De reukwerken in de Schrift
Het liefelijke reukwerk van de Naam van Christus is een reuk uit het leven tot het leven voor hen die behouden worden (2 Korinthe 2:15, 16).
Dit reukwerk kan zijn als een wierook, die brandt in het Heilige op het gouden reukofferaltaar (Exodus 30:1, 3, 7, 8) of als een nevel, een rookwolk die omhoog stijgt uit het gouden wierookvat, in het Heilige der heiligen (Leviticus 16:12, 13). Het kan ook zijn als een welriekende olie uitgestort op het heiligdom en de aanbidders; een reukwerk, samengesteld door het vakmanschap van een apotheker of zalfbereider. Het is de liefelijke reuk van dit reukwerk die zonder ophouden opstijgt tot onze God; deze reuk verheugt ook onze harten, wanneer we door het geloof ingaan in het Heiligdom door Hem Wiens Naam is als een olie die uitgestort wordt (Hooglied 1:3).
God wil deze liefelijke reuk niet voor Zichzelf houden. Hij wil dat wij ontdekken welke heerlijke werkelijkheden door deze reukwerken worden voorgesteld. Daarom heeft Hij in de Schrift verschillende reukwerken ontsluierd, opdat wij de goede reuk van Christus zouden verspreiden, en de liefelijke reuk van de Naam die Gods hart verheugt, onophoudelijk tot God zouden doen opstijgen.
Dit heeft mij ertoe gebracht, de aandacht van de heiligen te richten op de betekenis van de verschillende reukwerken in de Schrift; met de wens dat onze harten zich bezighouden met de uitnemendheid van Hem Die hemel en aarde vervult met Zijn oneindige heerlijkheid. Het is duidelijk dat zich grote moeilijkheden voordoen, als wij in deze dingen wensen in te dringen, en dat deze moeilijkheden velen ervan hebben weerhouden zich met dit onderwerp bezig te houden. Er is trouwens ook een gevaar bij, namelijk dat wij er iets van onze eigen gedachten inleggen, wanneer wij in deze heerlijke verborgenheden willen doordringen. Laten we niet vergeten dat God deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen heeft, maar dat Hij ze aan kleine kinderen heeft geopenbaard (Mattheüs 11:25).
Vaak is het al gezegd, dat het Woord zichzelf verklaart, en dat men in het Woord zelf het antwoord moet zoeken op de vragen die gesteld worden bij het lezen ervan. Wij mogen hieraan toevoegen, dat wij, als God Zich bedient van een beeld om ons Zijn gedachten te laten begrijpen, het voorwerp met aandacht moeten beschouwen waarvan dit beeld ons spreekt om ons te onderwijzen.
De Schrift spreekt ons van twaalf reukwerken. Een uitvoerige studie van deze specerijen zou nu te ver gaan. We beperken ons daarom tot het geven van aanwijzingen, die ons kunnen helpen om beter te begrijpen wat deze reukwerken voor ons betekenen.
Alle reukwerken spreken ons zonder uitzondering van Christus; van wat Hij is voor God en ook voor het hart van hen voor wie Hij een reuk uit het leven tot het leven is.
De mirre
Het eerste reukwerk dat in de Schrift wordt vermeld, en dat daarin ook het meest voorkomt, is de mirre.
Om te begrijpen waarvan de mirre ons spreekt, is het noodzakelijk te weten wat de mirre is, en te onderzoeken wat de Schrift ons hiervan zegt.
De mirre komt van het sap dat – hetzij vanzelf, hetzij door gemaakte insnijdingen – als tranen afvloeit uit de schors van een bepaalde struik. Eenmaal aan de lucht blootgesteld, droogt ze op en wordt een hars van een bruinrode kleur, bekend als mirre. Dit hars heeft een zeer bittere smaak en verspreidt een aangename geur. De mirre die vanzelf uit de boom vloeit, wordt vrije of druipende mirre genoemd. Het is waarschijnlijk dezelfde, die in Hooglied 5:5 ‘vloeiende mirre’ wordt genoemd.
