De Hof van Eden

We willen in dit artikel onze blik richten op wat heel ver terug ligt, aan het begin van de geschiedenis van de mensheid. God had de mens naar Zijn beeld geschapen: ‘Toen vormde de HEERE God de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen’ (Gen. 2:7). En daarna ondernam God nog iets buitengewoon belangrijks. De volgende verzen in Genesis 2 delen ons dat mee.

‘Ook plantte de HEERE God een hof in Eden, in het oosten, en Hij plaatste daar de mens, die Hij gevormd had. En de HEERE God liet allerlei bomen uit de aardbodem opkomen, begerenswaardig om te zien en goed om van te eten; ook de boom van het leven, in het midden van de hof, en de boom van de kennis van goed en kwaad’ (Gen. 2:8-9).

‘Eden’ betekent ‘welgevallen’, ‘vreugde’. Het was een oord van vreugde, van lieflijkheden. God Zelf heeft in Zijn liefhebbende zorg de tuin geplant. Hoe lieflijk de aarde ook was (en alles wat God gemaakt had, was ‘zeer goed’), de tuin van God overtrof toch alles.

Alleen de naam Eden spreekt al van een vreugde, waarin alles gevonden werd om te dienen tot het natuurlijke geluk van de in onschuld levende mens. Iedere boom die ‘begerenswaardig om te zien en goed om van te eten was’, was er te vinden. En in deze tuin werd de mens geplaatst ‘om die te bewerken en te onderhouden’ (Gen. 2:15), een principe dat tot op vandaag nog geldt. Altijd geeft God de mens iets wat Hij hem toevertrouwt, opdat hij het bewaart. En verder: omgeven door het allerbeste moest de mens in deze tuin ook aan een morele beproeving onderworpen worden. Hij zou voor een mislukking geen enkele verontschuldiging hebben!

Dat deze tuin werkelijk op aarde geweest is, maken de namen van minstens twee rivieren duidelijk, die vandaag nog onder deze naam bekend zijn: Tigris (Hiddekel) en Eufraat (Gen. 2:14). Heel onthullend zijn latere vermeldingen van ‘de Tuin van God’ als verwijzing naar volmaakte schoonheid (Gen. 13:10; Jes. 51:3; Ezech. 28:13; 31:8-9). Uit de naamsvermeldingen van de rivieren leidt men af dat het paradijs zich vermoedelijk in het hoogland van het huidige Armenië bevonden heeft.

Twee dingen kenmerkten de Tuin van God. Enerzijds bevonden zich daar twee bijzondere bomen, de boom van het leven en de boom van de kennis van goed en kwaad. Anderzijds liep er in Eden een waterstroom om de tuin te bevloeien. Zo echt en werkelijk als deze dingen, door God geschapen, toen bestonden, zo waar is het ook dat ze verder nog een symbolische, zinnebeeldige betekenis hebben. 

De boom van het leven is, vooruitziend, een beeld van Christus, en de stroom spreekt van de Geest van God, van de levende stroom van de genade van God. Dat wordt bevestigd wanneer wij bij de laatste bladzijde van de Bijbel komen en in de beschrijving van de hemelse stad een stroom van levend water en de boom van het leven vinden (Openb. 22:1-2). Maar al op de eerste bladzijden van het heilige Boek spreekt God er profetisch over. En dat maakt op indrukwekkende manier duidelijk, dat God van het begin af Christus op het oog had en in Hem iets groots, iets beters voor de mensen bedoeld had dan alles wat er in de natuur gevonden kon worden.

De boom van het leven en de boom van de kennis van goed en kwaad 

Van deze beide bomen weten we alleen, dat de ene in het midden van de tuin stond en dat de mens van de andere niet mocht eten (Gen. 2:17).

Zo kunnen wij ons onmiddellijk wenden tot de geestelijke betekenis ervan. De mens Adam bezat al leven, natuurlijk leven. Waarom dan nog de boom van het leven midden in de tuin? Nu, het was de aanduiding en belofte van iets beters en groters dan al het goede, waarmee God Adam omgeven had. Vindt het niet zijn nieuwtestamentische equivalent in ‘de hoop van het eeuwige leven’, dat God voordat de zonde kwam, reeds ‘vóór de tijden van de eeuwen’, beloofd heeft (Titus 1:2)? 

De boom van de kennis van goed en kwaad was er ook. Dat de mens van deze boom niet moest eten, geeft aan dat de kwestie van goed en kwaad alleen door God opgelost kan worden. De mens was niet bevoegd die op te pakken. Het betekende voor hem de dood als hij ervan zou eten. God alleen kent goed en kwaad, Hij alleen kan het volkomen overzien. De mens kon deze kennis alleen krijgen als hij van die boom zou eten en zo een zondaar zou worden.

Men heeft deze boom treffend de ‘boom van de verantwoordelijkheid’ genoemd. Inderdaad is de mens in verband met deze boom en het gebod er niet van te eten onder verantwoordelijkheid gesteld – namelijk de verantwoordelijkheid om God, de Schepper, te gehoorzamen. De mens heeft gefaald, heeft de slang meer vertrouwd dan zijn Schepper. Als resultaat daarvan werd hem de toegang tot de boom van het leven ontzegd (Gen. 3:24).

Hoe desastreus de zonde van de eerste mens uitgewerkt heeft, kunnen we tot op vandaag zien: de dood is tot alle mensen doorgedrongen (Rom. 5:12).

