De grootheid in het handelen van God met Job

VOORWOORD

Hierbij geven wij u een beschouwing in handen over het Boek Job. Het is niet met zekerheid vast te stellen wie de schrijver hiervan is, want het betreft een handgeschreven overdenking. Uit het taalgebruik was enigszins na te gaan dat het enkele tientallen jaren geleden geschreven moet zijn. Dit taalgebruik is in deze gedrukte uitvoering wel iets aangepast, maar u zult merken dat de stijl van schrijven toch iets anders is als tegenwoordig. We wilden echter niet te veel wijzigen aan de inhoud, vandaar dat we het voor het grootste gedeelte zo gelaten hebben.

We geven u deze beschouwing in handen, met het gebed in ons hart dat de Heere Zijn Woord mag zegenen. Dat u nog meer mag gaan beseffen van de grootheid van Zijn handelen met ons nietige schepselen. Een handelen in liefde en genade!

Uitgegeven in februari 2000

INLEIDING

Het Woord van God is de Oorsprong en blijvende Bron van de Waarheid. God kan door dit Woord deze waarheid in al haar kracht en volmaaktheid aan het geweten en het hart van de mensen voorstellen. Daarvoor is het echter wel nodig, dat de verschillende delen van de waarheid in hun Schriftuurlijke verband worden gelaten en het Woord des Heeren als één geheel wordt gezien en gelezen. Het Woord moet Boek voor Boek onderzocht en in verband met het geheel in ogenschouw genomen worden. Schrift moet met Schrift vergeleken worden. Dit is van veel grotere waarde dan alleen bezig te zijn met op zichzelf staande mededelingen van God, hoe kostbaar deze ook mogen zijn.

Wij willen ons nu met het Boek Job bezighouden. Een Boek dat ook in onze tijd vol van praktische aanwijzingen staat voor de levensopenbaring van de gelovige. Immers, dezelfde vraagstukken van het veelal zo onbegrijpelijke lijden, in al de verscheidenheid die er in de dagen van Job waren, zijn er ook nu nog. Niemand ontkomt aan dat lijden. God gebruikte het in Jobs dagen tot zijn bestwil en dat doet Hij nu nog. Job heeft de les van de Heere geleerd en het is ook voor de gelovige van nu van het grootste belang zijn lijden op een Gode welgevallige manier te leren zien. Opdat temidden daarvan de harten en zinnen bewaard worden in de liefde van God.

Het Boek Job werd geschreven in de vroegste tijden van de schriftelijke openbaring des Heeren. Wellicht is het wel het eerst geschreven Boek. Zekerheid hieromtrent geeft de Schrift echter niet. Aan de verschillende gedachten van mensen gaan wij stilzwijgend voorbij. Aangaande de Schrijver (wij spreken hier opzettelijk van ‘Schrijver’, omdat de ware auteur van alle Schrift de Heilige Geest is) deelt de Bijbel ons niets mee.

Het Boek Job behoort tot de dichterlijke boeken van het Oude Testament. De andere dichterlijke Boeken zijn: de Psalmen, de Prediker, het Hooglied van Salomo en de Klaagliederen van Jeremia. In de Hebreeuwse Bijbel worden deze boeken Cethubim genoemd, d.i. de geschriften, of Hagiographa. Kenmerk van deze Hebreeuwse poëzie is niet zoals bij de westerse volken, gelijkluidende klanken, maar gelijke gedachten, parallellisme. Dit kan behalve overeenkomend, ook tegenstellend of aanvullend zijn.

