De rechterstoel van God en van Christus
Bij mijn weten wordt de uitdrukking ‘De rechterstoel van God’ of ‘De rechterstoel van Christus’ alleen gebruikt in Romeinen 14:10 en 2 Korinthe 5:10. In de eerstgenoemde Schriftplaats gebeurt dat met het oog op het voorkómen van het persoonlijk oordelen van elkaar. Het doel van de tweede Schriftplaats is ons op te wekken goed te doen. Het onderwerp op zichzelf is één van de meest ernstige en tegelijk ook één van de meest gezegende onderwerpen en dit des te meer wanneer wij het juist verstaan.
Ik geloof dat elke daad uit onze levens dan geopenbaard zal worden voor de rechterstoel, al naar de genade van God en Zijn wegen met ons in verbinding met onze eigen daden dan gekend zullen zijn. Wij lezen in Romeinen 14:12 ‘Dus zal <dan> ieder van ons voor zichzelf rekenschap geven <aan God>’ en het Woord noemt in dit gedeelte de rechterstoel in verbinding met de vermaning aan de broeders om elkaar niet te oordelen vanwege dagen, spijzen of enig ander dergelijk ding. Ik ben geneigd te denken dat alleen de daden geopenbaard zullen worden. Maar al de eigen daden in ons leven, ook die waar anderen niets van weten, zijn zo nauw verbonden met onze innerlijke gevoelens, dat het, in zekere zin, moeilijk is onderscheid te maken tussen de daden en de gedachten op zich.
De daden openbaren de macht van de gedachten of van de gevoelens. Ik geloof dat het geheel van onze daden daar, voor de rechterstoel, tot in bijzonderheden zal worden getoond. Dit gebeurt voor ons echter niet alsof wij in het vlees zouden zijn en dus tot onze veroordeling, maar om aan onze eigen ogen duidelijk de genade te laten zien die zich met ons heeft beziggehouden, zowel toen wij wedergeboren als toen wij nog niet wedergeboren waren. In Gods raadsbesluiten ben ik uitverkoren van vóór de grondlegging van de wereld.
Daarom denk ik dat mijn eigen geschiedenis voor de rechterstoel tot in details geopenbaard zal worden en parallel hieraan de geschiedenis van de genade en de barmhartigheid van God voor mij. Waarom en hoe wij dit of dat deden, zal dan geopenbaard worden. Voor ons zal dat tafereel verklarend en niet gerechtelijk zijn. We staan niet in het vlees voor God. Wij zijn door Zijn genade in Zijn ogen gestorven. Maar als wij naar het vlees gewandeld hebben, zullen wij daar moeten zien hoeveel zegeningen wij daardoor verloren hebben en wat voor grote verliezen wij door eigen schuld hebben geleden.
Aan de andere kant zullen de wegen van God met ons, die altijd wegen vol wijsheid, barmhartigheid en genade zijn, voor het eerst volkomen door ons gekend en verstaan worden. De levensloop van iedereen zal dan geheel doorzichtig zijn. Er zal gezien worden hoe u zwichtte en Hij u bewaarde, hoe uw voet uitgleed en Hij u weer oprichtte, hoe dicht u bij gevaar en schande kwam en Hij door Zijn eigen sterke arm tussenbeide kwam.
Ik geloof dat dit overeenkomt met de bruid die zichzelf gereed maakt en ik beschouw dat als een wondervol ogenblik. Er zal dan geen vlees meer zijn dat veroordeeld moet worden, maar de nieuwe natuur zal dan ingaan in de volle kennis van de zorg en van de liefde die, in ware heiligheid en gerechtigheid en zelfs in genade, ons stap voor stap gevolgd hebben gedurende heel onze wedloop in de renbaan. Sommige gedeelten van ons leven die tot dan toe geheel onverklaarbaar waren zullen volledig onthuld en volkomen duidelijk worden. Sommige neigingen van onze natuur zullen dan volmaakt duidelijk in het licht gesteld worden, neigingen die wij misschien niet als zó verderfelijk en dodelijk hebben beschouwd als zij in werkelijkheid zijn, waardoor wij mogelijk nu aan een door ons niet juist beoordeelde tuchtiging onderworpen zijn, opdat wij die neigingen zouden doden. En wat meer is, wij zullen dan zien dat juist de struikelingen die ons nu onderdompelen in zo’n bittere smart, de middelen zijn geweest die door God werden gebruikt om ons voor iets nog veel verschrikkelijkers te bewaren.
Ik denk niet dat wij ooit vóór die tijd een volkomen kennis zullen hebben verkregen van de verdorvenheid van ons vlees. Hoe gezegend is het voor ons te weten dat dan naar het raadsbesluit van God niet alleen alles van het vlees voorgoed voorbij is, maar dat dan ook het vlees ons niet langer zal aankleven! Aan de andere kant twijfel ik er niet aan dat de openbaring van de genade van God voor ieder van ons persoonlijk zo schitterend, groots en indrukwekkend zal zijn, dat zelfs het besef van de verdorvenheid van het vlees dat wij hadden (als dit daar al zou kunnen binnendringen) buitengesloten zal zijn door de grootheid van het bewustzijn van de overweldigende goedheid van God!
Waarom loochenen en doden wij het vlees dan niet als wij aan dat uur denken?
Moge de Heer geven dat wij dit meer en meer zullen doen, tot verheerlijking van Zijn genade!
Dit grote onderwerp van de rechterstoel brengt de ziel tot een werkelijk volledige kennis van onze persoonlijke positie voor God.
J.N. Darby