De verkondiging van het evangelie
2 Korinthe 5:14-21
De toestand van de mens
Hoofdstuk 5 maakt ons bekend met een bijzondere kant van de bediening, namelijk de verkondiging van het evangelie. Als er ergens een Schriftplaats is in het Nieuwe Testament die ons een helder begrip kan geven van het enorme belang van de verkondiging van het evangelie, dan is het wel dit gedeelte. We hebben ook gezien dat de grondslag voor de prediking van het evangelie is, dat alle mensen dood zijn in zonden en misdaden.
We kunnen de volle behoudenis niet verkondigen in al haar kracht en macht, zonder als uitgangspunt de geestelijke dood van de verloren zondaar voor te stellen. Maar juist in dit opzicht laat de verkondiging van het evangelie vandaag de dag veel te wensen over. Wanneer ik spreek over Gods genade in Christus, zonder als grondslag te nemen dat de mens in de ogen van God volkomen dood is in zijn zonden en misdaden, verzwak ik de kracht van het evangelie zelf. Het is best mogelijk dat iemand de waarheid aangenomen heeft dat hij een zondaar is en vergeving nodig heeft, ondanks een heel onvolkomen prediking van het evangelie. Ik wil niet beweren dat een mens op deze manier niet behouden zou kunnen worden, want ieder die vergeving van zonden ontvangen heeft, is behouden. Maar het is iets heel anders of hij zich ervan bewust is van nature dood te zijn in zonden en misdaden. Dat was de inhoud van het evangelie dat Paulus predikte. Het ware evangelie heeft als basis de onherroepelijke ondergang van de zondige mens, maar verkondigt tegelijk de liefde van God in Christus als bron van alle redding en zegen. Zoals wij gezien hebben, is enerzijds de onverbeterlijk verdorven toestand van de mens het uitgangspunt van het evangelie, en is anderzijds de liefde van God in Christus de enige bron waaruit de verlossing van de verloren zondaar kan voortkomen. De apostel kende deze wonderbare liefde. Hij had de diepte ervan leren kennen en was er zó door gegrepen dat hij gedrongen werd tot de mensen te spreken over die liefde. Op deze manier verbond hij de beide grote waarheden van het evangelie met elkaar: de dode toestand van de mens en de liefde van God.
Een nieuw middelpunt
De liefde van God heeft een weg gevonden tot redding van zondaren door één Mens in onze plaats te stellen; Hij Die kwam om onze plaats in te nemen, en alle gevolgen te dragen die daaruit voortkwamen. Hij is dus gestorven. Voor wie? Voor allen. Zijn liefde liet Hem neerdalen en Zichzelf in onze plaats stellen onder het oordeel van de dood. Maar God kan Zijn geliefde Zoon, Die voor dit wonderbare werk alles, ja zelfs Zijn eigen leven overgaf, niet in de dood laten. Daarom heeft God Zijn Zoon, die Hij voor ons gegeven had, ook voor ons opgewekt. ‘Hem Die voor hen is gestorven en opgewekt’ (vers 15). Ik weet nu dat ik een nieuw leven bezit, een opstandingsleven, omdat Christus voor mij opgewekt is. Precies zoals ik weet dat ik dood was in mijn zonden en misdaden omdat Christus voor mij gestorven is.
Laten we eraan denken dat het ene evenmin als het andere een kwestie van ons gevoel is. Door het Woord en de werking van Gods Geest heb ik naar Christus leren kijken. Zo heb ik geleerd wat ik werkelijk was, en ook wat ik op grond van Zijn werk geworden ben. Dat is de inhoud van het evangelie. Het laat ons zien dat de liefde van God Zijn geliefde Zoon in onze plaats heeft gesteld. En dat diezelfde liefde onze Plaatsvervanger heeft opgewekt. Hij heeft Hem een opstandingslichaam gegeven, opdat schepselen zoals wij datzelfde leven zouden kunnen bezitten. De apostel voegt er daarom aan toe: ‘… opdat zij die leven, niet meer (voor) zichzelf leven’.
