De Heer Jezus: Wie is Hij en wat is Hij?

Wat we over Hem leren in de Brief aan de Hebreeën

Hij is, zo zegt Hebreeën 1, méér geworden dan de engelen (vers 4), want Hij is de Zoon van God. Engelen zijn alleen maar dienende geesten (vers 14). In de hemel heeft Hij een verhevener plaats dan zij, omdat Hij alleen gezeten is aan de rechterhand van God (vers 13). Hij heeft een uitnemender Naam geërfd dan de engelen (vers 4).

Eens is Hij minder geweest dan de engelen vanwege het lijden van de dood (2:9). Engelen zijn geesten (1:14) die de dood niet ondergaan. Maar Hij, de Heer Jezus, heeft een lichaam aangenomen om het te kunnen geven; Hij heeft deelgenomen aan bloed en vlees om door de dood hem teniet te doen die de macht over de dood had, en allen te verlossen die door angst voor de dood hun hele leven door aan de slavernij van satan onderworpen waren (2:14).

Het is heel begrijpelijk dat de engelen een grote activiteit ontplooiden toen de Heer Jezus in deze wereld kwam (Mattheüs 1:20; 2:13,19; Lukas 2:9-14). Daar zien we een geweldig mysterie: God is geopenbaard in het vlees … is verschenen aan de engelen (1 Timotheüs 3:16); zij zijn begerig om in te zien in deze dingen (1 Petrus 1:12) waarover de profeten hadden geprofeteerd. Deze profeten hebben zelf onderzocht en nagevorst (1 Petrus 1:10-11) welke dingen het toch waren toen de Geest van Christus die in hen was, over Hem sprak.

We vinden ook engelen die de Heer Jezus dienden na Zijn overwinning op satan in de woestijn (Mattheüs 4:11), in Gethsémané om Hem te versterken (Lukas 22:43) en bij het graf om aan enkele Godvrezende vrouwen de grote triomf van Zijn opstanding te verkondigen (Lukas 24:4).

Hij was méér dan de engelen, maar is voor ons minder gemaakt dan zij. Dat is een Goddelijk mysterie dat ons ertoe brengt ons in aanbidding voor Hem neer te buigen.

De schrijver van de Brief aan de Hebreeën plaatst met diepe ernst en grote aandrang de Persoon van de Heer Jezus voor het hart van de gelovigen die uit het jodendom waren gekomen. Hij toont hun de uitnemende kenmerken en rijkdom van Hem Die, hoewel een weinig minder geworden dan de engelen vanwege het lijden van de dood (2:9), toch méér was dan zij (1:4). Hij is een groter heerlijkheid waardig gekeurd dan Mozes (3:3) en Hij is door God begroet als Hogepriester.

Hij is een oorzaak van eeuwig heil geworden voor hen die Hem gehoorzamen (5:9). Hij is Hogepriester tot in eeuwigheid (6:20).

De schrijver herinnert hen eraan wat Hij heeft gedaan: Hij heeft door Zichzelf de reiniging van de zonden tot stand gebracht (1:3). Hij heeft voor alles de dood gesmaakt (2:9); Hij heeft de duivel tenietgedaan die de macht van de dood had (2:14); Hij heeft gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij geleden heeft (5:8); Hij kan volkomen behouden wie door Hem tot God naderen (7:25); Hij heeft door de eeuwige Geest Zichzelf vlekkeloos aan God geofferd (9:14); Hij heeft ons een nieuwe en levende weg ingewijd in het heiligdom van God (10:20); Hij heeft het kruis verdragen (12:2).

In verschillende hoofdstukken worden Zijn verschillende kenmerken en heerlijkheden voor onze aandacht gesteld: de Zoon (1:2), de grote Hogepriester (4:14), de oorzaak van eeuwig heil (5:9), de Voorloper (6:20), de Overste Leidsman en Voleinder van het geloof (12:2), Dezelfde van eeuwigheid tot eeuwigheid (13:8).

Na Hem in al de voortreffelijkheden van Zijn Persoon voor de aandacht van onze harten te hebben gesteld, wenst de apostel dat we zullen toenemen in de kennis van Hem en dat wij Hem zien (2:9), dat we Hem beschouwen (3:1) en onze ogen op Hem zullen vestigen (12:2). Dat alles zal ons ertoe brengen om met onze harten te zeggen: ‘Hem zij de heerlijkheid tot in <alle> eeuwigheid’ (13:21).

De gelovigen uit de Hebreeën, aan wie de Brief was geschreven, waren naar ons inzicht geen voorbeeldige Christenen. Zij waren traag geworden om te horen (5:11) en leken het verlies te betreuren van bepaalde vormen van de godsdienst die ze hadden verlaten. De Geest van God somt daarom alle dingen op waar hun harten zich naar terugwendden en somt daartegenover alle voortreffelijkheden en rijkdommen op van de Persoon en het werk van Christus.

Alles en allen verdwijnen dan in het niet tegenover Hem: engelen, Mozes, Aäron, Melchizedek, het aardse heiligdom, de offeranden, de wet en de meest trouwe getuigen! De Enige Die blijft, is de Heer Jezus Christus; Hij is Dezelfde, gisteren en heden en tot in eeuwigheid!

En toch, van deze gelovigen, die wij min of meer zien als enigszins onwetend, getuigt Gods Geest: u hebt de roof van uw bezittingen met blijdschap aanvaard (10:34).
Dit getuigenis dat God van hen geeft, is heel opmerkelijk. Het toont ons aan hoe wij zelf zijn. Het gaat niet om wat zij wisten of niet wisten, maar het gaat om wat zij hadden gedaan. Misschien weten wij meer dan zij, maar gaan wij ook zo ver op de weg van het geloof als zij dat deden? De drijfveer voor zo’n offer wordt ons vermeld. Zij wisten dat zij voor zichzelf een beter en blijvend bezit hadden (10:34). Wij weten dat ook. Aanvaarden wij daarvan ook, zoals zij dat deden, de consequenties?

Zij hadden met blijdschap dit offer gebracht. Een verlies aan geld kan ons soms neerdrukken. En hoe vaak jagen wij naar materieel voordeel! Wij houden van ons gemak! Wat staan we ver af van de Meester, Die zelfs geen plaats had om Zijn hoofd neer te leggen!

Als God ons aardse goederen heeft toevertrouwd, laten wij ons hart er dan niet op stellen. En als de Heer het nodig voor ons mocht keuren ons ons aardse bezit af te nemen, laten we dan bereid zijn om dat gewillig uit Zijn hand te aanvaarden, wetend dat we betere en blijvende goederen bezitten in de hemelen. Moge de Heer ons genade geven om deze belangrijke les van de Hebreeën te leren tot onze zegen en tot verheerlijking van Zijn Naam!

Uit de kalender ‘La Bonne Semence’