De Heer Jezus en Petrus

Het is zo kostbaar voor ons, vrienden, dat wij op de Heer kunnen zien. Als onze ogen op onszelf gericht zijn, dan zouden wij niet alleen geen vorderingen maken, maar wij zouden geheel ontmoedigd worden door het kwaad dat in ons is. Door te veel aan de zonde te denken, ontneemt men zich de kracht haar te overwinnen. Het is treffend te zien wat de natuur van het vlees en de blindheid van het hart van de mensen is. Tot hoe ver de gedachten van het natuurlijke hart hun gang gaan, zelfs als de Heer nabij ons is en ons de treffendste dingen openbaart, zien wij heel duidelijk in het Schriftgedeelte dat wij overdenken (Lukas 22:14-62).

De Heer Jezus ging het werk vervullen dat met geen ander werk vergeleken kan worden. Hij zou voor ons arme zondaars de smadelijke dood aan het kruis ondergaan. Hij was in omstandigheden die het hart van de discipelen moesten treffen. Hij had hun gezegd dat een van hen Hem zou verraden. Hij had in de roerendste bewoordingen met hen gesproken over het pascha, dat Hij met hen wilde eten, voordat Hij stierf. Dit alles moest hun levendig voor ogen staan en had hun harten moeten bezighouden, maar helaas! Zij begrepen er niets van en twistten onder elkaar wie van hen de meeste zou zijn.

Voor ons die dit lezen, is het gordijn weggeschoven. Wij kunnen nauwelijks begrijpen dat de discipelen zich met die zaken hebben kunnen bezighouden. En toch, hoeveel dingen kunnen ook ons afhouden van dat wat toen het hart van de Heer Jezus vervulde, hoewel wij meer licht hebben ontvangen! Zo is het hart van de mens zelfs in tegenwoordigheid van de ernstigste en plechtigste zaken. De dood van de Heer Jezus zou op onze harten dezelfde uitwerking moeten hebben als op die van de discipelen; Hij zou ons dierbaar moeten zijn. Hij is in het midden van ons, wanneer wij met twee of drie in Zijn Naam vergaderd zijn, en hoe vaak worden onze gedachten afgeleid! Bij de discipelen zien wij het in omstandigheden die het meest geschikt waren hun hart te treffen.

De Heer Jezus zegt tot hen dat ‘Zijn bloed voor hen werd vergoten’, dat ‘de hand van hem die Hem overleveren zou, met Hem aan tafel was’; en waarover zouden de discipelen nu anders spreken dan over de dood van hun goede Meester? Men zou dat verwachten, maar nee. Zij ‘begonnen onder elkaar te vragen, wie van hen geacht moest worden de meeste te zijn’. Wat een verschil! Helaas, ook wij zullen, als wij onze harten onderzoeken, deze twee zaken vinden, die dikwijls nauw met elkaar verbonden zijn: gevoelens die getuigen van onze vurige liefde voor de Heer Jezus en op hetzelfde ogenblik zaken die niets meer waard zijn dan waarmee de discipelen zich bezighielden. Ja, wij mogen wel met droefheid vervuld zijn over zo veel ijdelheid en dwaasheid in ons hart!

En wat doet de Heer nu? Hij, altijd vol liefde en zachtmoedigheid, vergeet Zichzelf om Zich met Zijn discipelen bezig te houden, en zegt tot hen: ‘Laat de grootste onder u als de jongste zijn, en de voorganger als een die dient’. Hij neemt hier de gelegenheid waar om hen door Zijn voorbeeld te laten begrijpen wat de liefde van God is, en ook de genade die steeds in Hem te vinden is. Het is alsof Hij tegen hen wil zeggen: Het is niet nodig dat u uzelf verheft, Mijn Vader zal u verheffen. U bent steeds bij Mij gebleven in Mijn verzoekingen; ‘en Ik beschik u een koninkrijk, zoals Mijn Vader Mij heeft beschikt, opdat u eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn koninkrijk en op tronen zit om de twaalf stammen van Israël te oordelen’.