We hebben ons al ernstig met deze waarheid beziggehouden. Zodra ik de waarde van het werk van Christus begrepen heb, ben ik in een sfeer gebracht waar geen plaats meer is voor het zoeken van mijzelf. De zondige mens is altijd gewend zichzelf tot middelpunt te maken. Hij is wel vergeleken met een steen die in het water geworpen wordt, zodat zich cirkels vormen, steeds wijder en verder, waarvan de steen het middelpunt blijft.
Maar wanneer ik door het nieuwe leven dat ik ontvangen heb, uit die toestand verlost ben, heb ik een ander middelpunt gevonden dan mijzelf, namelijk Christus. Dat is het waardoor de Christen, die zijn Christendom praktisch beleeft, in de ogen van God wordt gekenmerkt en aangenaam is. Hij is een mens die van zichzelf verlost is; een mens die voor zijn hart een nieuw voorwerp en een ander middelpunt gevonden heeft, waar al zijn gedachten zich van nu af omheen bewegen. In de brief aan de Galaten schrijft de apostel: ‘Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu leef in [het] vlees, leef ik door [het] geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven’ (Galaten 2:20). De gelovige heeft een voorwerp gevonden dat waard is zijn hele hart in beslag te nemen: Jezus, Die hem geopenbaard heeft wat liefde is. Wat een blijdschap om nu van zichzelf verlost te zijn en Hem toe te behoren!
Deze gedachten, waarop we niet vaak genoeg kunnen terugkomen, brengen ons tot de volgende verzen: ‘Wij kennen dus van nu aan niemand naar [het] vlees’ (vers 16). Een totale verandering is er in ons leven tot stand gekomen. We zijn in totaal nieuwe relaties gekomen. Of beter gezegd: de relaties waarin we ons bevonden, hebben een heel nieuw karakter gekregen. Niet dat het Christendom ons uit onze oude natuurlijke relaties heeft weggehaald, zoals die tussen vader en kind, man en vrouw, enzovoorts. Maar zij zijn compleet van karakter veranderd, zodat we kunnen zeggen: ‘Wij kennen niemand naar het vlees’. In de brief aan Efeze vinden we dan ook: ‘Kinderen, weest jullie ouders gehoorzaam <in [de] Heer>’ (Efeze 6:1). Dit is wat ik bedoel. Want ook hieruit blijkt dat het karakter van de verhouding veranderd is. Het is van belang ons daarvan rekenschap te geven. Al onze relaties, niet alleen die in het gezin – want het is heel natuurlijk dat de verhoudingen in het gezin van een gelovige anders zijn dan in dat van een ongelovige. Maar ook onze dagelijkse relaties met de mensen in de wereld zijn totaal anders geworden.
Hoe is het in dit opzicht met ons? Kunnen wij werkelijk zeggen: Ik ken niemand naar het vlees? Zijn onze relaties niet meer zoals ze vroeger waren, omdat we onze familie en vrienden nu alleen maar kennen in het licht van Christus? En wanneer we met onze voormalige vrienden te maken hebben, is dan onze gezindheid net zoals die van de apostel: ‘(…) de liefde van Christus dringt ons’? In dit gedeelte spreekt hij juist over zijn verhoudingen met andere mensen. Als we ons bewust zijn geworden dat deze mensen ‘dood’ zijn, net zoals wij dat waren, kunnen wij hun de waarheid van het evangelie verkondigen omdat wij zelf nieuw leven ontvangen hebben.