De mirre spreekt ons van de liefelijke reuk van de Naam van de Heer Jezus, en wel van de reuk die uitgaat van Zijn lijden; van de tranen die Hij heeft vergoten; van Zijn wonden en striemen. De mirre spreekt van de smart, waarvan profetisch onze Heiland zegt: ‘Is er een smart gelijk Mijn smart, die Mij aangedaan is, waarmee de HEERE Mij bedroefd heeft ten dage van de hittigheid van Zijn toorn?’ (Klaagliederen 1:12). De mirre is dat liefelijke reukwerk dat opgestegen is tot de troon van God, toen de Heer Jezus op aarde ‘de Man van smarten’ was. En hoe te spreken van de voldoening die het hart van God vervulde, toen Hij in die ‘Man van smarten’ al Diens uitnemendheid zag? En toen Hijzelf Hem stelde onder het kruislijden; toen het God behaagde, Hem te verbrijzelen? De mirre vinden we van de kribbe tot na het kruis. Wijzen uit het Oosten zijn gekomen. Eén van de schatten die zij brachten was mirre; zij brachten het tot Hem Die zou sterven op Golgotha. En het is een mengsel van mirre en aloë van ongeveer honderd pond, dat Jozef van Arimathéa en Nicodemus met het lichaam van de Heer Jezus in linnen doeken hebben gewikkeld, toen zij het gelegd hadden in een nieuw graf; een graf dat het verderf niet had gekend en waaruit slechts een liefelijke reuk is opgestegen, een goede reuk; een graf dat niets zal moeten teruggeven op de dag van de opstanding van alle ontslapen heiligen. De mirre wordt als eerste genoemd onder de welriekende specerijen in de samenstelling van de heilige zalfolie, die uitgestort werd op het heiligdom, op alle heilige voorwerpen en gereedschappen en op Aäron en zijn zonen de priesters (Exodus 30:23-31).
De olie is hier een beeld van de Heilige Geest, met Wie wij gezalfd zijn (vergelijk 1 Korinthe 12:13; 2 Korinthe 1:21, 1 Johannes 2:20).
De Heilige Geest getuigt in het huis van God tegenover al de aanbidders, van Christus Die geleden heeft. Het lijden van Christus is de onmiddellijke grondslag van al onze zegeningen en van de vervulling van al de raadsbesluiten van God. Als we door de Geest indringen in deze heerlijke verborgenheden, voelen we dat we ons op heilige grond bevinden, en kunnen we ons slechts in het stof neerbuigen en aanbidden. Hij heeft geleden – dit is het eeuwige onderwerp van de lofzeggingen van de vrijgekochten.
God is door het lijden van Christus duizendmaal meer verheerlijkt, dan wanneer de zonde nooit in de wereld gekomen was. Wat een ondoorgrondelijk heilgeheim! Wij begrijpen daarom dat de Heer, als Hij zal komen in Zijn majesteit en heerlijkheid om de troon van Zijn heerlijkheid op te richten, kleren zal dragen die geheel zijn doordrongen van de geur van mirre en aloë en kassie (Psalm 45:9). Is het een wonder, dat de beschrijving van Zijn heerlijkheid als koninklijke Bruidegom als het ware doortrokken is van de liefelijke geur van de mirre? De mirre wordt juist in het Hooglied zevenmaal vermeld (Hooglied 1:13; 3:6; 4:6; 4:14; 5:1; 5:5; 5:13). Hij, de Verheerlijkte, is Degene Die geleden heeft, om als zodanig in Zijn heerlijkheid te kunnen ingaan.
