De verheerlijkte Heer aanschouwen

(Lukas 9:28-36; Johannes 17:6-8; 20:19,20; Daniël 6:4-11; Handelingen 7:54-60)

‘Het gebeurde nu ongeveer acht dagen na deze woorden, dat Hij Petrus, Johannes en Jakobus meenam en op de berg klom om te bidden. En terwijl Hij bad, werd het uiterlijk van Zijn gezicht anders en Zijn kleding werd lichtend wit. En zie, twee mannen spraken met Hem; het waren Mozes en Elia, die in heerlijkheid verschenen en over Zijn uitgang spraken die Hij zou volbrengen in Jeruzalem. Petrus nu en zij die bij Hem waren, waren door slaap overmand; toen zij nu ontwaakten, zagen zij Zijn heerlijkheid, en de twee mannen die bij Hem stonden. En het gebeurde, toen zij van Hem scheidden, dat Petrus tot Jezus zei: Meester, het is goed dat wij hier zijn, en laten wij drie tenten maken, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia – zonder te weten wat hij zei. Toen hij nu dit zei, kwam er een wolk en overschaduwde hen, en zij werden bang toen zij de wolk ingingen. En er kwam een stem uit de wolk, die zei: Deze is Mijn uitverkoren Zoon, hoort Hem. En terwijl de stem kwam, werd Jezus alleen gevonden. En zij zwegen en vertelden niemand in die dagen iets van wat zij hadden gezien’ (Lukas 9:28-36).

De Heer Jezus wil ons altijd gelukkig maken en ons in alle omstandigheden en moeilijkheden van het leven nabij zijn. Hoe komt het, dat wij toch niet altijd gelukkig zijn en niet altijd in Zijn liefde rusten? Ja, Zijn liefde is groter dan de dood. Hij zal ten slotte alles goed maken. Maar moeten wij ook niet aan bepaalde voorwaarden voldoen om gelukkig te zijn? En is het niet beslist noodzakelijk, dat we ons bewust zijn van de verheven positie waarin wij tot de Vader en de Zoon gebracht zijn? Maar we weten dat er, als we op onszelf zien, veel is wat ons ongelukkig kan maken. Daarom heb ik dit gedeelte uit Lukas 9 voorgelezen en hoop nog andere Schriftplaatsen erbij te lezen, waaruit duidelijk wordt welk een liefde de Vader en de Heer Jezus tot ons hebben.

We zien hier hoe de drie discipelen – Petrus, Johannes en Jakobus – met de Heer Jezus op de berg zijn waar Hij bidt. Plotseling wordt het uiterlijk van Zijn aangezicht veranderd en Zijn kleding glinsterend wit. Dat is het eerste wat we hier vinden: Alleen dan kunnen we zien hoe Zijn uiterlijk verandert en Zijn kleren wit worden, wanneer wij met Hem op de berg zijn. Daar alleen leren wij Zijn heerlijkheid kennen en zal de invloed hiervan op ons onze harten gelukkig maken. Wij mogen er werkelijk dankbaar voor zijn dat we de zorg van de Heer in de dagelijkse dingen zien, maar om Zijn heerlijkheid te kunnen zien moeten we de berg opklimmen. Dan gaan we als het ware het heiligdom binnen daar in de hemel. En dan gebeurt er wat in 2 Korinthe 3 staat: ‘Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van [de] Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door [de] Heer, [de] Geest’ (vers 18).

De discipelen worden getuigen van een wonderbare gebeurtenis. Bovendien beluisteren zij een wonderbaar gesprek dat de Heer met Mozes en Elia voert. Zeker is de Heer dit gesprek begonnen. Ja, het is zo dat de drie discipelen daar slechts zwakke mensen waren. Dat herkennen we niet in de laatste plaats aan het feit dat Petrus en de twee anderen door slaap overmand werden. Hoe vaak gebeurt het ook niet bij ons, dat wij de heerlijkheid van de Heer helemaal niet zien, hoewel Hij toch steeds bereid is Zichzelf aan ons te openbaren. De weg tot het heiligdom is geopend, zoals wij uit de Hebreeënbrief weten, en we kunnen te allen tijde ingaan. We kunnen te allen tijde door het geloof in de hemel ingaan om de Heer Jezus daar als de Verheerlijkte te zien. Wij zijn in Christus geplaatst in de hemelse gewesten, en we mogen in het geloof verwerkelijken dat wij daar nu al zijn. Wanneer we dan biddend het Woord van God lezen om Hem daar te zien, opent de Heilige Geest onze ogen opdat wij Zijn heerlijkheid kunnen zien.