Een nieuwe schepping
De apostel vervolgt nu: ‘… en als wij al Christus naar [het] vlees hebben gekend, dan kennen wij [Hem] nu niet meer [zo]’. Let op het woordje nu. Vroeger hadden de joodse discipelen Christus naar het vlees gekend. Hij was de Messias, de beloofde Koning. Hij was in de wereld gekomen om aan Zijn aardse volk te verschijnen. Maar Hij was verworpen. De apostel kende Hem nu niet meer als het voorwerp van Israëls hoop. Zo was het ook ten aanzien van zijn relaties met ‘zijn verwantschap naar het vlees’. Hoewel hij dat volk liefhad, kende hij het niet meer zo. ‘Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping’ (vers 17). In Christus zijn, daarin ligt het hele geheim van de verandering die heeft plaatsgevonden. Ik ben niet meer in Adam, maar in Christus! Een nieuwe schepping, gegrond op een heel nieuw leven, door de opstanding van Christus uit de doden: ‘Het oude is voorbijgegaan, zie het is <alles> nieuw geworden’. Is deze verandering in werkelijkheid bij ons te zien? Beschouwen wij onszelf in al onze relaties met de wereld die ons omringt als ‘niet meer in het vlees’? Beschouwen we onszelf als mensen die horen bij een heel nieuw leven?
‘Het is <alles> nieuw geworden’. Het gebied, de sfeer waarin ik voortaan leef, is niet meer de wereld. Ik ben nog wel in de wereld, maar hoor er niet meer bij. Ik ben op een ander terrein gebracht. Mijn leven is niet meer dat van de oude schepping. Ongetwijfeld heb ik als alle mensen mijn verstand, mijn geest, mijn werk op deze aarde. Maar in Christus is het oude voorbijgegaan. De Christen is geen natuurlijke mens meer (zie 1 Korinthe 2:14). Hij is een geestelijke mens. Maar waar gaat onze liefde naar uit? Helaas moet ik van mijzelf zeggen dat ik in de praktijk van het leven meestal laat zien dat het oude niet voorbijgegaan is, en dat verootmoedigt mij. Maar ik spreek nu van het standpunt dat God ons geschonken heeft; om ons te verheffen boven de armzalige gedachten die ons naar beneden halen, naar het niveau van de aardse dingen. Het is een andere vraag of onze gedachten zich bezighouden met de dingen die boven zijn; of onze verlangens niet meer met de dingen van deze wereld in betrekking staan. Is onze hoop helemaal gericht op het gezegende ogenblik dat wij met de Heer zullen zijn? ‘Het is <alles> nieuw geworden’. Moet het ons niet verootmoedigen, als wij bij onszelf ontdekken dat wij de positie waarin God ons gebracht heeft, nog nauwelijks kennen? De apostel kon zeggen: ‘Ik weet van een mens in Christus’ (2 Korinthe 12:2). Het oude was voorbijgegaan, alles was nieuw geworden. Zijn leven hoorde niet meer bij deze wereld. Zijn hoop had niets meer te maken met aardse verwachtingen, maar richtte zich op de hemel.
De waarde van de verzoening
Hij voegt eraan toe: ‘En alles is uit God, Die ons met Zichzelf heeft verzoend door Christus’. Het woord verzoenen komt in deze verzen telkens terug, en brengt ons tot de hoogste betekenis van de inhoud van het evangelie namelijk: de verzoening. We hebben al gezegd dat het bezit van de vergeving van zonden niet alles is. Ieder die dit ontvangen heeft, is verlost van de last die op hem drukte. Zo iemand weet dat de Heiland voor zijn zonden gestraft werd, en dat God er nu nooit meer aan denkt.
Maar dat is niet het volle evangelie. God heeft Hem tot zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem. De verlossing van de zonde is iets oneindig heerlijks en gezegends. God verklaart mij rechtvaardig, volkomen rechtvaardig, in overeenstemming met Zijn eigen gerechtigheid, omdat Hij mij in Christus zonder zonde ziet. Wie van verzoening spreekt, spreekt van heel nieuwe verhoudingen tussen God en ons. De zonde had ons van Hem verwijderd. Er was een volkomen scheiding tussen Hem en ons. Maar nu heeft God een middel gevonden om deze scheiding teniet te doen. Als gevolg daarvan is er niets meer wat ons van Hem kan scheiden. Nadat God mij gerechtvaardigd heeft, verbindt Hij mij met Zich.