Wat een liefde en genade! De discipelen houden zich alleen met zichzelf bezig – en de Heer Jezus vergeet niet alleen Zijn smart, maar ook hun dwaasheid; Hij toont hun dat hoewel er bij de mensen geen genade is, Hij de God is van alle genade. Dit is Hij ook voor ons, geliefden! Wij zijn onder dezelfde genade geplaatst; wij zijn in Hem geplant.

Dit is wat die genade voor ons is: zij geeft ons de zekerheid dat wij, ondanks onze zwakheid, met de Heer Jezus hebben volhard en dat Hij ons de eeuwige heerlijkheid heeft bereid. Het is echter nodig dat wij beproefd worden, opdat wij meer en meer leren zien wat het vlees eigenlijk is. Zo mogen wij ook leren steeds op de Heer Jezus te zien Die ons altijd nabij zal blijven, omdat wij Hem toebehoren.

In Petrus hebben we een voorbeeld van beproeving. De Heer zegt tot hem: ‘Simon, Simon, zie, de satan heeft dringend verlangd u [allen] te mogen ziften als de tarwe; Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zou ophouden’. Hij zegt niet: ‘Je zult niet beproefd worden, Ik zal de satan verhinderen je te ziften’; nee, men ziet hier juist dat God Zijn kinderen dikwijls in de tegenwoordigheid van hun vijand laat, maar Hij waakt over de Zijnen, zoals er geschreven staat in Openbaring 2:10. ‘Zie, de duivel zal [sommigen] van u in [de] gevangenis werpen, opdat u op de proef gesteld wordt … Wees trouw tot [de] dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven’.

Net zoals Martha en Maria dachten dat de Heer de dood van Lazarus wel had kunnen verhinderen, zo had ook Petrus tot de Heer Jezus kunnen zeggen: ‘U kunt wel zorgen dat dit niet gebeurt’. Hij Die de kroon van het leven kan geven, kan ons ook bewaren, maar Hij doet het niet, opdat wij beproefd zouden worden. De satan had begeerd Job te ziften, en God had het hem toegestaan; dat is wat ook ons soms overkomt. Men vraagt zichzelf dikwijls af: ‘Waarom heeft God mij hier geplaatst? Waarom brengt Hij mij in deze of die beproeving?’ O, het is omdat de duivel het begeerd heeft, en God het hem heeft toegestaan.

Soms overkomen ons dingen waarvan wij ons geen rekenschap kunnen geven, maar die bestemd zijn om ons te laten ondervinden wat het vlees is. Als God een Christen in Zijn werk wil laten arbeiden, dan neemt Hij diegene die het meest in beproeving is geweest. Dit is wat hier geleerd wordt. ‘De satan heeft dringend verlangd u [allen] te mogen ziften’: hij stelt het gevaar aan allen voor, maar tot Petrus zegt Hij: ‘Ik heb voor jou gebeden’, voor jou in het bijzonder; want de Heer Jezus onderscheidt hem van al de anderen, omdat hij zich meer op de voorgrond had geplaatst dan zij en omdat hij daardoor meer was blootgesteld, hoewel allen gezift zouden worden.

De Heer zegt tot Petrus: ‘En jij, als je eens bekeerd bent, versterk je broeders’. Petrus zou het meeste beproefd worden, omdat hij zo’n groot vertrouwen in zichzelf had dat hij zelfs tot de Heer Jezus zegt: ‘Heer, ik ben bereid met U zelfs in [de] gevangenis en in [de] dood te gaan’, maar daarna zou hij ook het meest geschikt zijn in de dienst van de Heer en zelfs zijn broeders versterken. Nog een keer waarschuwt de Heer Jezus Zijn discipel voor dit grote zelfvertrouwen en zegt tot hem: ‘Ik zeg je, Petrus, [de] haan zal vandaag niet kraaien voordat je driemaal hebt geloochend Mij te kennen’.