Wanneer wij slapen en onze ogen zwaar geworden zijn, moeten we eerst ontwaken voordat we iets kunnen zien. Ik denk dat slaperigheid één van de oorzaken is waarom er vaak moeilijkheden in ons leven ontstaan. We moeten wakker worden geschud en onze ogen weer open doen om Zijn heerlijkheid te zien. Wanneer wij in moeilijke omstandigheden komen, schokt ons dat, omdat we zien dat menselijke hulp niet toereikend is. God alleen kan ons in deze omstandigheden helpen. In zulke ogenblikken ondervinden wij dat Hij het is Die ons alleen standvastigheid kan geven. En Hij is het Die ons de noodzakelijke kracht en het bewustzijn geeft, dat Zijn liefde sterker is dan de dood. Daarvoor zullen wij Hem eeuwig prijzen!

Zo zien we hier dat de discipelen wakker worden. Nu zien ze Zijn heerlijkheid, wat tevoren niet het geval was. Nu horen ze ook het gesprek tussen de Heer en Mozes en Elia. Zij ‘spraken over Zijn uitgang die Hij zou volbrengen te Jeruzalem’. Geldt dat ook niet voor ons? Wanneer wij niet over Zijn uitgang spreken die Hij zou volbrengen, ja die Hij nu volbracht heeft, zien we ook Zijn heerlijkheid niet. De tijd zal inderdaad komen waarin elk oog Hem zal zien, ook zij die Hem doorstoken hebben, en wel wanneer de Heer Jezus vanuit de hemel naar deze aarde zal komen (Openbaring 1:7). En later zal het ogenblik komen waarin Hij op de grote witte troon zal zitten.

Dan zal heerlijkheid afstralen van Zijn aangezicht, want hemel en aarde zullen voor Hem wegvluchten en al de doden, alle ongelovigen van het begin tot het einde, de honderden miljoenen, zullen voor Hem staan. Elk hart van hen zal met verschrikkelijke angst en vrees vervuld zijn. Waarom? Omdat ze zullen denken aan Zijn uitgang die Hij in Jeruzalem volbracht heeft. Ze zullen er zich van bewust zijn dat Zijn dood ook voor hun behoudenis toereikend geweest zou zijn. En ze zullen zichzelf verwijten maken dat zij Hem afgewezen hebben. Maar er bestaat dan voor hen geen enkel sprankje hoop meer, omdat ze geweigerd hebben om Hem en Zijn wonderbaar werk aan te nemen, dat Hij op het kruis volbracht heeft opdat zondaars gered konden worden.

Hier zien wij de drie discipelen. Ze zijn zwak in zichzelf. Zij slapen, terwijl de Heer veranderd wordt en deze beide indrukwekkende mannen, Mozes en Elia, tot Hem komen. Het kan zijn dat wij Petrus en Johannes soms bewonderen, omdat we zien hoe de Heer hen in Zijn dienst kon gebruiken. Maar wanneer de Heer iemand gebruikt, wordt daardoor die persoon niet groot. Die persoon is alleen maar een zwak werktuig. Dat kunnen we steeds weer vaststellen. Het is de Heer Die door zwakke werktuigen grote dingen kan doen.

Mozes en Elia verschenen in heerlijkheid. Wat een verheven aanblik moet dat geweest zijn. Mozes was de grote dienstknecht van God door wie wij alleen al vijf boeken van het Woord van God gekregen hebben. We vinden in zijn geschriften heerlijke typen van de Heer Jezus. Op één Schriftplaats schrijft hij: ‘Een Profeet uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik, zal de HEERE, uw God, voor u doen opstaan; naar Hem moet u luisteren’ (Deuteronomium 18:15). Daar sprak hij duidelijk over de Heer Jezus. Mozes is de enige mens – voor zover wij weten – die door God Zelf is begraven. Wat moet het geweest zijn, zó’n man in heerlijkheid te zien.

En dan Elia, de grote profeet. Hij is één van de twee mensen die zonder te sterven de hemel zijn ingegaan. Ook hij verscheen in heerlijkheid. Zulke personen stonden nu voor de ogen van de discipelen. Maar waar waren zij mee bezig? Waarover horen wij hen spreken? Mozes sprak niet over zijn eigen uitgang, hoe wonderbaar die ook was. En ook Elia sprak niet over zijn eigen uitgang, toen hij door een wagen met vurige paarden van de aarde werd opgenomen, maar over Zijn uitgang die Hij zou volbrengen in Jeruzalem. Wie is dat? Bestaat er enige twijfel over, Wie dat is? Voor Mozes bestaat er slechts één Persoon, zijn Heiland; alleen door Zijn werk is hij gered van het eeuwig verderf. En voor Elia bestaat er eveneens slechts één Heiland en één uitgang: het wonderbare werk op het kruis. Alleen op grond van dit werk is ook hij gered. Natuurlijk had het kruis nog niet in Jeruzalem gestaan, toen Mozes en Elia op aarde leefden. Maar toen zij in de heerlijkheid waren, wisten zij het. Allen die nu in de heerlijkheid zijn, weten het. En ook wij weten het.

