De verhouding tussen een dienstknecht en de plaatselijke vergadering

Vraag: Wat is de verhouding tussen broeders en zusters die een dienst voor de Heer willen doen, en hun plaatselijke vergadering? Moeten ze verantwoording aan de vergadering afleggen? Bepalen of beslissen broeders hierover?

Antwoord: Uiteraard mogen we blij zijn met elke vorm van dienst die voor de Heer gedaan wordt, of het nu gaat om ‘parttime’ of ‘fulltime’ dienst voor Hem. Hij Zelf verheugt Zich over alles wat we uit liefde voor Hem doen. Hij Zelf geeft immers ook de opdracht. Denk maar aan Archippus. Hij moest de dienst die hij in de Heer ontvangen had, ook metterdaad vervullen (Kol. 4:17).

Maar het is goed kort na te gaan welke Bijbelse beginselen de basis vormen voor dit onderwerp. Graag geven we daarom weer wat broeder G. Vogel over dit thema heeft opgetekend (in ‘De eenheid van de Geest’). Het gaat om enkele korte aanwijzingen uit de Schrift, zonder de pretentie volledig te zijn:

De Heer roept Zijn dienstknechten en geeft hun concrete opdrachten (Mark. 3:13-14; Ef. 4:11; Hand. 13:2). De dienstknechten zijn in hun dienst verantwoordelijk tegenover de Heer (1 Kor. 4:1-4).

De plaatselijke gemeente (vergadering) of andere dienstknechten mogen zich niet plaatsen tussen de dienstknecht en de Heer (Hand. 21:12-14; 1 Kor. 16:12). De vergadering heeft echter de mogelijkheid, wanneer de Heer er de vrijmoedigheid voor geeft, om zich met de dienstknecht en zijn dienst symbolisch één te maken (hem de handen op te leggen, Hand. 13:3), een goed getuigenis van hem te geven of hem aan te bevelen (Hand. 16:2; 2 Kor. 12:11), hem op te nemen (3 Joh. :8), hem door hun gebeden (Hand. 13:3; Hand. 14:26; Ef. 6:18-19; Kol. 4:3) of in materieel opzicht (Fil. 4:15) te ondersteunen.

Dat is het terrein van de verantwoordelijkheid van de vergadering tegenover de Heer. Hierbij mag de dienstknecht zich niet tussen de vergadering en de Heer plaatsen (Hand. 15:39-40; vgl. het verschillende gedrag van de broeders ten opzichte van Barnabas en Markus enerzijds en Paulus en Silas anderzijds).

Wat betreft zijn persoonlijke levenswandel staat de dienstknecht net zoals elke andere gelovige onder de beoordeling en eventueel de tucht van de vergadering. Elke dienst die in de samenkomsten wordt uitgeoefend, wordt beoordeeld door de vergadering (1 Kor 14:29).

In zoverre een persoonlijke dienst aan gelovigen gebeurt (in persoonlijke gesprekken, Bijbelstudies, kampen e.d.) is het gewenst en zelfs noodzakelijk dat deze dienst duidelijk rekening houdt met het feit dat ook anderen van de Heer een dienst of verantwoordelijkheid gekregen hebben, en daarmee ook een zeker gezag met betrekking tot dezelfde personen hebben (ouders, echtgenoten, dienstknechten of oudere broeders van de plaatselijke vergadering waaruit de betreffende gelovige komt, zie Ef. 6:1-3; 1 Petr. 5:1-5; 1 Thess. 5:12-13).

Een dienst buiten de plaatselijke vergadering (evangelisatie e.d.) staat niet onder de beoordeling van de plaatselijke vergadering waaruit de dienstknecht komt, tenzij zij op een manier gebeurt die in strijd is met de Schrift. In dat laatste geval zou de vergadering respectievelijk zouden de broeders de plicht hebben om broederlijk te waarschuwen, of zo nodig de plicht om elke vorm van ondersteuning te weigeren; wanneer een dienstknecht zich één maakt met boze beginselen of zelfs met dwaalleraren, hebben zij de plicht tot verdergaande noodzakelijke tuchtmaatregelen. Verder mag de vergadering echter geen invloed uitoefenen op de relatie tussen de dienstknecht en zijn Heer (Fil. 1:14-18).

Een dienstknecht van de Heer moet zich ook bewust zijn van het feit dat hij met zijn gave niet op zichzelf staat, maar als zodanig een lid van het lichaam van Christus is. Hij verenigt niet alle gaven in zich. Om tegemoet te kunnen komen aan alle behoeften van pasbekeerde of oudere gelovigen, zijn ook andere gaven noodzakelijk (1 Kor. 12:20-31). Een dienstknecht kan niet zeggen tegen andere leden van het lichaam: ‘Ik heb u niet nodig’. Dit betekent dan ook dat met betrekking tot de personen aan wie een dienst gebeurt, er een harmonie in de uitoefening van de gaven en opdrachten moet bestaan, opdat de verschillende diensten elkaar aanvullen en zo tot zegen zijn, en niet tot schade. Voor het overige moet de dienstknecht het doel waarvoor de gaven gegeven zijn, voor ogen houden (Ef. 4:12-16).

G. Vogel