Op een verborgen, maar schitterende wijze spreekt de mirre in de geschiedenis van Jozef van onze Heer; zowel in het begin van Jozefs lijden (Genesis 37:25) als aan het eind, wanneer hij al verheerlijkt is (Genesis 43:11). De mirre wijst ons dus op onze Heer, Die door lijden tot heerlijkheid is gegaan. Het is de moeite waard, deze dingen te onderzoeken en te overdenken. Tot in alle eeuwigheid zullen wij Hem aanbidden, Die op Zijn troon de tekenen van de wonden zal dragen die Hem geslagen zijn in het huis van hen die Hem liefhebben (vergelijk Zacharia 13:6).
Liefelijke offergeuren stegen van het kruis omhoog,
waar het Lam in peilloos lijden in het stof des doods Zich boog.
Willig gaf de Zoon Zich over, welbehaag’lijk in Gods oog.
(Lied 176:1 uit ‘Geestelijke Liederen / Lofzangen en Geestelijke Liederen’)
Kaneel
In Exodus 30 vinden wij het reukofferaltaar, de heilige zalfolie en het allerheiligste reukwerk van welriekende specerijen. De specerijkaneel is het tweede reukwerk dat hier als bestanddeel van de heilige zalfolie wordt genoemd.
De kaneelboom is een sterke, mooie boom, die altijd schitterend groen is. De specerijkaneel wordt vermeld in Exodus 30:23 en in Hooglied 4:14. Specerijkaneel is welriekende kaneel, in de Schrift het nauwst verbonden met de kalmoes, het welriekend riet. Als we ons met dit laatste bezighouden, zullen we zien waarom dit zo is.
De kaneelboom is in de Schrift de reukverspreidende boom. Er gaat een aangename geur van uit, die zich tot in verre omtrek verspreidt. Zijn schors levert ons de specerijkaneel, de welriekende kaneel, die als tweede specerij genoemd wordt in de bereiding van de heilige zalfolie. Hierdoor wil God ons nog iets doen kennen van de uitnemendheid van Hem Wiens Naam een reuk is die zich tot in verre omtrek verspreidt.
In Zijn volmaakt leven als Mens op aarde is Hij zonder ophouden een reukwerk van welriekende reuk geweest, dat opsteeg naar de troon van God. Een volmaakt Mens, in Wie God al Zijn welbehagen gevonden heeft, en dat te midden van een wereld waarin alles verdorven was door de zonde!
Bij de kaneelboom gaat het niet om het lijden van Christus, zoals in het reukwerk van de mirre, maar om heel Zijn schoonheid als Mens, om al de volmaaktheid van Zijn wezen, om de algehele uitnemendheid van Zijn Persoon. Het is op Hem dat de Heilige Geest heeft kunnen neerdalen, vanwege Zijn eigen volmaaktheden. Hij is het, Die de hemel met bewondering heeft kunnen vervullen en van Wie de Vader heeft kunnen zeggen: ‘Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen gevonden heb’.
Een Mens Die heeft kunnen opvaren ten hemel, na te zijn neergedaald in de diepten van de dood! Waar is een mens te vinden, aan Hem gelijk?
‘Dierbare Heer Jezus! Het reukwerk van Uw Naam vervult het heiligdom, het verheugt het hart van God, en het maakt onze vreugde en blijdschap uit, reeds nu hier op aarde!’
H.R.
Kalmoes
De kalmoes is de derde welriekende specerij die in Exodus 30:23 wordt vermeld, als behorende tot de samenstelling van de heilige zalfolie. Het is zeer waarschijnlijk hetzelfde als de beste kalmoes, die uit Scheba zou komen (Jeremia 6:20), wat ook wel vertaald wordt met ‘het zachte riet’, wat wijst op een zeer buigzame, zoetgeurende rietsoort. Het gehele riet verspreidt een aangename geur, maar in het bijzonder de wortel. Het is deze wortel, waarvan het binnenste blank-roze bestanddeel gebruikt werd in de reukwerkbereiding. Het was een welbekend reukwerk sinds oude tijden bij de oosterlingen. Het woord ‘riet’ doet ons denken aan het woord van de Heer betreffende Johannes de Doper: ‘Wat bent u in de woestijn gaan aanschouwen? Een riet door wind bewogen?’ (Mattheüs 11:7).