Wie was Mozes in zichzelf? Toen God de veertigjarige Mozes tot dienst riep, vluchtte hij uit angst voor een mens, namelijk de koning van Egypte. En wie was Elia? Ook hij was een mens die vluchtte, nadat God hem op een buitengewone wijze Zijn kracht verleend had, toen hij de Baälspriesters ter dood bracht – ook hij vluchtte toen hij hoorde dat een vrouw hem naar het leven stond, namelijk de koningin Izebel. De dienst van Elia kwam tot een einde, omdat hij tegen God zei: ‘Ik alleen ben overgebleven’ (1 Koningen 19:10,14). Mozes en Elia waren er zich van bewust dat zij alleen op grond van het werk van de Heer Jezus hier waren.

En hoe zwak waren toch de discipelen. Eerst spraken zij geen woord, maar aanschouwden alleen de heerlijkheid die zich voor hen ontvouwde. Maar toen Mozes en Elia van Hem scheidden, begon Petrus te spreken. En wat hij zegt is niet goed. Maar de Heer geeft hem geen berisping. Mozes en Elia moeten weer uit zijn gezichtsveld worden weggehaald. God kan niet toelaten dat wij op iets of op iemand onze aandacht richten en daarop vertrouwen, behalve op de Heer Jezus. Onze ogen moeten alleen op de Heer gericht zijn. Wanneer wij van broeders zegen verwachten, in plaats van van de Heer, zal de Heer de broeders wegnemen. Hij wenst niet dat wij van mensen iets verwachten.

Mensen kunnen niet veel geven. En toch wijst de Heer Petrus niet terecht.
Nadat Petrus het voorstel heeft gedaan om drie tenten te bouwen, worden zij door een lichte wolk overschaduwd. Deze wolk is het symbool van de tegenwoordigheid van God. En nu horen zij een stem uit de wolk: ‘Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem’. Toen deze stem weerklonken had, werd Jezus alleen gevonden. Dat is het doel van het handelen van God met ons: wij moeten alléén op de Heer Jezus zien. Dat kunnen wij slechts op de berg van de verheerlijking, niet in de wereld. En daar op de berg wordt ook het bewustzijn versterkt in wat voor een wonderbare betrekking wij tot de Vader en de Zoon gebracht zijn.

Daar alleen zien wij welke heerlijkheid de Heer Jezus heeft. Dat is een belangrijk punt dat ik in het bijzonder aan de jongeren onder ons zou willen voorstellen! Wij zijn zoveel met onszelf bezig. Daarbij zien we niet veel goeds. Wanneer wij toch iets goeds in onszelf zien dan is dat het bewijs dat onze ogen echt nog niet ver genoeg geopend zijn, want God zegt in Zijn Woord: ‘Er is niemand die goed doet, er is er zelfs niet één’ (Romeinen 3:12). En op een andere plaats zegt de apostel Paulus: ‘Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont’ (Romeinen 7:18). Maar God laat ons ook zien dat Hij door het kruis van Golgotha een definitief einde aan het vlees heeft gemaakt. Juist omdat Hij wist dat er in ons niets goeds is, heeft Hij de Heer Jezus voor ons in de dood gegeven en heeft de Heer Jezus onze zonden in Zijn lichaam gedragen op het hout (1 Petrus 2:24). God heeft de Heer Jezus tot zonde gemaakt, opdat wij gerechtigheid van God in Hem zouden worden (2 Korinthe 5:21). En wij zijn met Hem gestorven. God ziet ons niet meer in dat wat wij in onszelf zijn. God verwacht nu niets goeds meer van onszelf.

Dat alles leren wij wanneer wij de Heer Jezus op het kruis aanschouwen. Dat is een belangrijke voorwaarde om in vertrouwen op de Heer en op de Vader onze weg in deze wereld te gaan. Het is ook de voorwaarde voor het werkelijk zien van de heerlijkheid van de Heer Jezus. En het aanschouwen van Zijn heerlijkheid geeft ons de kracht om standvastig te blijven te midden van alle omstandigheden van het leven. Ik herhaal het nog eens: Laten we niet denken dat God nog iets goeds van onszelf zou verwachten. Dat zou in volledige tegenspraak zijn met het onderwijs van Romeinen 7. Dat is van groot belang voor de jongeren onder ons. Toch is het ook net zo belangrijk voor ons ouderen. Hebben wij niet een leven lang moeten ervaren dat we ons steeds weer met onszelf bezighielden? En hadden we niet alle aanleiding daartoe? Hoeveel verkeerde dingen zijn er in ons leven waardoor we in onszelf teleurgesteld werden. Maar elke keer hebben we niet in praktijk gebracht dat er niets goeds in ons is. Wanneer ik weet dat een appel verrot is, ben ik niet teleurgesteld als ik hem doorsnijd en er niets bruikbaars meer in aantref. Dat kan toch niet anders zijn.

