De roeping van Paulus

Galaten 1:1

De kracht van zijn roeping

‘Paulus, apostel, niet vanwege mensen, ook niet door een mens, maar door Jezus Christus en God [de] Vader, Die Hem uit [de] doden heeft opgewekt’.
Zoals al in de inleiding is gezegd, zijn de beginwoorden van de brief heel opmerkelijk. In veel andere brieven legt Paulus de nadruk op zijn roeping als dienstknecht en apostel van Jezus Christus, waaraan dan wordt toegevoegd: ‘door de wil van God’. Nergens stelt hij echter het ontbreken van iedere menselijke bekrachtiging zo nadrukkelijk op de voorgrond als hier. Ook de toevoeging ‘Die Hem (Christus) uit [de] doden heeft opgewekt’ is ongebruikelijk en kenmerkend voor de Brief aan de Galaten. Niet alleen miste Paulus’ roeping elk menselijk uitgangspunt, maar de mens was daarbij in geen enkel opzicht als tussenpersoon of als instrument betrokken geweest.

Die roeping was rechtstreeks gebeurd door Jezus Christus. Niet in Jeruzalem, de plaats waar de jonge Saulus woonde en werkte, maar op de weg naar Damaskus, ver van het grote middelpunt van de godsdienstige wereld van die tijd. Dáár was God, de Vader, hem tegengekomen in Zijn Geliefde, Die door Saulus zo vurig gehaat werd, maar Die God uit de doden had opgewekt. Paulus was niet, zoals de andere apostelen, door de op aarde levende Messias in zijn ambt gesteld, maar helemaal los daarvan door de Heer, Die uit de doden was opgewekt en aan de rechterhand van God verheerlijkt was. Zo werd juist dat wat de verleiders als aanleiding gebruikt hadden om Paulus in de ogen van de Galaten te vernederen, een bewijs voor de buitengewone betekenis en kracht van zijn roeping. Met één slag werd daardoor blootgelegd dat de beweringen van deze verkeerde arbeiders ongegrond waren.

Zonder medewerking van mensen

‘Niet vanwege mensen, ook niet door een mens’. De haat tegen Christus had hem er toegebracht de discipelen te vervolgen. Uitgerust met aanbevelingsbrieven en volmachten van mensen was Saulus plotseling op een wonderlijke manier tot stilstand gebracht: een licht uit de hemel had hem omstraald en een stem van boven had tot hem gesproken. Drie dagen later werd er naar deze blind geworden man een boodschapper gezonden, opdat hij weer ziende werd en met de Heilige Geest vervuld zou worden. Maar God had daarvoor niet een op de voorgrond tredende persoon gebruikt, een apostel, of een ‘pilaar’ van de gemeente, maar ‘een discipel’, ‘een Godvrezend man naar de wet’. Deze had hem de handen opgelegd en hem ertoe gebracht zich te laten dopen (Handelingen 9 en 22). God had dus de uiterlijke omstandigheden van de bekering en de roeping van de apostel zo gevormd, dat er voor de mens en zijn doen niet de minste speling overbleef. Alles was niet alleen van de kant van de Heer, maar rechtstreeks ‘door Jezus Christus en God [de] Vader’ gebeurd. En toen later het ogenblik gekomen was dat Paulus als apostel van de volken zijn dienst zou beginnen, ‘zei de Heilige Geest: Zondert Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk waartoe Ik hen heb geroepen’ (Handelingen 13:2). Zo had God ervoor gezorgd dat juist de man die zo’n bijzondere plaats in Zijn werk zou innemen, die de grote heraut van Zijn evangelie en de hoog begenadigde rentmeester van Zijn verborgenheden zou zijn, geroepen was zonder enige medewerking of erkenning van welke vooraanstaande mens dan ook.

God alleen roept

In beginsel is het altijd zo dat de Heer evangelisten, herders en leraars geeft. God werkt alles en in allen; de Geest deelt de gaven uit zoals Hij wil (Efeze 4; 1 Korinthe 12). Trouwe, godvrezende mannen of de geestelijk en moreel gezien oudste broeders in een gemeente kunnen door gemeenschappelijk gebed, misschien ook door oplegging van de handen, hun instemming betuigen met de dienst van een broeder. Zij kunnen hem bijvoorbeeld voor een grote reis of een buitengewoon moeilijk werk aan Gods bijzondere genade aanbevelen, zoals in Handelingen 13:3. Maar dat alles heeft met de roeping tot de dienst niets uit te staan. Vanzelfsprekend moeten wij hierbij niet vergeten dat de dienst en het ambt van een apostel een heel bijzondere zaak was. Immers: de apostelen en profeten van het Nieuwe Testament zouden het fundament vormen van de heilige tempel, waarvan Christus de Hoeksteen is. Deze gaven bestaan al lang niet meer, want de betreffende broeders zijn gestorven nadat het fundament gelegd was.

R. Brockhaus