Hoewel het Boek Job een dichterlijk boek is, mogen wij hier niet denken aan gedicht dat verzonnen situaties beschrijft. Job heeft werkelijk geleefd, hij is een geschiedkundige persoon die door andere schrijvers van Bijbelboeken is aangehaald (zie Ezechiël 14 vers 14 en 20, Jakobus 5 vers 15). Uit het Boek zelf kunnen wij afleiden, dat Job heel lang geleefd heeft. Hij was geen jonge man meer toen de beproeving over hem kwam, want hij had toen immers volwassen kinderen. En na de beproeving heeft Job nog honderd en veertig jaar geleefd en zag zijn nakomelingschap tot in het vierde geslacht (hoofdstuk 42 vers 16). Hieruit kunnen wij afleiden, dat hij vóór Mozes geleefd moet hebben. Uit Psalm 90, een gebed dat door Mozes is geschreven, blijkt immers, dat de leeftijd van de mensen in zijn tijd gelijk was aan die in onze dagen. Mozes zelf en ook Kaleb vormden daarop een uitzondering. Maar ten aanzien van Job spreekt de Schrift niet van een uitzondering.

Het is goed op een ander belangrijk punt te wijzen. Job behoorde tot een heidens volk, omdat hij niet tot het uitverkoren volk behoorde, dat later door God uit Egypte zou worden geroepen. In zijn dagen was deze roeping niet meer ver in de toekomst. In het Boek Genesis lezen wij dat alles hiertoe werd voorbereid. En juist in die tijd zien wij, dat God de meest ingrijpende bemoeienis heeft met een enkel mens, die ‘niet uit de aartsvaders was voortgekomen; een bemoeienis die zelfs Abraham niet ten deel is gevallen. Juist daar zien wij dat God alles in het werk stelt, in de hemel en op de aarde, om één enkele ziel tot het besef van zijn eigengerechtigheid te brengen.

Israël heeft later slechts verachting gekoesterd voor allen, die niet tot het volk van God behoorden en ze als honden beschouwd. Zeker, het was waar, dat door Mozes de wet alleen aan het volk Israël gegeven was. De apostel Paulus noemt als één van de negen voorrechten die aan Israël gegeven zijn: de wetgeving (Romeinen 9 vers 4), terwijl hij het als een voorrecht van de Joden beschouwt, dat aan hen de woorden van God zijn toevertrouwd (Romeinen 3 vers 7). De heidenen stonden daarbuiten.

Maar voorafgaande aan het tijdstip van de wetgeving, had God juist bemoeienis met een heiden. Tegenover de latere verachting van de heidenen door Israël plaatste God al van tevoren het feit, dat Hij het grootste belang stelt in één enkele mensenziel. Niet om die enkeling tot rijkdom en eer te brengen. God bemoeide Zich met deze enkeling vanwege een verkeerde gezindheid bij die mens, namelijk de eigengerechtigheid, waarvan hij zich bewust moest worden. En in die dagen deed God een Boek samenstellen, dat zou worden opgenomen in de Heilige Schrift. Hij maakte Job tot een bewaarder van de kennis van God, evenals ook een Melchizédek.

In Gods bestel van Zijn wegen met Israël zou de dag komen, dat dit volk de bevoorrechte plaats zou verliezen en tijdelijk geheel terzijde zou worden gesteld. En dan zou de tijd van de genade aanbreken, waarin de genade niet alleen meer betrekking zou hebben op één bepaald volk, maar op de gehele mensenwereld. De openbaring van die genade kon niet aan een Mozes of wie ook worden toevertrouwd, maar zou worden bewerkt door de Heere Jezus Christus, de Zoon van God, Die als waarachtig Mens op deze aarde zou komen. Wie anders dan Hij, die Zelf God was, kon deze Goddelijke volheid van genade openbaren?

En dan zou het Boek Job daar zijn om aan te tonen dat deze genade niet een achteraf door God opgevatte gedachte was. Dit was het Boek, waarin men de genade, buiten Israël om, duidelijk kon waarnemen. Konden de Joden, met het Boek Job vóór zich, het nog wagen te zeggen dat God de heidenen als niets achtte? Over wie van de aartsvaders had God zó verheven en zó uitvoerig gesproken als over Job? Aan wie uit Israël was ooit zulk een Boek van tweeënveertig hoofdstukken gewijd, met als doel om Job terecht te brengen?