Als ik nu erken dat er in mijn leven niets goeds is – behalve dat wat de Heer door de Heilige Geest daarin gewerkt heeft – dan bewijst dat alleen maar de waarheid van het Woord van God. Had ik dat niet direct kunnen geloven, omdat God het is Die dat gezegd heeft? Wij moeten steeds weer opnieuw zien hoe volmaakt het werk op het kruis was, zodat daardoor al onze zonden konden worden weggedaan en zodat wij daardoor óók met de Heer Jezus gestorven zijn. God ziet ons niet meer in onze oude zondige toestand. Hij heeft alles in orde gemaakt.

Natuurlijk moet ik zondige dingen, wanneer die in mijn leven voorkomen, veroordelen en belijden. Maar daarna mag ik weer op de Heer Jezus zien. Ik hoef niet teleurgesteld te zijn over mijn tekortkomingen, maar wel daarover dat mijn oog niet op de Heer Jezus gericht was, want dan had ik niet gezondigd. Als wij onszelf altijd als gestorvenen zouden beschouwen, zouden deze dingen niet voorkomen. Maar wanneer wij de zonde beleden hebben, laten we dan weer de Heer Jezus aanschouwen en zien dat Hij op het kruis alles in orde heeft gemaakt. Vanaf het ogenblik dat ik deel heb aan het werk van de Heer Jezus, staat er niets meer tussen mij en God. God ziet mij vanaf dit ogenblik als volmaakt rein, zonder enige zonde. Zo staat het namelijk in de Hebreeënbrief: ‘Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt die geheiligd worden. En hun zonden en hun wetteloosheden zal Ik geenszins meer gedenken’ (10:14,17). Het woord ‘voor altijd’ betekent ‘ononderbroken’. Hebben we niet gezien dat de Heer Jezus de discipelen geen enkele terechtwijzing geeft? Hij zegt niet: Waarom hebt u geslapen toen u Mijn heerlijkheid had kunnen zien? Hij zegt ook niet tegen Petrus: Hoe kon u nu zó ver gaan om Mij op één lijn te stellen met Mozes en Elia? God bewijst ons alleen maar genade en liefde!

Johannes 17:6-8

Wij lezen nu enkele verzen uit Johannes 17, waar we hetzelfde zien: ‘Ik heb Uw Naam (dat is de Naam van de Vader) geopenbaard aan de mensen die U Mij uit de wereld hebt gegeven. Zij waren de Uwen en U hebt ze Mij gegeven; en zij hebben Uw Woord bewaard. Nu hebben zij erkend dat alles wat U Mij hebt gegeven, van U is. Want de woorden die U Mij hebt gegeven, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en waarlijk erkend dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd dat U Mij hebt gezonden’ (Johannes 17:6-8).

In dit hoofdstuk spreekt de Heer Jezus met Zijn Vader in de laatste nacht vóór het kruis. Wat een diepten openbaart dit Evangelie ons toch! Dat zegt de Heer hier van de discipelen, hoewel zij in deze nacht praktisch niet in Hem geloofden. Toen de Heer gestorven was, geloofden zij niet in Zijn opstanding. Ze dachten dat nu alles afgelopen was, hoewel de Heer hun zo vaak zeer duidelijk had gezegd dat Hij zou sterven en opstaan. Nee, ze vluchtten in deze nacht en lieten Hem alleen, toen Hij gevangen genomen werd. Petrus verloochende Hem met een eed. Desondanks zegt de Heer over de discipelen tot de Vader: ‘Zij hebben Uw woord bewaard … en zij hebben geloofd dat U Mij hebt gezonden’. Wie zou het gewaagd hebben dat van hen te zeggen? Wie zou het wagen dat van zichzelf te zeggen? Maar de Zoon zegt het tot de Vader. Wat een wonderbare liefde, wat een wonderbare genade!

Hier zien wij hoe de Zoon tot de Vader over ons spreekt. En wij kunnen er zeker van zijn dat de Vader net zo tot de Zoon over ons spreekt. Daaraan kunnen wij zien wat wij voor het hart van de Heer Jezus en voor het hart van de Vader betekenen. En bovendien weten wij wat er kort tevoren was gebeurd.