Een riet … een beeld van wat de mens is in zijn zwakheid: door de geringste wind heen en weer bewogen en zonder ophouden bestemd om zich neer te buigen onder de slagen van tegenspoeden. De tegenslagen op de weg in onze omstandigheden doen ons bij de geringste wind neerbuigen naar de grond, net zoals het riet.
Dit welriekende riet is een kostelijk beeld van Hem Die zachtmoedig was en nederig van hart.
We kunnen dat veel gemakkelijker beschouwen en bewonderen dan verklaren. Wij zien er de stralen in van de heerlijkheid van Hem Die, toen Hij in de wereld was, blootgesteld is geweest aan al de gevolgen van de zonde, terwijl Hij geheel en al de volmaakte Mens was Die geen zonde gekend noch gedaan heeft; Die hier de tegenstand ontmoet heeft van de overste van de macht der lucht en van al zijn dienaren, en Die verlaagd en vernederd is geworden. Hij heeft moeten zeggen: ‘Bewaar mij, o God, want Ik vertrouw op U’ (Psalm 16:1). Dwars door al de tegenstand heen die Hij hier beneden ontmoette, heeft Hij slechts de zoete en aangename reuk van de volmaakte Mens verspreid.
Naarmate de tegenstand heviger werd en de stormen van de haat op Hem aankwamen, in die mate verspreidde dit reukwerk zich en steeg op voor God als een aangename reuk. Het was niet alleen op de stormachtige zee, dat de wind Hem tegen was, maar Hij was altijd blootgesteld aan heel de tegenstand van een wereld die God-vijandig is. Deze wind verspreidde niettemin, ja daarom juist des te meer, de gezegende reuk van Zijn Naam.
We hebben hiervóór al opgemerkt dat het kaneel en de kalmoes (het welriekende riet) in Exodus 30:23 en in Hooglied 4:14 innig met elkaar verbonden zijn. In dit laatste gedeelte worden alle reukwerken twee aan twee vermeld. Deze eenvoudige bevestiging vergemakkelijkt ons onderzoek dat we naar dit onderwerp kunnen doen; wij zullen hierop later terugkomen. Maar voor het ogenblik beperken wij ons ertoe, vast te stellen dat in de genoemde gedeelten deze twee reukwerken zich als een tweetal samen bevinden, en dat zij in Exodus 30:23 inderdaad één geheel vormen, omdat zij samen hetzelfde gewicht hebben (namelijk vijfhonderd sikkels) als elk van de twee andere reukwerken die in dit vers vermeld worden, te weten de zuiverste mirre en de kassie. Het welriekende kaneel is, zoals we gezien hebben, het reukwerk dat de geur van de volmaakte mensheid van Christus doet uitstromen. En juist deze volmaaktheden deden Hem de tegenstand van de wereld ontmoeten en trokken de haat van de zondige en boze mensen tot Hem. En dat is nu precies waarvan ons het reukwerk van het welriekende riet spreekt. De scherpe noordenwind verspreidde tot in de verre omtrek de liefelijke reuk van het riet, dat stevig geworteld was in het Woord; dat Woord dat al Zijn vreugde was en Zijn enige levensregel was voor Zijn gedrag in alle dingen. Ja, de mirre, het kaneel en de kalmoes zijn voor het hart van God en voor het hart van de Zijnen wel de uitnemendste reukwerken! De kunst van de reukwerkbereider is bewonderenswaardig!
Kassie
Het vierde reukwerk dat ons rest om te overdenken als onderdeel van de olie van de heilige zalving, is de kassie. De geleerde plantkundigen zeggen ons, dat de kassie de vrucht is van een grote, prachtige boom.
