De uittocht uit Egypte

‘Loof de HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig. Die de Egyptenaren trof in hun eerstgeborenen, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig; en Israël uit hun midden uitleidde, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig; met sterke hand en met uitgestrekte arm, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig’ (Psalm 136:1,10-12).

Een prachtige openbaring van Gods macht en van Gods liefde! De straf voor de Egyptenaren was de verlossing voor Israël. De Heer had gezegd: ‘Omstreeks middernacht zal Ik uittrekken door het midden van Egypte en alle eerstgeborenen in het land Egypte zullen sterven, van de eerstgeborene van de farao af, die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de slavin’. (Exodus 11:4-5).

Dat was de laatste plaag die over Egypte komen zou, de dood in ieder huis. De farao had niet willen horen en nu kwam de toorn van God over hem. ‘Maar bij alle Israëlieten zal nog geen hond zijn tong roeren tegen mens of dier. Zo zult u weten dat de HEERE onderscheid maakt tussen de Egyptenaren en de Israëlieten’ (Exodus 11:7).

Alleen de Heer kon zo’n onderscheid maken, want geen Israëliet kon zich erop beroemen beter te zijn dan een Egyptenaar; allen hadden zij hetzelfde lot verdiend. De eerstgeborenen van de Israëlieten waren niet mooier noch aantrekkelijker dan die van de Egyptenaren. Maar God kwam met Zijn genade tussenbeide.

Zo is het ook met ons. Wij hebben allen gezondigd, wij zijn allen verloren, wij missen allen de heerlijkheid van God, en daarom hebben wij allen de toorn van God en het oordeel verdiend. Er is geen onderscheid. Zowel de braafste als de meest goddeloze mens is verloren en kan geen aanspraak maken op de eeuwige behoudenis. Gods genade alléén kan de weg daartoe openen.

Geen werken, geen proberen of streven kan ons rechtvaardigen; God is het Die rechtvaardigt (Romeinen 8:33). Wat zal ons alles helpen, wanneer wij voor Hem verschijnen, als Hij ons niet rechtvaardig verklaard heeft, als Zijn genade ons niet heeft verlost? Maar wie is er die ons veroordeelt, wanneer wij door Hem zijn gerechtvaardigd? Dan mogen de zonden nog zo talrijk, de schuld nog zo groot, de vijandschap van het hart nog zo sterk zijn geweest, Zijn genade geeft volmaakte rust, Zijn rechtvaardiging volkomen vrede.

Maar hoe verklaart God ons rechtvaardig? Laten wij naar het voorbeeld in Israël kijken. De Israëliet was gelijk aan de Egyptenaar. Net als deze had hij de straf verdiend. Maar God wilde hem van de straf bevrijden.

Dit kon echter niet zonder dat een ander die straf in zijn plaats droeg. God moest rechtvaardig blijven, ook in het verlossen van Zijn volk. Daarom moest er in de plaats van de eerstgeborenen een lam geslacht worden en het bloed van dat lam aan de deurposten en bovendorpel gestreken worden. Waar nu dat bloed aangebracht was, daar kon de verderfengel voorbijgaan, want daar was een offer gebracht in de plaats van de eerstgeborene, zodat deze rechtvaardig vrij was. Een heerlijk beeld van de verlossing, aangebracht door Hem Die niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met Zijn eigen bloed eenmaal in het heiligdom is ingegaan (Hebreeën 9:12)!

Wij waren allen verloren en hadden de straf over de zonde verdiend. Niemand van ons zou aan dit eeuwige verderf ontsnapt zijn, als God Zijn Zoon niet tot verzoening had gegeven. Door de overgave van die Zoon – Die alles op Zich nam, Die onze schuld betaalde, onze zonden in Zijn lichaam op het hout droeg, Die voor ons geoordeeld en onder Gods toorn en van God verlaten werd – was het God mogelijk ons te verlossen en te vergeven zonder onrechtvaardig te worden. Christus leed in onze plaats, wat wij hadden moeten lijden; Hij droeg wat wij hadden moeten dragen; Hij stierf de dood die wij hadden moeten sterven.