Hoeveel ongeloof, hoeveel zwakheid was er bij hen aanwezig in diezelfde ogenblikken toen de Heer Jezus deze woorden in Johannes 17 uitsprak. Enige uren eerder hadden zij er nog strijd over gehad wie de meeste onder hen was, en wel in die ogenblikken toen Hij hen Zijn hart opende en het avondmaal instelde. Dat gebeurde juist in deze nacht. Het was nog niet lang geleden dat Hij gezegd had: ‘Dit is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot Mijn gedachtenis’ (Lukas 22:19). En in Mattheüs staat er: ‘Want dit is Mijn bloed, het bloed van het nieuwe verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden’ (Mattheüs 26:28). En zij maken er ruzie over wie de eerste was! Kunnen wij het begrijpen dat de Heer nu tot de Vader zegt: ‘Zij hebben Uw woord bewaard’? Daarbij wist de Heer – Hij had het immers tegen Petrus gezegd – dat Petrus Hem zou verloochenen. Hij wist dat allen Hem zouden verlaten. In Johannes 17:6-8 vinden we echter geen beschuldiging, geen aanklacht, maar uitsluitend liefde en genade. De Vader en de Zoon zien ons in dat wat wij door het werk van de Heer Jezus geworden zijn!

Zouden wij ons dan niet veel meer met de Heer Jezus moeten bezighouden? Laten wij met ongedekt aangezicht Zijn heerlijkheid aanschouwen. Daardoor worden we vrij van onszelf. Ook Petrus werd weer vrij, nadat hij de Heer verloochend had, want hij veroordeelde en beleed zijn zonde. De Heer kon hem daardoor terechtbrengen. Dat was natuurlijk de voorwaarde voor het feit dat Petrus na de pinksterdag onverschrokken en vrijmoedig tot de Joden kon zeggen: ‘U hebt echter de Heilige en Rechtvaardige verloochend’ (Handelingen 3:14). Hij had toch eerst zelf de Heer met een eed verloochend. Hij was zeer zeker niet vergeten wat hij kort tevoren zelf gedaan had, maar die zonde was vergeven. Die zonde heeft hij zijn leven lang niet vergeten, maar zij belastte zijn geweten niet meer. Zo herstelt de Heer ook ons wanneer wij gezondigd hebben. Dan kunnen wij weer het heiligdom binnengaan om Hem in Zijn heerlijkheid en in de volmaaktheid van Zijn werk te aanschouwen.

Johannes 20:19-20

In Johannes 20:19-20 vinden wij opnieuw deze onveranderlijke liefde van de Heer Jezus tot Zijn discipelen: ‘Toen het dan avond was op die eerste dag van [de] week, en de deuren waar de discipelen waren, wegens hun vrees voor de Joden waren gesloten, kwam Jezus, ging in het midden staan en zei tot hen: Vrede zij u! En toen Hij dit had gezegd, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan verblijdden zich toen zij de Heer zagen’.
Zo komt de Heer op de opstandingsdag in het midden van de discipelen. Het was nog niet lang geleden dat Hij gevangen genomen was en de discipelen Hem allen verlaten hadden. De vrouwen hadden kort tevoren de boodschap van de opstanding van de Heer aan de discipelen gebracht, maar ze hadden die niet geloofd. In Lukas 24:41 staat er zelfs dat de discipelen ook dan nog niet geloofden toen zij de Heer zagen ook al was dat van blijdschap en verwondering. Zo staat Hij nu in hun midden. Hij spreekt geen enkel verwijtend woord. Hij toont hun Zijn handen en Zijn zijde. Hij tracht hun ongeloof te overwinnen. En wat zegt Hij tot hen? ‘Vrede zij u!’ Dan worden de discipelen met blijdschap vervuld. Dat is een blijdschap die alleen de Heer kan geven, wanneer we Zijn onvoorstelbaar grote liefde en Zijn oneindige genade ten opzichte van ons zien, hoewel wij zo vaak fouten maken omdat er in ons geen kracht is om standvastig te blijven en Hem steeds voor ogen te houden.

Daniël 6:4-11

We lezen nog een gedeelte uit Daniël 6: ‘Toen overtrof deze Daniël de rijksbestuurders en de stadhouders, omdat er een uitzonderlijke geest in hem was. De koning overwoog hem over heel het koninkrijk aan te stellen. Daarop gingen de rijksbestuurders en de stadhouders zoeken naar een grond voor een aanklacht tegen Daniël inzake het koninkrijk, maar zij konden geen enkele grond voor een aanklacht, of iets verkeerds vinden, omdat hij betrouwbaar was en er geen nalatigheid of iets verkeerds bij hem te vinden was. Toen zeiden deze mannen: Wij zullen tegen deze Daniël geen enkele grond voor een aanklacht vinden, tenzij wij iets tegen hem vinden in de wet van zijn God. Zo kwamen deze rijksbestuurders en stadhouders eensgezind bij de koning en zeiden het volgende tegen hem: Koning Darius, leef in eeuwigheid! Al de rijksbestuurders van het koninkrijk, de machthebbers, de stadhouders, de raadslieden en de landvoogden, zijn na onderling beraad van mening dat er een koninklijk besluit moet worden opgesteld en een verbod moet worden bekrachtigd, dat al wie binnen dertig dagen een verzoek zal richten aan welke god of mens ook, behalve aan u, o koning, in de leeuwenkuil zal worden geworpen. Nu dan, koning, stel het verbod op en onderteken het bevelschrift, dat niet veranderd mag worden, volgens de wet van Meden en Perzen, die niet mag worden herroepen. Daarop ondertekende koning Darius het bevelschrift en verbod. Toen Daniël te weten kwam dat dit bevelschrift ondertekend was, ging hij zijn huis binnen. Nu had hij in zijn bovenvertrek open vensters in de richting van Jeruzalem. Op drie tijdstippen per dag ging hij op zijn knieën, bad hij en dankte hij voor het aangezicht van zijn God, precies zoals hij voordien had gedaan’ (verzen 4-11).