En daarover verwonderen wij ons in het geheel niet, want alles wat ons van Christus kan spreken, is noodzakelijkerwijs groot en heerlijk. Alles in Zijn aanbiddelijke Persoon spreekt van grootheid en schoonheid, zingen wij soms in een lied. Vele oude schrijvers uit de wereld spreken van de kassie als een zeer gewaardeerd reukwerk. En niet alleen bij de mensen stond de kassie hoog aangeschreven, maar ook bij God, Die haar geschapen heeft en Die gewild heeft dat de kassie één van de reukwerken werd van Zijn heiligdom, een reukwerk dat Hem zou spreken van Zijn veelgeliefde Zoon.
Drie gedeelten waarin we de kassie vinden zijn voldoende om ons te doen begrijpen welke heerlijkheid van Christus door deze specerij wordt weergegeven.
Met de mirre, het kaneel en de kalmoes vinden we in Exodus 30:24 de kassie als één van de uitnemendste reukwerken die deel uitmaakten van de heilige zalfolie.
In de tweede plaats vinden we de kassie in Job 42:14-15. De Heilige Geest geeft ons daar de namen van de drie dochters van Job en spreekt ons van hun buitengewone schoonheid. Hij noemde de naam van de eerste Jemima (= duif) en de naam van de tweede Kezia (= Kassie, dat is schoonheid) en de naam van de derde Keren-Happuch (= hoorn of doos met reukwerken of specerijen). Zulke mooie vrouwen als de dochters van Job werden er in het hele land niet gevonden; en hun vader gaf hun een erfdeel onder hun broeders. De Heilige Geest noemt deze namen – laten wij dat niet vergeten – om ons te onderwijzen en op te bouwen. En dan aanschouwen wij Hem in Zijn schoonheid, waarvan ons de namen van de dochters van Job spreken.
De kassie, vrucht van een mooie, prachtige boom, spreekt ons van Hem Die de schoonheid zelf is. De kassie van het heiligdom is dus een beeld van de geur die zich verspreidt, niet meer van een lijdende en vernederde Christus, maar van een Christus Die in al Zijn heerlijkheid en schoonheid staat te komen, zoals de profeet Jesaja het zo mooi gezegd heeft: ‘Uw ogen zullen de Koning aanschouwen in Zijn schoonheid’ (Jesaja 33:17).
Daarom vinden we de kassie ook in het derde gedeelte, in de welbekende Psalm 45, in vers 9: ‘Al Uw klederen zijn mirre en aloë en kassie…’ Hij komt als Overwinnaar in Zijn majesteit en in Zijn heerlijkheid op de roemrijke wagen van Zijn heerschappij, om Zijn regering van gerechtigheid en vrede te vestigen. Wat is dat mooi! Al Zijn klederen zijn mirre en aloë en kassie, als Hij komt uit de ivoren paleizen! Laten wij stilstaan, ons neerbuigen in het stof en Hem aanbidden! Hij is nog oneindig veel heerlijker dan Jozef, toen deze op zijn wagen door Egypte reed, voor wie men uitriep: ‘Kniel!’ (Genesis 41:43).
O, die reuk van de Naam van de Heer Jezus, van onze Heer Jezus! ‘Omdat Hij uw Heere is, buig u voor Hem neer!’ (Psalm 45:12b).
Met de kassie sluit de lijst van de reukwerken af die deel uitmaken van de heilige zalfolie. Deze olie werd uitgegoten op het aardse heiligdom, een tegenbeeld van het ware. Al de gereedschappen van het heiligdom werden gezalfd met deze kostelijke olie, evenals Aäron en zijn zonen, de priesters. Dit is voor ons een beeld van het getuigenis van de Heilige Geest over dat wat de goede reuk van Christus is voor God. Deze goede reuk vervult het heiligdom, doordringt alle dingen die in de heilige plaats zijn; deze reuk rust op al de Zijnen, die in elke plaats in deze wereld ‘de welriekende reuk’ van Zijn Naam moeten openbaren (2 Korinthe 2:14-16).
Het heilig reukwerk
Zie het artikel Het heilig reukwerk.
Deze artikelenserie is eerder verschenen in ‘Le Messager Evangélique’ en is van de hand van broeder Alfred Guignard.