op de kracht van het bloed staande – zekerheid. Onder het bloed – (denken we aan het verzoendeksel) bedekking van alle schuld en daardoor eeuwige vrijspraak. Wonderbare plaats, die hoornen met bloed bedekt! Hoe leren wij daardoor weer iets meer verstaan van het volmaakte werk van onze dierbare Heer!
2. De vrijstad Kedes
Spreken de hoornen van het altaar, de eerste van de zeven vrijplaatsen, van een eeuwige grondslag en een volkomen reiniging door de onvergankelijke kracht van het bloed, de tweede vrijplaats, namelijk Kedes – de eerste van de zes vrijsteden genoemd in Jozua 20:7-8 – brengt ons de heiliging onder de aandacht.
Kedes betekent ‘heiligheid’. En is het om te beginnen niet heerlijk, dat ons van Christus Jezus gezegd wordt, dat Hij ons geworden is: wijsheid van God en gerechtigheid en heiligheid en verlossing? (1 Korinthe 1:30). En dat de apostel tot de gelovigen te Korinthe zegt: ‘maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd door de Naam van de Heer Jezus <Christus> en door de Geest van onze God?’ (1 Korinthe 6:11). Dat is de positie van iedere ware gelovige voor God. Zó ziet onze God ons dag na dag, ieder ogenblik. Maar nu verwacht Hij ook van hen, dat zij zullen wandelen in overeenstemming met die plaats, die zij in Christus voor God innemen, met andere woorden, dat de gelovigen praktisch in heiligheid zullen leven. ‘Weest heilig, want Ik ben heilig’. Wij worden geroepen, heilig te zijn in al onze wandel (1 Petrus 1:15-16). Ja, wij worden vermaand ‘met allen de vrede en de heiligheid na te jagen, zonder welke niemand de Heer zien zal’ (Hebreeën 12:14). En als wij in het licht wandelen zoals Hij in het licht is, dan hebben wij in waarheid gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus en ook met elkaar (1 Johannes 1). Heerlijk tot die door de Heilige Geest bewerkte heiligheid en heilige gemeenschap te zijn gekomen! Heerlijk tevens en bovendien God verheerlijkend, in die heiligheid en heilige gemeenschap te volharden en daarin onze dagelijkse omgang te hebben!
3. De vrijstad Sichem
De tweede in Jozua 20:7 genoemde vrijstad is Sichem. In deze naam ligt de gedachte aan kracht opgesloten. Sichem betekent ‘sterke schouder’. Dat is niet minder heerlijk voor iedere gelovige. Niet alleen dat wij ‘krachtelozen’ waren (Romeinen 5:6), ook als gelovigen zijn wij zonder kracht. ‘Zonder Mij kunt u helemaal niets doen’ (Johannes 15:5). Dit woord van onze Heer spreekt het zo duidelijk uit dat wij niets vermogen uit onszelf, maar alleen in verbinding met Hem bekwaam zijn God te dienen. Hij is de bron van onze kracht. Zijn kracht wordt in zwakheid volbracht. ‘Wanneer ik zwak ben’, schrijft de apostel, ‘dan ben ik sterk’ (2 Korinthe 12:10). Als wij de Heer Jezus door het geloof aanraken, gaat er kracht van Hem uit; kracht voor de wandel en heiligheid op grond van de volbrachte verzoening, dat is wat de Heer Jezus ons door de Heilige Geest wil schenken. Die kracht verleende Hij aan de man te Bethesda (Johannes 5), die kracht wil Hij ook ons verlenen. En is het dan daarbij ook niet een zeer rijke vertroosting te weten dat onze Heer ons draagt? Draagt op Zijn sterke schouders? Leunen wij niet op Hem? Kan een lieflijker en volmaakter beeld daarvan worden gegeven, dan wat wij bezitten in de gelijkenis van het verloren schaap in Lukas 15? Zó draagt de Heer ons naar huis, zoals die herder zijn schaap droeg op zijn beide schouders. Hoeveel hebben wij toch in de Heer Jezus gevonden! ‘Gij zijt ons alles: onze sterkte, verlossing, wijsheid, vreugde en kracht’ (naar Lied 58:4 uit ‘Geestelijke Liederen / Lofzangen en Geestelijke Liederen’), zingen we met blijde harten, als wij Hem gadeslaan in de heerlijkheid van Zijn geheel aan ons toegewijde liefde!
4. De vrijstad Hebron
De derde vrijstad vermeld in Jozua 20:7 en de middelste van de zeven vrijplaatsen is Hebron. Met drie heerlijke zijden van de Persoon en het Werk van Christus hielden wij ons al bezig. Drie treffende waarheden zullen nog volgen, naar aanleiding van Bezer, Ramoth en Golan (Jozua 20:8). Maar dan is het juist zo treffend dat Hebron het middelpunt vormt.