Waarom moest Daniël nu juist hier in de opperzaal bidden, zodat anderen hem konden zien? Was dat niet gewoonweg een uitdaging? Zij wisten toch dat Daniël hier regelmatig zijn knieën boog. Kon hij niet in een binnenvertrek gaan? Hij wist toch dat zij bij zijn gebed op de loer zouden liggen. Daniël vraagt zich niet af wat mensen zeggen. Hij bekommert zich ook niet om de hoogste gezagsinstantie van de wereld in die tijd. Hij deed wat hij altijd al gedaan had als hij tot God bad. In deze opperzaal met zijn open vensters naar Jeruzalem bad hij, zonder dat te verbergen.

Open vensters naar Jeruzalem! Wat was er in die tijd voor bijzonders in Jeruzalem? De stad was door Nebukadnezar verwoest en sinds bijna zeventig jaar een ruïne. In deze stad had eens de tempel gestaan. Maar God had deze tempel verlaten. De tempel zelf was verwoest. In Jeruzalem waren alleen maar puinhopen. Toch had Daniël open vensters naar Jeruzalem!

Hij kende een woord dat God met het oog op Jeruzalem had gezegd, namelijk dat Zijn hart daar in Jeruzalem zou zijn: ‘De HEERE zei tegen hem [Salomo]: Ik heb uw gebed en uw smeekbede gehoord, die u voor Mijn aangezicht gesmeekt hebt. Ik heb dit huis dat u gebouwd hebt, geheiligd om Mijn Naam daar tot in eeuwigheid te vestigen. Alle dagen zullen Mijn ogen en Mijn hart daar zijn’ (1 Koningen 9:3). Daarom was ook het hart van Daniël op Jeruzalem gericht. Dat was de plaats die God verkozen had om Zijn Naam aldaar te doen wonen. Daar wilde Hij met Zijn volk samenkomen!

Maar nu was de tempel verwoest. De heerlijkheid van de HEERE had de tempel verlaten (Ezechiël 11:23). Ja, Daniël bevond zich als krijgsgevangene in een vreemd land. Maar de plaats waar de ogen en het hart van God voortdurend waren, oefende zó’n aantrekkingskracht op zijn hart uit, dat hij er volstrekt niet aan dacht zijn gewoonte te veranderen. Hij bad bij dit open venster naar Jeruzalem.

Als wij de plaats naar Mattheüs 18:20 kennen en Gods gedachten over het vergaderen verstaan, en als we zien welk een betekenis deze plaats heeft voor de Heer Jezus, dan kunnen we niet anders dan deze plaats hoog waarderen, ondanks alle zwakheid, ondanks het verval. Dan zullen we ook niet toegeven als wereldse machten ons mochten dreigen en proberen in te grijpen. Dat kunnen we niet. Wij houden ons aan het Woord van God. En wat kan vijandschap van de kant van de wereld dan eigenlijk nog te betekenen hebben?

Handelingen 7:54-60

In verband met de vijandschap van de wereld (zie voorgaande) zou ik graag een laatste plaats en wel uit Handelingen 7 willen lezen: ‘Toen zij nu dit hoorden, barstten zij uit in woede en knarsten de tanden tegen hem. Hij echter, vol van [de] Heilige Geest, staarde naar de hemel en zag [de] heerlijkheid van God, en Jezus, staande aan Gods rechterhand, en zei: Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande aan Gods rechterhand. Zij echter schreeuwden met luider stem, stopten hun oren toe en stormden als één man op hem af, en zij wierpen hem de stad uit en stenigden hem. En de getuigen legden hun kleren af aan de voeten van een jongeman, Saulus geheten. En zij stenigden Stéfanus, die [de Heer] aanriep en zei: Heer Jezus, ontvang mijn geest. En terwijl hij neerknielde, riep hij met luider stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe. En toen hij dit gezegd had, ontsliep hij’ (7:54-60).

