De lijdende Heiland

Psalm 22 beschrijft in levendige woorden de kruisiging van de Heer Jezus Christus. Het taalgebruik in deze psalm is zorgvuldig gekozen en uiterst nauwkeurig. Omdat de kruisiging geen Joodse vorm van bestraffing was, is het opvallend dat David in bijzonderheden de ervaringen van een stervende kon beschrijven die stierf door de kruisiging zoals deze door de Romeinen in de praktijk werd toegepast. Psalm 22 beschrijft vier verschillende vormen van lijden van de Heer Jezus, toen Hij aan het middelste kruis hing.

‘Vele stieren hebben Mij omringd’ (vers 13)

Dit brengt de haat en vijandschap van de leiders van de Joden tot uitdrukking. Tijdens Zijn weg van onderwerping aan de wil van Zijn Vader ondervond Hij voortdurend hun haat en vijandigheid. Maar aan het kruis stak de bitterheid van hun woede als een storm op tegen de Heiland, Die hun niet dreigde noch enige tegenstand bood. De Heer Jezus werd gesmaad, veracht, beschimpt en belasterd. Hij Die daar alleen leed, werd overladen met elke vorm van spotternij.

‘Honden hebben Mij omsingeld’ (vers 17)

Dit beschrijft de wreedheid en ongevoeligheid van de volken. Pilatus toonde zijn harteloosheid tegenover de Zoon van God en zijn soldaten bespotten Hem in hun onwetendheid aangaande Wie Hij was. Kan er iets walgelijker zijn dan deze soldaten die in de schaduw van het kruis dobbelen om de kleding van de Zoon van God? Dit vers 17 spreekt ook van de wreedheid van het doorboren van Zijn handen en voeten met spijkers: ‘Zij hebben Mijn handen en mijn voeten doorboord’. Andere verzen laten nauwkeurig andere bijzonderheden van Zijn lichamelijk lijden zien.

‘Verlos Mij uit de muil van de leeuw’ (vers 22)

Dit herinnert ons eraan dat de macht van de satan werkzaam was bij de kruisiging. De macht van de duisternis was kwaadwillig en boosaardig. De woorden van de Heer: ‘De overste van de wereld komt en heeft in Mij niets’ (Johannes 14:30) waren waar in Gethsemane en eveneens waar op Golgotha. De heilige Lijdende uitte geen woorden van wraak over hen die Hem kwelden, en Hij deed niets dat niet in overeenstemming was met de wil van Zijn Vader. Hij was gekomen om die wil te doen, en de satan had geen macht tegen Hem.
De haat van de Joden, de wreedheid van de volken en de macht van de satan waren alle verenigd tegen de Heer Jezus. Toch was de beker van het lijden van de Heiland hiermee niet geheel gevuld. Om het werk van de verzoening te volbrengen moest Hij een vierde vorm van lijden verdragen: het verlaten zijn van God.

‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’ (vers 2)

Tot op het kruis ondervond de Mens Christus Jezus voortdurend en ononderbroken de gemeenschap met Zijn Vader. Maar nu werd Hij door Zijn God verlaten. Waarom? Omdat dit het uur was waarvoor Hij in de wereld gekomen was. Het vraagstuk van de zonde moest worden opgelost, opdat de wil van God werd volbracht. Het leven van de Heer Jezus was volmaakt, maar Zijn heilig leven kon de zonde niet wegnemen. Hij moest ‘tot zonde’ worden gemaakt, tot precies datgene wat God haatte, opdat wij gerechtigheid van God in Hem zouden worden (2 Korinthe 5:21). De heilige God moest Zijn aangezicht afwenden toen de mens geworden Zoon van God het ware Zondoffer werd. Het was deze verlatenheid die de heilige lippen van de Heiland ertoe brachten de woorden uit te spreken: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’ Wat een afschuwelijke noodzaak! Hierin was Hij werkelijk alleen. Niemand kon Hem helpen. Het werd aan geen oog toegestaan om dit verschrikkelijk lijden te zien: duisternis bedekte de aarde (Mattheüs 27:45). Wie kan de omvang en diepte van het lijden van Christus begrijpen of doorgronden? De ene vloedgolf van lijden na de andere vloedgolf van lijden kwam neer op het hoofd van de verlaten en eenzaam lijdende Man van smarten. ‘Uw grimmigheid leunt op Mij, U hebt Mij neergedrukt door al Uw golven’ (Psalm 88:8). Eindelijk waren de golven en baren van Gods toorn en het dragen van de zonde ten volle doorstaan. Toen sprak de Heiland als Overwinnaar met kracht de woorden ‘Het is volbracht’ (Johannes 19:30). Al had smaadheid het hart van de Heiland gebroken (Psalm 69:21), er kwam Gode zij dank een passend antwoord: Hij werd verhoord door God, Die Hem uit de dood kon verlossen. ‘Ja, U hebt Mij verhoord van de horens van de eenhoornen’ (Psalm 22:22, JND-vertaling). Op dit punt verandert de toon van de Psalm van lijden in overwinning.

Iedere zegen die het schepsel van God ontvangt, is afhankelijk van de dood van onze Heer Jezus Christus. De tarwekorrel heeft ‘veel vrucht’ gedragen (Johannes 12:24). Wat een overweldigend antwoord en een verreikende vrucht heeft de dood van Christus voor God en Hemzelf bewerkt! De Gemeente zowel als Israël en de volken in het koninkrijk zullen vol zijn van aanbidding voor God en Zijn Zoon. Wat een heerlijk einde van Psalm 22: – ‘want Hij heeft het gedaan’!

(Grace and Truth, april 1996)
Frank Wallace


Liefde, U moest spottaal horen,
die U drong door merg en been;
ja, U droeg voor ons Gods toren,
U voor allen, U alleen.
Welk een beker moest U drinken
op het schrikk’lijk Golgotha.
Daar liet Ge U aan ’t kruishout klinken,
daar aanbidden we Uw genâ.

(Lied 120:2 uit ‘Geestelijke Liederen / Lofzangen en Geestelijke Liederen’)