De Heer Jezus leeft!
‘En na acht dagen waren Zijn discipelen weer binnen en Thomas bij hen. Jezus kwam terwijl de deuren gesloten waren, ging in het midden staan en zei: Vrede zij u! Daarna zei Hij tot Thomas: Breng je vinger hier en zie Mijn handen, en breng je hand en steek die in Mijn zijde’ (Johannes 20:26-27).
Opeens zien de discipelen hun Meester, dan horen zij de woorden: ‘Vrede zij u’; de beschaamdheid en droefheid van Thomas, die zich de tweede keer wel bij de discipelen bevindt, valt op: wel aanwezig, maar toch voelt hij zich eenzaam.
Vlak achter de Heer Jezus is een gesloten deur, uit vrees voor de Joden hadden de discipelen de deuren gesloten. Hielden ze daarmee eigenlijk ook niet de Meester buiten? Nee, de Heer komt door de gesloten deuren heen! En Hij spreekt geen enkel woord van verwijt tot de angstige jongeren. Hij gaat in neerbuigende goedheid rechtstreeks op Thomas af, die op de dag van Zijn opstanding, toen Hij voor het eerst in het midden van Zijn discipelen verscheen, niet aanwezig was. Hij strekt Zijn doorboorde hand naar hem uit en opent Zijn opperkleed, om deze twijfelaar zekerheid te geven.
Dit ogenblik, acht dagen na de eerste verschijning van de Heer Jezus in het midden van Zijn discipelen, dus ook aan de avond van de eerste dag van de week, brengt ons tot nadenken. Deze indrukwekkende gebeurtenis spreekt boekdelen.
Maar was Thomas dan een ongelovige? Thomas behoorde tot de discipelen van de Heer; en hij was geen discipel zoals Judas de Iskariot, die uit liefde voor geld zijn Meester had overgeleverd. Meer dan één keer had Thomas getoond, zijn Meester niet te kunnen missen en Hem overal te willen volgen. Eens had hij het uitgeroepen tot zijn medediscipelen: ‘Laten wij ook gaan om met Hem te sterven’ (Johannes 11:16). Tot de Heiland Zelf had hij gezegd: ‘Heer, wij weten niet waar U heengaat, hoe kunnen wij de weg weten?’ (Johannes 14:5). Thomas was een echte gelovige, die met zijn hele ziel aan de Heiland hing; die het nu ook weer bewezen had, toen zijn Heiland gestorven was, hoe lief hij Hem had. Zijn dierbare Meester was hem ontnomen.
Met een bedroefd hart wees hij op dit moment zijn blijde medediscipelen, die de Heer gezien hadden, af. Nee, hij dacht er niet aan te geloven, tenzij hij in het lichaam van zijn Meester het teken van de nagels zou zien, zijn vinger erin zou steken, zijn hand zou steken in Zijn zijde!
Thomas was een gelovige, evenals Nathanaël. Maar kwam deze ook niet, evenals Thomas, tot de Meester in ongeloof? Beide mannen waren ongelovige gelovigen! ‘Kan uit Nazareth iets goeds zijn?’ riep Nathanaël uit (Johannes 1:47). Hij moest zien, vóórdat hij geloofde! ‘De Heer opgestaan?’ dacht de twijfelende Thomas. Hij moest Hem zien, voordat hij het zou geloven!
Maar juist dat twijfelen van beiden toont aan, dat zij met hun hele hart aan de Verlosser hingen en naar Hem uitzagen! Later, bij de zee van Tiberias, worden door Johannes, die in zijn Evangelie de geschiedenis van deze twee discipelen vertelt, beiden in één adem genoemd met Simon Petrus, die, toen de Meester Zich niet vertoonde, het moedeloos uitsprak: ‘Ik ga vissen’ (Johannes 21:3).
Gelovig en toch ongelovig. ‘Omdat je Mij hebt gezien, heb je geloofd?’ zei de Heer Jezus, toen Hij Zich aan Thomas had geopenbaard als de Opgestane. Thomas boog zich toen aanbiddend voor Hem neer met de woorden: ‘Mijn Heer en mijn God!’
Wat kunnen wij, gelovigen, soms ongelovig zijn! Ons laten neerdrukken door de omstandigheden; bitter bedroefd over onze verliezen, twijfelen en klagen!
Jezus leeft, Hij leeft voor mij!
Nooit zal ik verlaten wezen.
Jezus staat mij steeds ter zij;
waarvoor zou ik dan nog vrezen?
Schoon de vijand mij omgeeft,
dit staat vast: mijn Jezus leeft.
(Lied 11:2 uit ‘Geestelijke Liederen / Lofzangen en Geestelijke Liederen’)
Niet alleen met betrekking tot onze zonden moeten wij gelovig tot de Heer Jezus gaan, opdat we vrede ontvangen voor ons gemoed; maar ook met onze twijfel, met ons kleine geloof, met ons ongeloof moeten wij tot Hem de toevlucht nemen! De Heiland zal ons dan tegemoet komen en bij de hand nemen. Hij zal ons ‘zalig’ noemen als wij, hoewel wij Hem niet zien met onze ogen toch geloven dat Hij er is en dat Hij leeft (Johannes 20:29).
J.N. Voorhoeve