Uiterlijk gezien zou men kunnen menen dat God Stefanus in de steek liet. Stefanus werd niet zoals Daniël zichtbaar voor de koning en de mensen gered. Hij werd met stenen vermoord en stierf een afschuwelijke dood. De mensen beschouwden zijn dood niet als een ontslapen, zoals er hier staat. En toch zien we hier de heerlijkheid van God. In de eerste plaats staat er dat Stefanus vol van de Heilige Geest was, wat hem in een innige verbinding met de Heer Jezus bracht. Alleen nog van de Heer Jezus staat geschreven dat Hij vol van de Heilige Geest was, en ook van Barnabas. In Efeze 5:18 staat weliswaar dat gelovigen vervuld moeten worden met de Heilige Geest, maar dat is iets anders. Vervuld zijn met de Heilige Geest staat in verbinding met de dienst. Als een persoon vol van de Heilige Geest is, betekent dat dat de Heilige Geest de volledige heerschappij in zijn leven uitoefent.

Hier is het Stefanus die dit machtige getuigenis voor het Sanhedrin aflegt. Het was hetzelfde Sanhedrin dat de Heer Jezus verhoord en in aansluiting daarop vermoord had. Stefanus kende hun haat. Hij verweet hun dat zij hardnekkig en onbesneden van hart en oren waren en dat zij altijd de Heilige Geest weerstonden (vers 51). Hij beschuldigde hen van moord op de Heer Jezus (vers 52). Kon hij dat niet wat diplomatieker en fijnzinniger uitdrukken? Nee, het was inderdaad niet diplomatiek en fijnzinnig. Is het volgens menselijke maatstaven niet het onverstandigste wat men doen kan om, als men voor een rechter staat hem openlijk de waarheid te zeggen? Maar dat bracht hem in gemeenschap met de Heer Jezus, want het was de waarheid van God, en het was dat wat de Heilige Geest in dit ogenblik wilde zeggen. Zo heeft ook de Heer Jezus eenmaal de goede belijdenis voor Pilatus betuigd (1 Timotheüs 6:13).

En wat was het gevolg bij Stefanus? Omdat hij vol was van de Heilige Geest, hield hij zijn ogen op de hemel gericht – niet op zijn vijanden. Zijn vijanden konden hem aanschouwen. En wat zagen zij? Aan het eind van hoofdstuk 6 staat: ‘En toen zij hem aanstaarden, zagen allen die in de Raad zaten, zijn aangezicht als [het] gezicht van een engel’. Dat was het getuigenis dat de anderen ontvingen. Stefanus zag hen niet. Indien hij naar zijn vijanden gekeken had, zou hij zich misschien anders hebben gedragen. Omdat hij echter zijn ogen op de Heer Jezus in de heerlijkheid richtte, had hij geen enkele angst. Op hem was van toepassing wat wij in Hebreeën 11:27 van Mozes lezen: ‘Want hij bleef standvastig, als zag hij de Onzichtbare’. Stefanus zag de Onzichtbare!

Hij zag de heerlijkheid van God en Jezus staande aan de rechterhand van God. De hemel was voor hem geopend. Hier staat niet dat hij de ‘Heer Jezus’ zag, maar ‘Jezus’. Hij zag de vernederde Mens, Die Zelf enige tijd tevoren op dezelfde plaats had gestaan, voor hetzelfde Sanhedrin. Hij had daar – om zo te zeggen – schijnbaar machteloos gestaan. Zij hadden Hem gebonden en ter dood gebracht. Stefanus zag deze Jezus aan de rechterhand van God. Hij zag als resultaat van dat wat zijn vijanden de Heer Jezus hadden aangedaan, dat Hij nu aan de rechterhand van God stond. Hij zag dat het enige wat mensen, wat satan, ja wat de hele macht van de boze tot stand kan brengen daarin eindigt dat de heerlijkheid van God ons deel zal zijn. De macht van de vijand kan alleen maar de banden verbreken die ons nog vasthouden. Hoe duidelijk zien we dat bij de vrienden van Daniël in de vuuroven: het enige wat verbrandde waren hun boeien.