God kan ook ons verlossen, niet omdat Hij de zonde door de vingers zou zien, maar omdat Hij Zelf in onze plaats een offer gaf. Waar nu dit offer wordt aangenomen, waar het bloed van Christus van alle zonde heeft gereinigd, daar kan rust en vrede in het hart zijn. Geen verderver kan daar meer slaan, geen vijand meer veroordelen.

God is voldaan; Zijn gerechtigheid neemt genoegen in het volbrachte offer op Golgotha. Ja wat meer zegt, het is naar Zijn wil dat de Heer Jezus Zichzelf gaf, naar Zijn wil dat wij door Zijn offerande geheiligd zijn. Welk een genade. Onbegrijpelijke goedheid van God!

Maar mijn hart moet in deze genade rusten, want wat baat het mij te weten dat alles volbracht is, dat Jezus Christus een volkomen, een door God gegeven en aangenomen Offer is, als mijn hart niet op dit offer vertrouwt, als twijfel en onrust mij vervullen. Helaas! Hoevelen zijn er niet bij wie de vrees nog aanwezig is, die redeneren maar niet geloven, die willen zien, voelen en tasten, maar niet alles willen loslaten om eenvoudig op Gods liefde te vertrouwen.

En toch is er geen reden om te twijfelen. De Israëliet kon rustig de komst van de verderver afwachten, omdat God gezegd had: ‘Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan’ (Exodus 12:13). Onrust zou niet alleen ongeloof, maar verwerping van Gods getuigenis geweest zijn. Zeker, de erkenning moest er zijn dat hij de straf verdiend had, dat het zwaard van de verderver hem rechtvaardig had moeten treffen, maar het lam was in zijn plaats gestorven.

Dat was de vaste grond van zijn vrede. Het oordeel was gekomen over een offer door God uitverkoren, en als hij dit geloofde, kon hij rustig feestvieren binnen zijn huis. Er was geen sprake van verdienste; het eigen ‘ik’, eigen kunnen was helemaal uitgesloten. Zij waren alleen uit genade behouden. En zij behoefden niet te hopen of te bidden behouden te worden, zij waren behouden. Het bloed aan de deurposten en bovendorpel en het woord van God stonden er hun borg voor. Indien één haar van hun hoofd was gekrenkt, zou het woord van God een leugen zijn en het bloed tevergeefs gevloeid hebben.

Zo is het met ons. De Heer Jezus heeft Zijn bloed gestort tot onze verzoening. Hij heeft dat bloed in de tegenwoordigheid van God gebracht. Het getuigenis van God verzekert de zondaar die gelooft, dat alle dingen volbracht zijn; volbracht, niet door zijn waardering van het bloed, maar door het bloed zelf, wat in de ogen van God zo’n waarde heeft dat Hij alle zonden rechtvaardig kan vergeven.

Bij het gevoel van mijn schuld, bij het zien van de rechtvaardigheid van God heeft mijn hart vrede en rust, en kan ik zonder vrees voor God verschijnen. Het bloed van Christus reinigt van alle zonde. Die waarheid, dat getuigenis van God geeft ons vrede. Niet mijn gevoel, of mijn werk, of zelfs mijn geloof kan mij rust geven, want dit verandert iedere dag, maar alleen het bloed van Christus, dat altijd dezelfde waarde blijft houden.

Ook mijn gedachte over het bloed of mijn waardering daarvan geeft mij geen vrede, want net zo min als het bij de Israëliet de vraag was of hij het bloed zag, is het voor mij de vraag of ik het bloed van Christus zie, voel of naar waarde schat. God ziet dat bloed en Hij schat het naar waarde; dat is voldoende. Niet ik, maar Hij moet bevredigd zijn. Is Hij voldaan, dan kan ik het ook zijn. Zou ik niet tevreden zijn, waar Hij het is? Zou ik niet rusten, als Hij mij rechtvaardig verklaart? Zou ik niet gelukkig zijn, als Hij mij alles wat tegen mij is, vergeeft?

Of kan er een vastere grond voor mijn vrede gevonden worden dan het bloed van Christus? Onmogelijk. Geen wereld, geen zonde, geen duivel is in staat dat bloed van zijn kracht te beroven. Daarom kan ik, als ik Gods getuigenis geloof, met de Israëlieten feestvieren en mij verblijden in mijn volkomen aanname door het dierbare bloed van Christus.

Uit: ‘Bode des Heils in Christus’, jaargang 7