Hebron! Hoeveel gedachten roept die naam bij ons op. Hebron wil zeggen: ‘gemeenschap’. Hoe verheven is dit! Gemeenschap hebben wij met Christus. Met Hem zijn we op het innigst verbonden. ‘Leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn gebeente’ (Efeze 5:30). Gemeenschap hebben wij ook met de Vader! ‘Want ook Christus heeft eenmaal voor [de] zonden geleden, [de] Rechtvaardige voor [de] onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen’ (1 Petrus 3:18).
Tot Maria Magdaléna aan het graf sprak de opgestane Heiland: ‘Ga heen naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en [naar] Mijn God en uw God’ (Johannes 20:17). ‘Onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus’ (1 Johannes 1:3). Vroeger waren wij zonder God, zonder Christus en zonder hoop! Wij, die vroeger ‘veraf’ waren, zijn nu ‘nabij’ gebracht door het bloed van Christus (Efeze 2:12-13). Hoe is alles veranderd, ja wonderbaar ten goede gekeerd! Het bloed van Christus is gestort: Wij zijn geheiligd. Door Christus zijn wij tot God gebracht en met Hem genieten wij de hoogste gemeenschap! Al op aarde, zij het in zwakheid. Hoe kon het inniger en dieper zijn! Maar straks zijn wij in het heerlijke huis van de Vader van de Zoon en dan is het genot van die gemeenschap volkomen omdat die gemeenschap ongestoord en volmaakt zal zijn! ‘Lieflijk is ’t bij U te wonen in Uws Vaders huis, o Heer’!
Lieflijk is ’t bij U te wonen
in Uws Vaders huis, o Heer!
Waar Ge Uw lijden zaagt bekronen
met de hoogste macht en eer.
Daar, Heer Jezus, zien we U weder,
daar knielt ieder juichend neder,
daar dient ieder U met lust in
een ongestoorde rust.
(Lied 69:1 uit ‘Geestelijke Liederen / Lofzangen en Geestelijke Liederen’)
Deel 2
In het eerste deel hebben wij gezien dat er in de Heer Jezus Christus een volkomen toevlucht te vinden is. Romeinen 8:1 zegt immers: ‘Zo is er dan nu geen veroordeling (of: verdoemenis) voor hen die in Christus Jezus zijn’. In het boek Numeri vinden we door de genade van God zes ‘vrijsteden’ waarnaar de doodslager kon vluchten om een veilige plaats te vinden. Over de doodslager lezen we zo treffend mooi: ‘… zal Ik voor een plaats voor u zorgen waar hij naartoe kan vluchten’ (Exodus 21:13). Ook de doodslager die niet moedwillig iemand had gedood, was naar de wet schuldig. Dan waren de hoornen van het altaar en zes steden zijn door God aangewezen enige toevlucht. ‘Deze steden moeten u dienen tot een wijkplaats voor de bloedwreker, opdat degene die een doodslag begaan heeft, niet zal sterven, voordat hij voor de gemeenschap heeft terechtgestaan’ (Numeri 35:12). De vrijplaatsen die we al overdachten waren:
1. De hoornen van het brandofferaltaar
Wie de hoornen aangreep, greep het bloed aan en stond op een met bloed doorweekte plaats! Die hoornen beveiligden, omdat het bloed beveiligende kracht bezat. Heerlijke waarheid!
2. De vrijstad Kedes
Kedes betekent ‘heiligheid’. Kedes wijst ons op de positie die ieder gelovige in Christus Jezus ontvangen heeft voor God, zoals we dat lezen in 1 Korinthe 1:30.
3. De vrijstad Sichem
De naam Sichem betekent ‘sterke schouder’. In deze naam ligt de gedachte aan kracht opgesloten. Is dat niet kostbaar voor de gelovige, te weten dat alleen Christus de bron van onze kracht is?
4. De vrijstad Hebron
Hebron betekent ‘gemeenschap’. Hebron is de middelste van de zeven vrijplaatsen en vormt als het ware hun middelpunt. Hoe verheven is dit! Gemeenschap te hebben met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus (1 Johannes 1:3).
Nu willen we een ogenblik stilstaan bij elk van de drie laatste vrijsteden: Bezer, Ramoth en Golan (zie Jozua 20:8). Ze lagen in het Overjordaanse.
5. De vrijstad Bezer
Bezer volgt dus op Hebron. Bezer betekent verdediging of burcht. Christus is óók onze Burcht. ‘De Naam van de HEERE is een sterke toren, een rechtvaardige snelt daarheen…’ (Spreuken 18:10) en ‘De HEERE is mijn Rots en mijn Burcht…’ jubelt David (Psalm 18:3). Hebben wij niet grote behoefte aan zó’n toevlucht bij de velerlei verzoekingen en gevaren? Hoe heerlijk dan dat onze Verlosser ons ook beveiligen wil, zoals de onneembare vesting een toevlucht is als de vijand nadert!
