De openbaring van verborgen schatten
In de schatkamer van het huis van de Vader worden de diepe en kostbare dingen van de eeuwigheid bewaard, ongezien door het menselijk oog en ongekend voor het menselijk hart. Al de ‘verborgen dingen zijn voor de Heere, onze God’ (Deuteronomium 29:29), die naar Zijn welbehagen openbaart wat Hij wil en aan wie Hij wil.
We zijn op dit ogenblik niet bezig met de openbaring van de wegen van Jahweh met de mens in de regering van de aarde. Boven en verder dan deze plannen gaan de waarheden die betrekking hebben op het wezen van God, die noodzakelijkerwijs voor de ogen en het hart van het schepsel zijn verborgen. Wat God is moet wel persoonlijker en diepzinniger zijn dan wat Hij doet; ‘Is dat niet bij Mij opgeborgen, verzegeld in mijn schatten?’ (Deuteronomium 32:34).
In de nieuwtestamentische dagen waren veel uitgelezen schatten van hemelse wijsheid en kennis aangaande God en zijn Zoon geopenbaard. Zelfs toen was deze bovennatuurlijke kennis verborgen voor de wijzen en verstandigen van de aarde, maar zij was door de Vader, de Heer van de hemel en de aarde, geopenbaard aan de ‘kleine kinderen’ (Mattheüs 11:25). Zo behoren de rijkdommen van Gods laatste openbaringen tot de ‘verborgenheid’, de waarheid omtrent Christus en de gemeente, die aan Paulus is toevertrouwd (zie Kolosse 2:2, 3). De gemeente is nu tot de bewaarder gemaakt van die bovennatuurlijke waarheden, die tot dusver in de hemelse bewaarplaatsen geheim gehouden werden. We beschrijven in het kort de volgende waarheden die dit karakter dragen en die onder vele andere zijn geopenbaard.
Gods eeuwig voornemen en genade zijn nu geopenbaard
We zien in 2 Timotheus 1:9-10 dat Paulus Gods voornemen en genade meedeelt, die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden van de eeuwen. De tijd van deze openbaring kwam niet vóór de Messias Zich naar de belofte en volgens de profetieën aan Israël had voorgesteld en door het volk was verworpen en gekruisigd. De ‘besloten raad en voorkennis van God’ zijn vooruitgelopen op deze boze weigering van hun koning en redder. Daarom had God een beter voornemen vanaf het begin. Als de schanddaad van de mens de invoering van de beloofde zegen voor de aarde zou tegenwerken, vatte God het plan op om de sluizen van zijn genade open te zetten en geestelijke zegeningen te geven in de hemelse gewesten in Christus Jezus. Gedurende de tijden van de eeuwen werd het stilzwijgen bewaard over deze voorgenomen hemelse roeping van de gemeente, maar nu is het kostbare hemelse geheim geopenbaard, dat al door de profetische geschriften was aangekondigd (zie Romeinen 16:25-27).
In Christus Jezus is het leven nu geopenbaard
De apostel Johannes was door de Heilige Geest uitverkoren om in zijn geschriften de tegenwoordige openbaring van het leven in Christus Jezus uiteen te zetten. We treffen hier weer de term openbaring aan: ‘het leven is geopenbaard’ (1 Johannes 1:2). Het was geen leven dat pas ontstaan was, maar het was een leven dat eeuwig in de Zoon bestond en verborgen is geweest tot het moment dat het geopenbaard werd. Het karakteristieke kenmerk van dit leven is ‘gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus’ (1 Johannes 1:3); en deze gemeenschap is voor ons!
Hier zien we een ander onschatbaar geheim, dat voortgekomen is uit de schatkamers van de eeuwigheid en nu voor de familie van God is ontsloten. Het met de zonde besmette leven was op aarde sinds de dagen van Adam, maar niemand had dat eeuwige leven gezien dat bij de Vader was, vóórdat het tentoongesteld was in de Zoon die mens werd. Dat eeuwige leven was altijd bij de Vader, maar is in deze laatste dagen onder de mensen geopenbaard door Hem die ‘de waarachtige God en het eeuwige leven’ is.
Dit leven bestond altijd al, want het was ‘in de Zoon’, maar het was voor de mens verborgen totdat het geopenbaard was, waarvan Johannes getuigt, sprekend voor zichzelf en zijn mede-getuigen: ‘het leven is geopenbaard en wij hebben gezien en getuigen en verkondigen u het eeuwige leven dat bij de Vader was en ons geopenbaard is’ (1 Johannes 1:2).
De liefde van God is nu geopenbaard
De liefde van God, die in het evangelie wordt aangekondigd, is niet pas onlangs ontstaan. Het was verborgen, maar is nu geopenbaard. Johannes staat bij dit aspect van liefde stil. Hij onderwijst ons dat ‘de liefde uit God is’ en dat ‘God liefde is’ (1 Johannes 4:7, 8). God Zelf is de oorsprong, de oerbron van de liefde: Hij is liefde.
Als het nu zo is, dat Gods eigen natuur liefde is, dan is de liefde van God onnaspeurlijk, onbegrijpelijk en ontoegankelijk voor het schepsel, zoals de Goddelijke natuur noodzakelijkerwijs dat ook moet zijn. Maar in onze dagen zijn de heerlijkste schatten uit het huis van de Vader geopenbaard, want ze zijn op een gepaste en heerlijke wijze door de mens geworden Zoon tentoongesteld. ‘Hierin is de liefde van God ten opzichte van ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat wij zouden leven door Hem’ (1 Johannes 4:9).
Wat de gevolgen ervan voor ons betreft, is deze openbaring erg eenvoudig en bijzonder gezegend. Hoe leren Gods kinderen de liefde van God kennen die op hen rust en die hen raakt? Zij nemen haar in zich op als zij erover nadenken en haar daar beschouwen waar zij alleen is en kon worden geopenbaard -in de Persoon van de eniggeboren Zoon van God.
W.J. Hocking.