Wanneer Stefanus vervolgens over de Heer Jezus spreekt zegt hij: ‘Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen staande aan Gods rechterhand’. Hij noemt Hem de Zoon des mensen. Als de Zoon des mensen zal de Heer spoedig terugkomen en de wereld oordelen. Bovendien zag hij de Heer Jezus aan de rechterhand van God staan, en niet, zoals wij in de Hebreeënbrief lezen dat God tot Hem gezegd heeft: ‘Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden stel tot een voetbank voor Uw voeten’ (1:13). Hij zag de Heer Jezus staan, als het ware om Stefanus op te nemen, omdat hij op het punt stond om langs dezelfde weg in de heerlijkheid te komen als de Heer Zelf, namelijk door de dood van de kant van Zijn vijanden, de Joden. De dood was het einde van het leven hier op aarde; maar zij zou Stefanus naar de heerlijkheid daarboven brengen. En de Heer Jezus, Die alles uit eigen ervaring kende, Die door diezelfde mensen veroordeeld en vermoord was – wat hun verantwoordelijkheid betrof, want niemand kon het leven van Hem nemen –, stond als het ware gereed om Zijn dienstknecht tot Zich in de heerlijkheid op te nemen.

Maar voor de wereld betekende dat de aankondiging van het oordeel. Hij, Die zij hadden verworpen, staat aan Gods rechterhand in de heerlijkheid van God! Dat is het zekere bewijs dat Hij spoedig zal komen om het oordeel uit te oefenen over al het kwaad dat er in deze wereld is. Zij stopten hun oren toe. Ze wilden dit getuigenis niet aanhoren. Maar het verandert niets aan het oordeel dat aanstaande is. Zij vielen als één man op Stefanus aan, wierpen hem de stad Jeruzalem uit en stenigden hem. De getuigen legden hun kleren af aan de voeten van een jongeling, Saulus geheten. Toen zij Stefanus stenigden, bad hij dat de Heer Jezus zijn geest mocht ontvangen. Bovendien bad hij voor hen dat de Heer hun deze zonde niet zou toerekenen. Daarna ontsliep hij.

Wat een gelijkvormigheid met de Heer Jezus. Hij zag de Heer in de heerlijkheid. Hij hoorde Zijn stem en hij was daarom zo één met Hem, omdat hij zijn weg met de Heer ging. Zo was hij vol van de Heilige Geest. Ten slotte vinden wij bij hem dezelfde gevoelens als bij de Heer Jezus, toen Hij op het kruis voor Zijn vijanden bad: ‘Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen’ (Lukas 23:34). Op grond van dit gebed is Stefanus in elk geval tot bekering gekomen, want door dit gebed kon God Zijn volk opnieuw genade aanbieden, nadat het de Heer Jezus verworpen had. Zodoende werden er op de pinksterdag duizenden bekeerd en enige dagen later werd het getal van de mannen ongeveer vijfduizend. En sindsdien zijn er vele tienduizenden tot bekering gekomen. Wonderbaar resultaat van het gebed van de Heer Jezus, en nu ook van het gebed van Stefanus.

Misschien zegt iemand dat Stefanus zijn dienst toch niet lang heeft verricht. Waarschijnlijk duurde zijn dienst inderdaad slechts een korte tijd. Maar wat een resultaat bracht zijn dienst tevoorschijn. En wat bracht zijn gebed tot stand! In verbinding met dit gebed lezen wij over Saulus. Was het antwoord op dit gebed niet de bekering van Saulus? Bij de bekering van Saulus maakte God geen gebruik van mensen. Saulus kwam tot bekering door het directe ingrijpen van de Heer Jezus vanuit de hemel. Wie dacht er in de verste verte aan dat deze man, die hier stond, tot bekering zou komen en de prediking zou voortzetten? Hij zou de grootste prediker van de genade worden die ooit geleefd heeft. En dat niet alleen. Hij zou de grootste afspiegeling van de genade worden. Door zijn dienst bezitten wij zelfs veertien brieven van het Nieuwe Testament. Was de dienst van de apostel Paulus niet een direct gevolg van dit gebed van Stefanus? Ja, het leven van Stefanus was een leven van overwinning.

Dat alles zou voor ons een aansporing moeten zijn de Heer Jezus in Zijn heerlijkheid te aanschouwen. Daardoor leren wij onze verheven positie voor de Vader en de Zoon kennen. We worden er ons dan van bewust, dat we begenadigd zijn in de Geliefde. We worden door het aanschouwen van de Heer Jezus veranderd naar het beeld van Zijn heerlijkheid, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door de Heer, de Geest. En als wij verzuimd hebben ons in de plaats van de dood te houden, dan moeten we ons door zelfoordeel laten reinigen. Dat is de enige weg waarop de gemeenschap met de Heer weer hersteld kan worden. Maar dan mogen we weer op de Heer Jezus zien. Zo herstelt de Heer de Zijnen weer. Laten wij Hem aanschouwen, zoals Hij nu in de hemel is. Dat alleen geeft ons kracht om hier de weg met Hem te gaan. Dan hebben wij geen vrees voor mensen. Dan zien we net als Stefanus de mensen niet eens meer. Onze ogen zijn dan alleen op de Heer Jezus gericht. Ook wij zullen dan net als Mozes standvastig blijven, als zagen wij de Onzichtbare.

H.L. Heijkoop