Er komt nog iets bij. Job was niet alleen uit de heidenen, die buiten de zegeningen van Israël stond, maar hij woonde ook in een landstreek die onder de Israëlieten slecht bekend stond. Het land Uz wordt door de profeet Jeremia genoemd als de woonplaats van Edom, de nakomelingen van Ezau (Klaagliederen 4 vers 21). Dit feit alleen al kwam een Israëliet zeer verdacht voor. Van de vroegste tijden af is er haat en vijandschap geweest tussen Israël en Edom en die is er nu nog. Wij zeggen hiermee niet, dat Job een Edomiet was, maar voor de Joden, die onmiddellijk in vuur en vlam staan bij alles wat de bijzondere plaats van het uitverkoren volk in de weg stond, was het land Uz de streek waaruit niets goeds kon voortkomen, zoals dit later gezegd werd van Nazareth (Johannes 1 vers 47).

Het verstarde moderne Jodendom, vijandig aan Gods openbaring in Christus, beweert dat Job niet werkelijk bestaan kan hebben, omdat het onmogelijk is dat God Zich zó met een gelovige uit de heidenen zou hebben beziggehouden. Maar dat is juist de prachtige kerngedachte van het Boek Job! Het ging om een mens die echt leefde. ZÓ spreken de profeet Ezechiël en de apostel Jakobus er over, zoals wij al gezien hebben. Weliswaar een mens die buiten het uitverkoren volk stond, maar toch een mens aan wie en in wie Gods rijke genade werkte tot lof van de Heere en tot beschaming van satan. De zware beproeving, die Job moest ondergaan, was uiteindelijk een zegen voor hem.

De naam Job betekent: ‘vervolgde, verdrukte’. Voor een groot deel van zijn leven werd deze betekenis niet aan hem vervuld. In die dagen was Job de grootste en de machtigste van de herdersvorsten in het oosten. Dit verzwaarde zijn beproevingen nog meer. Hij was een oprechte, trouwe man die God vreesde en afweek van het kwade. Dit getuigenis wordt verschillende keren door de Heere van hem gegeven. In zijn gezinsleven was hij zeer gezegend, hij was gehuwd, had zeven zonen en drie dochters. Maatschappelijk ging het hem buitengewoon goed, zijn bezittingen waren zo groot, dat hij de rijkste was van alle bewoners van het oosten.

Job was echter geen ‘vreemdeling en bijwoner’. In dit karakter had God wél de aartsvaders van Israël geroepen, maar Job niet. Hij stond buiten het verbond met Abraham. Met de zegening van de aartsvaders was de genade van God echter niet ten einde. Deze ging verder en strekte zich ook uit tot Job. De soevereine genade van God ging verder dan de verbondsbelofte aan Abraham, die te zijner tijd volledig aan Israël zal worden vervuld; iets wat de gehele wereld zal kunnen zien. Maar toch, de genade van God is vrijmachtig en laat zich niet opsluiten binnen de grenzen van een bepaald volk, behoudt zich haar eigen werking voor om uit te gaan ver boven de beloften aan Israël.

De genade, geopenbaard aan de gelovigen in Christus – aan ieder persoonlijk en aan allen tezamen als Gemeente van de Heere – gaat nog veel verder dan die aan Israël en bijvoorbeeld Job. Daarom zou het geestelijk peil van de gelovigen in Christus en van de Gemeente veel hoger moeten zijn, dan dat in Israël. Maar helaas is het toch zo dat men tot dat peil van Israël is afgezakt en dat de wet bijvoorbeeld tot zegel voor het christelijk leven gemaakt wordt. Over het algemeen heeft men geen oog voor de rijke hemelse en geestelijke zegeningen, waarvan het Nieuwe Testament en dan vooral de Brieven van Paulus spreken. Zegeningen, die niets met de aardse beloften van het Oude Testament te maken hebben. Maar al te vaak wordt over het hoofd gezien, dat de Gemeente van Christus in de oudtestamentische bedeling en ook nog gedurende het aardse leven van de Heere Jezus een verborgenheid was (Romeinen 16 vers 25 en 26; Efeze 3 vers 3 tot en met 6; Kolosse 1 vers 26).