Laten we een voorbeeld nemen uit het zakenleven. Iemand heeft het vertrouwen geschonden van een mens aan wie hij zijn positie te danken heeft, heeft hem zelfs diep gekwetst en in verlegenheid gebracht. Deze manier van doen veroorzaakt zijn eigen faillissement. De persoon die door hem zo benadeeld is, onderzoekt de rekeningen, stelt de tekorten vast en betaalt alle schulden. Hij zou nu kunnen zeggen: Ik betaal nu wel uw schulden, maar van nu aan kan er geen sprake meer zijn van enige relatie tussen u en mij. Maar nee, in plaats daarvan rechtvaardigt hij hem juist, herstelt hem in zijn eer, en om de omvang van dit eerherstel te bewijzen, associeert hij zich met hem. De vroegere schuldige heeft voortaan dezelfde zaken, dezelfde belangen, dezelfde relaties als degene die hij zo zwaar tekortgedaan had. Er is geen enkel verschil meer tussen hen, de gemeenschap is volkomen.
Zó is het ook met het grote werk dat God voor ons gedaan heeft. Het resultaat van het offer van Christus bestaat niet alleen hierin dat wij vergeving hebben ontvangen en gerechtvaardigd zijn, maar ook daarin dat Hij ons met God heeft verzoend. Hij heeft de relaties hersteld die wij, schuldigen, verbroken hadden. Hij heeft ons dezelfde belangen gegeven en met dezelfde dingen in verbinding gebracht die God Zelf heeft; Hij wilde ons met Hem verbinden van nu aan tot in eeuwigheid.
God was in Christus
Deze verhoudingen konden door niemand anders dan door Jezus Christus hersteld worden: ‘God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, door hun overtredingen hun niet toe te rekenen, en in ons het woord van de verzoening te leggen’ (vers 19). Dát was het waardoor God gekenmerkt werd, toen de Heer Jezus te midden van de mensen verscheen. Maar de wereld heeft deze uitnodiging niet aangenomen. Integendeel, zij heeft zich ontdaan van Hem in Wie God Zelf was om de wereld met Zich te verzoenen. Maar tijdens Zijn afwezigheid zendt God boodschappers, ‘ambassadeurs’, Zijn dienstknechten: ‘Wij zijn dan gezanten voor Christus, terwijl God als [het ware] door ons maant. Wij bidden voor Christus: Laat u met God verzoenen’ (vers 20). Deze verzoening hoeft niet meer te gebeuren, zoals dit het geval was toen God in Christus was in deze wereld. Ze is eens voor altijd gebeurd. De grondslag ervan is gelegd aan het kruis, waar Hij Die geen zonde gekend heeft, voor ons tot zonde werd gemaakt. Dát is nu de boodschap van deze ambassadeurs. Vol vertrouwen kunnen wij komen met de blijde boodschap: ‘Laat u met God verzoenen’. Hij heeft Zijn eigen Zoon tot zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem (vergelijk ook Romeinen 5:10 en 11, Kolosse 1:21 en 22)! Wanneer wij nu de voorwerpen van zo’n liefde geworden zijn, en zo’n verzoening ons deel is, moeten we dan niet de wereld ingaan om dat te verkondigen? Het zijn niet alleen de apostelen die de blijde boodschap verkondigd hebben, ook de evangelisten predikten haar. Laten we goed bedenken dat ieder van ons tot deze dienst geroepen is. Meer dan eens brengt God iemand op onze weg, opdat hij de boodschap van de verzoening door ons zal ontvangen. Laten we daarbij niet vergeten dat die persoon bestemd is om deel uit te maken van onze kroon van de roem vóór onze Heer Jezus bij Zijn komst (1 Thessalonika 2:19).
H. Rossier