Vestingen, die op aarde voor onneembaar golden, hebben toch vaak na een volhardende beschieting van de zijde van de vijand de poorten moeten openen. Maar onze ‘Burcht’ maakt in eeuwigheid niet beschaamd. De poorten van de dood en van de hades zelfs zullen Hem niet overweldigen. In Hem zijn wij volkomen veilig. Hem is gegeven alle macht, in hemel en op aarde (Mattheüs 28:18)! Laten we dan niet vrezen want Christus is opgevaren naar de hemel, terwijl engelen en machten en krachten Hem onderworpen zijn (1 Petrus 3:22).
6. De vrijstad Ramoth
Ramoth betekent ‘hoge toren’. Gelukkig wie vanaf de hoge toren ver boven het gewoel van het aardse leven verheven, alle dingen beziet! Habakuk stond eens op zijn hoge toren. Daar kwam de HEERE tot hem met de woorden: ‘Schrijf het visioen op…’ (Habakuk 2:1-2). Daar kon hij de dingen bezien in het hemelse licht. Wat hebben wij het nodig door het geloof onze hemelse plaats in te nemen!
‘Wij zijn – onafhankelijk van onze verwerkelijking daarvan – gezet in Christus in de hemelse gewesten’. ‘Onze wandel is in de hemelen’ (Efeze 2:6; Filippi 3:20). Maar hoe vaak blijven wij zeer ver in onze wandel beneden de hoge plaats die ons in Christus is geschonken! En hoe is een verkeerde beoordeling en waardering van alle dingen daarvan het gevolg. Hemelse en geestelijke voorrechten worden door ons véél te laag gewaardeerd. Zij winnen en vervullen veel te weinig ons hart. Aardse en tijdelijke dingen krijgen een veel te belangrijke plaats in ons oog en hart. De aardse zegeningen zullen we nooit minachten wanneer we ze vanuit de hemel beschouwen. Integendeel!
Alles krijgt meer werkelijke waarde. In alles en voor alles zullen we leren God te danken! De ‘tranen’ van Timotheüs en de ‘reismantel’ die in Troas werd achtergelaten hebben hun betekenis voor de zo hemelsgezinde apostel. Maar met die apostel zullen we meer in waarheid leren zeggen: ‘Daar wij ons oog niet richten op de dingen die men ziet, maar op de dingen die men niet ziet’ (2 Korinthe 4:18). En waardoor? ‘Want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig.’ Laten we dan leven in gemeenschap met onze Heer, die Boven is. Zoeken, de dingen die Boven zijn. Bedenken, de dingen die Boven zijn (Kolosse 3:1). Laten we leven ‘op de hoge toren’ en vandaaruit alle dingen leren zien in het hemelse licht en in de rechte verhouding, in hun werkelijke waarde voor God en voor Christus.
7. De vrijstad Golan
Blijft nog: Golan! Dit woord heeft meer dan één betekenis. ‘Blijdschap’ kan het betekenen; ‘uittocht’ wil het óók zeggen. Laten we die twee gedachten samen nemen: ‘blijde uittocht’. Wat een heerlijk slot! Op de hoge toren is het goed, maar nog hoger is het volmaakt! We zullen niet altijd hier blijven. ‘Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige’ (Hebreeën 13:14). We hebben de gelukzalige hoop, van deze aarde te worden opgenomen en ingevoerd te worden in onze hemelse woning! De Heer Jezus Zelf heeft het ons zo liefderijk en vol bemoediging gezegd: ‘In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; als het niet zo was, zou Ik het u hebben gezegd, <want> Ik ga heen om u plaats te bereiden. En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben’… (Johannes 14:2-3).
En de apostel Paulus roept het ons toe: ‘Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, in een ondeelbaar [ogenblik], bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden’ (1 Korinthe 15:51-52).
‘Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van een aartsengel en met [de] bazuin van God neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan; daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn’ (1 Thessalonika 4:16-17).
Onze blijde uittocht! Dit is ons deel, onze onvergankelijke hoop geworden door en in Christus! Ja, het is een glansrijke kroon op het heerlijke werk van het heil, die ons in genade straks geschonken wordt! Laten we ons neerbuigen voor Hem, in Wie wij alles bezitten. Van de grondslag af – de volbrachte verzoening door Zijn bloed – tot aan de kroon toe – onze opneming in heerlijkheid – is alles aanbiddelijk schoon! Zeven vrijplaatsen, die een eigen plaats gekregen hebben in het schitterende geheel van de Godsopenbaring, brachten, elk afzonderlijk en allen samen, de heerlijke waarheid voor onze aandacht, dat wij in Christus Jezus een volkomen toevlucht bezitten, én voor deze aarde én voor de hemel, én nu én tot in eeuwigheid!