Je zou nu verwachten dat Petrus geheel terneergeslagen was door deze voorspelling van de Heer Jezus, maar nee. Hij gaat vol vertrouwen op eigen kracht naar de zaal van de hogepriester te midden van al die vijanden van de Heer Jezus, en het eerste wat hij doet, is zijn Meester verloochenen met een ‘Ik ken Hem niet’. Arme Petrus! En hoe dikwijls doen wij niet hetzelfde! Hoe dikwijls willen wij iets verrichten in eigen kracht, in de gedachte dat wij sterk genoeg zijn om de verzoeking te weerstaan, zonder acht te geven op de waarschuwingen van de Heer! Als Petrus nederig in eigen ogen was geweest, had hij zich niet onder die vijanden van de Heer begeven na deze ernstige waarschuwing.

Laten we nu zien wat de Heer doet. Eerst had Hij gezegd: ‘Ik heb voor jou gebeden’, en nu: ‘De Heer keek Petrus aan’ (Lukas 22:32, 61). O, de Heer vergeet ons niet, ook al wijken wij van Hem af. Hij bidt steeds voor ons en Zijn Geest doet ons telkens onze afdwalingen inzien, betreuren en belijden. De Heer Jezus zag Petrus aan. Wat een liefde in dat éne woord! Wat moet die blik voor Petrus geweest zijn, een blik die doordrong tot in de diepste schuilhoeken van zijn hart! En Petrus weende bitter. Dat is de uitwerking van de liefde van de Heer Jezus.

De discipel was vol zelfvertrouwen; de discipel viel. De Heer Jezus ziet hem aan en het hart is getroffen, de schuld wordt gevoeld, het zelfvertrouwen is vernietigd; Petrus weende. Is dit ook bij ons zo? Is ons hart ook meteen gebroken, wanneer wij gehoor hebben gegeven aan ons vlees? De Heer Jezus bidt ook voor ons. Die gedachte zal ons sterken in de strijd tegen het vlees, de duivel en de wereld. Onze erfenis is in de hemel; daar moeten dus onze gedachten zijn.

Petrus heeft nooit zijn zonde kunnen vergeten, hoewel zij volkomen vergeven was. En niet alléén dat, maar zijn geweten was in de handen van de Heer Jezus toen de Heilige Geest hem de volheid van het hart van de Heer openbaarde. Zijn geweten was geheel en al gereinigd en hij kan zelfs de Joden van dezelfde zonde beschuldigen die hij gedaan had. ‘U hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend’, zegt hij tegen hen (Handelingen 3:14). Het bloed van Christus had zijn geweten gereinigd. Als hij echter over de sterkte van zijn vlees sprak, dan zei hij: ‘Wat mij betreft, ik heb de Heer verloochend, en als het niet door Zijn genade was, zou ik mijn mond niet kunnen openen’.

In de gesprekken die de Heer Jezus met Petrus heeft gehad, verwijt Hij hem nooit zijn zonde. Hij zegt niet tot hem: ‘Waarom hebt u Mij verloochend?’ Nee, geen enkel ogenblik herinnert Hij hem aan zijn zonde. Integendeel, het was volgens dat woord van de Heilige Geest: ‘Ik zal hun zonde niet meer gedenken’. De Heer Jezus had alles vergeven. Maar kijk wat de Heer Jezus doet. Hij geeft hem Zijn vrede weer terug, en verzekert hem van Zijn onveranderlijke liefde. De Heer zei tot hem: ‘Heb je Mij meer lief dan dezen?’ Driemaal zegt de Heer tot hem: ‘Heb je Mij lief?’ Maar Hij herinnert hem niet aan zijn geschiedenis. En waar is nu dat zelfvertrouwen van Petrus? Hij antwoordt alleen: ‘U weet alles, U weet dat ik van U houd’. Hij beroept zich op de Heer Jezus en op Zijn alwetendheid; ‘U weet dat ik van U houd’. Dat is wat de Heer Jezus voor de ziel van Petrus had gedaan.

De Heer had zijn val voorzegd en nu vraagt Hij: ‘Heb je Mij meer lief dan dezen?’ Petrus kon niets anders zeggen dan dat hij zijn zwakheid had leren inzien en dat hij de Heer Jezus minder had liefgehad dan de andere discipelen. De betrekking tussen de Heer Jezus en Petrus is geheel en al genade: hij kan niet anders dan zich aan Hem toevertrouwen, en toen kon hij een getuige van de Heer Jezus zijn.