Twee bomen – één Christus

Nu wijzen beide bomen in de Hof van Eden op onze Heere Jezus Christus – op Hem, Die eens aan het kruis hing. Daar aan het kruis heeft Hij de plaats van de zondaar ingenomen en de vraag van God over de verantwoordelijkheid van de mens volkomen beantwoord. Als de Gestorvene en Opgestane is Hij ook de ‘Boom van het Leven’ geworden voor allen die in Hem geloven. Deze grote waarheid wordt in het beeld zo aangeduid, dat de boom van het leven en de boom van de kennis van goed en kwaad direct na elkaar vermeld worden, dat ze als het ware ‘bij elkaar’ staan.

Inderdaad zien wij aan het kruis van Christus de beide bomen bij elkaar gebracht. Goed en kwaad zijn volkomen aan het licht gekomen. Enerzijds zien wij daar hoe goed God is en zien wij Zijn oneindige goedheid in de overgave van Zijn Zoon. Anderzijds is echter ook het kwaad in de mens en in satan volledig openbaar geworden. Want wat heeft de mens met de Zoon van God gedaan?!

Maar het goede van God heeft over het kwaad getriomfeerd. De hele vraagstelling van goed en kwaad is door de dood en de opstanding van Christus voor eens en altijd opgehelderd en Hij Die ze beantwoord heeft, is de ‘Boom van het Leven’ geworden voor allen die in Hem geloven.

Het eerste hoofdstuk van Genesis is iets geweldigs! De boom en de stroom vinden we hier, en wij vinden ze, zoals opgemerkt, opnieuw aan het einde, in de Openbaring. Zoals God begint, zo eindigt Hij ook. Hij begon (in het beeld) met Christus, en Hij zal met Christus eindigen. Het is bewonderenswaardig dat wij al voor de val de onmetelijke genade van God aangeduid vinden; gedachten die uit Zijn hart vol liefde ontspringen en die in het ware Christendom hun weerslag vinden.

In het hemelse paradijs is er alleen nog de ene boom, de boom van het leven. Het is een beeld van Christus in heerlijkheid en van het leven van de verlosten. De andere boom, die voor verantwoordelijkheid staat, ontbreekt (Openb. 22:2). De hemel is niet meer het toneel van de beproeving van de mens. Dat was de aarde volgens Gods gedachten. Maar in de hemel wordt niets en niemand meer op de proef gesteld. Is dat niet een heerlijke gedachte? Voor alles wat aan verantwoordelijkheid, aan tucht, aan beproeving en dergelijke herinnert, zal in de hemel geen plaats meer zijn.

Uit de positie van de Boom van het Leven – ‘in het midden’ – wordt nog iets duidelijk: Christus zal in de hemel het centrum zijn van allen die het Lam volgen. Alle verlosten zullen volledig ongehinderd toegang tot Hem hebben. Hij zal voor ieder van de Zijnen helemaal toegankelijk zijn, niet alleen in beginsel, maar ook in de praktijk. Geen engel zal ooit nog de toegang tot Hem kunnen beletten. We zullen Hem zien zoals Hij is, en zullen ons in Hem zonder enige belemmering verblijden. Dat brengt ons bij een volgend belangrijk punt.

Christus – het Voedsel van Zijn volk

Aan de overwinnaar in de zendbrief aan Efeze wordt beloofd dat hij eens mag eten van de Boom van het Leven, die midden in het paradijs van God staat (Openb. 2:7). Hier nu, aan het eind van het boek Openbaring, zien wij de vervulling van deze belofte. De boom draagt twaalf keer vrucht, elke maand opnieuw. Deze altijd nieuw voortgebrachte vruchten van de boom zijn in hun verscheidenheid bestemd voor de hemelse heiligen om ervan te genieten. Inderdaad, de vreugden van die stad zullen altijd nieuw en volkomen zijn!

Niet alleen zullen stromen van vreugde en genade ons verkwikken (‘Stroom van het Leven’), maar wij zullen Christus Zelf in volmaaktheid genieten (‘Boom van het Leven’), Hem Die nu al ‘ons Leven’ is (Kol. 3:4).

Wij kunnen ons vandaag nauwelijks voorstellen wat voor vreugde het voor ons zal betekenen, om eenmaal in de Persoon van onze Heere ongehinderd en op volmaakte en steeds weer nieuwe manieren te genieten en in Hem verheugd te zijn. 

Toch weten we al wel een beetje, waarover we spreken. Want hebben wij niet nu al, in deze tijd van ons leven op aarde, het voorrecht leren kennen Hem als ‘het Manna’ en als ‘het geroosterd Koren van het land’ te genieten? Nu is het echter nog zwak en onvolkomen. Dan echter zal het onvolkomene plaats maken voor de volmaaktheid, en zullen wij kennen, zoals ook wij gekend zijn, dat wil zeggen: wij zullen op een volmaakte manier (1 Kor. 13:10,12). Hem kennen – ja, dat is het wat tot het eeuwige leven behoort: ‘Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt’ (Joh. 17:3). 

In Hem, het Lam, zullen wij God kennen en Hij zal als voedsel voor ons zijn. In principe is dat echter, zoals opgemerkt, nu al zo. Wanneer de bruid al zegt in Hooglied: ‘Ik verlang er sterk naar in Zijn schaduw te zitten, en Zijn vrucht is zoet voor mijn gehemelte’ (Hoogl. 2:3), hoeveel te meer zal dit onze allesovertreffend heerlijke ervaring in de hemel zijn!

Christian Briem