‘Ik verlaat mij op U’, zegt Petrus als het ware, ‘U weet dat ik U verloochend heb, maar U weet ook dat ik U liefheb, doe met mij wat U wilt’. Daarop vertroost de Heer Jezus het hart van Zijn discipel, opdat de satan hem zijn vertrouwen niet zou ontroven, en Hij dan tot hem zou zeggen: ‘Als je eens bekeerd bent, versterk je broeders’.

Wat heeft hem bekwaam gemaakt zijn broeders te versterken? Dat komt doordat hij door zijn verloochening zo’n ervaring heeft opgedaan van wat er in het vlees is, dat hij zichzelf niet meer vertrouwt, maar alles overlaat aan Hem, Die hem in genade heeft aangenomen. Wat hem sterk maakte, was dat hij wist dat hij alleen op de Heer kon rekenen. De Heer vertrouwt Zijn schapen aan Petrus toe, nadat Hij hem aan de onbekwaamheid van het vlees had herinnerd. ‘Weid Mijn lammeren’, zegt Hij tot hem, en het komt alleen doordat Petrus bekwaam was zijn broeders te versterken.

Het vlees heeft een zeker vertrouwen in zichzelf en het is dan nodig dat wij onszelf leren kennen door de verzoekingen van de duivel. Er is geen Christen die zichzelf niet heeft leren kennen door middel van omstandigheden waarin hij geplaatst is. God laat daarom toe dat wij door de satan gezift worden, opdat wij ons eigen hart zouden kennen. Als wij genoeg trouw en nederigheid hadden om te zeggen: ‘Ik kan niets zonder U’, dan zou God ons onze onstandvastigheid niet zo droevig laten ondervinden.

Als wij geheel en al zwak zijn, dan verlaat God ons nooit; maar als wij geen kennis hebben van onze onstandvastigheid, dan moeten wij die ondervinden. Als de Christen niet voortdurend wandelt in het gevoel van eigen onmacht, dan laat God hem in de tegenwoordigheid van de duivel, opdat hij die hierdoor leert kennen. Dan valt men in zonden, die zeer dikwijls niet hersteld kunnen worden, en dit is zeer treurig. Daarom moeten wij niet verrast zijn. Als de Heer ons in moeilijkheden laat, doet Hij dit omdat er iets in ons vernederd moet worden. Onder deze beproevingen is het echter goed voor de ziel te weten dat de genade haar altijd nabij is. De Heer Jezus had vóór de verzoeking voor Petrus gebeden. Hij vergezelt ook ons en Hij gaat voor ons uit in onze moeilijkheden en bezwaren. Terwijl Hij ons in de handen van de duivel laat, opdat wij zouden leren wie wij zijn, is Hij altijd daar, om ons te bewaren voor de listen van de vijand. Dit alles zou ons ertoe moeten brengen om ons geheel te onderwerpen aan de machtige hand van de Vader, opdat wij op de juiste tijd getroost en versterkt kunnen worden.

Als u in moeilijke omstandigheden zegt dat u ze niet kunt begrijpen, de Vader weet het en Hij laat u gezift worden opdat Hij u daardoor tot een grondiger kennis van Hem en van uzelf brengt. Hij wil u alles tonen wat Hij in u gezien heeft, zodat u niet moet proberen deze kastijding te ontlopen, maar eerder moet proberen de kostbare les te ontvangen die de Heer u door dat middel wil geven, en dan zult u ook een veel diepere kennis krijgen van wat Hij voor ons is.

God geve dat wij Hem alleen kennen! Hij wil ons niet alleen brengen tot de kennis van onszelf, maar bovenal tot de kennis van Hem, Die ons Zijn Zoon heeft gezonden, in Wie wij het eeuwige leven hebben ontvangen. Men kan dan uitroepen: ‘Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven. Ik zal in het huis van de HEERE blijven tot in lengte van dagen’ (Psalm 23:6).

J.N. Darby