Wat deze, in het Nieuwe Testament geopenbaarde genade, bracht was iets geheel nieuws, buiten de beloften van God aan Abraham, Izaäk en Jakob om. Zij was ook niet geopenbaard tijdens Gods handelingen met het volk Israël en de profeten spreken er niet van. Eerst moest de Christus lijden en sterven, verzoening en verlossing bewerken, en aan de rechterhand van God zijn verheerlijkt. Pas daarna kon de Heilige Geest van de hemel komen om Joden en heidenen, gelovigen in Christus, tot één Lichaam te vormen. In het einde van de tijden zal het blijken dat er een genade van God is geweest, die aardse heerlijkheid tot gevolg heeft gehad. Joden en heidenen zullen het voorwerp van die genade zijn. Maar ook zal het blijken, dat er een genade van God is geweest, die hemelse heerlijkheid tot gevolg heeft gehad. De gelovigen in Christus, leden van Zijn Gemeente, zijn daarvan het voorwerp.

Het grote probleem van het lijden van gelovigen hier op aarde wordt door het Boek Job verklaard, voor zover het op aarde mogelijk is dit geheim van het lijden te verklaren. Waarom lijden de Godzalige, Godvruchtige en rechtvaardige kinderen van God? Als God liefde is, en dat is werkelijk het geval, waarom hebben ze dan zoveel tegenspoed?

Hoe is het met de rechtvaardigheid van God in overeenstemming te brengen, dat Hij rechtvaardigen op duizend manieren laat lijden? Het antwoord, dat het Boek Job geeft op deze vragen is tweeledig.

Ten eerste dient het aan de gelovigen gezonden of toegelaten lijden tot verheerlijking van God. Dit zeggen ons vooral de eerste twee hoofdstukken van het Boek Job. Niettegenstaande de vreselijke beproeving die Job is overkomen, bleef hij aan God vast houden, zondigde hij niet met zijn mond en schreef God niets ongerijmds toe. Wel sprak hij zijn historisch woord, dat duizenden gelovigen in de loop van de tijden hem nagezegd of gefluisterd hebben: “De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de Naam des Heeren zij geloofd!” (hoofdstuk 1 vers 21). God werd daardoor verheerlijkt en satan beschaamd gemaakt. Ten aanzien van het lijden, de ziekte van Lazarus, heeft de Heer Jezus uitdrukkelijk verklaard, dat deze ziekte van Zijn vriend niet de dood tot gevolg zou hebben, maar dat God er door verheerlijkt zou worden, evenals de Zoon van God (Johannes 11 vers 4).

Ten tweede dient het aan de gelovigen gezonden of toegelaten lijden tot heil van de rechtvaardigen. Job werd er door gelouterd; de apostel Paulus kwam er door zijn “doorn” in het vlees toe om in zijn zwakheden te roemen. De beproeving heeft Job de rijkste en beste ervaringen gegeven. Toen hij geleerd en ingezien had, wat de Heere hem daardoor wilde leren, ontving hij grotere zegeningen dan voorheen.

Een wandklok wordt in beweging gehouden door het zware gewicht dat er aan bevestigd is. Wordt dat weggenomen, dan blijft het uurwerk stilstaan. Zó is het ook met de gelovigen, met de rechtvaardigen. Indien de Heere naar Zijn wijsheid en diepste kennis van ieder van Zijn kinderen, geen lijden over hen deed komen of over hen zou toelaten, hen niet bezwaarde met een ‘gewicht’, dan zou hun geestelijk leven ‘stilstaan’, worden geschaad. Het is een vaste waarheid, dat de Heere bij de Zijnen meer bereikt door het lijden, dan door voorspoed.

Twee dingen kunnen de gelovigen bekend zijn en het is gelukkig als die met het hart worden beseft. Ten eerste: “dat hun, die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede” (Romeinen 8 vers 28). Het is hier niet: ‘hen, die door God worden geliefd’, maar het ten goede meewerken hangt af van het feit of de gelovige God liefheeft. Hij, die God liefheeft, beschouwt het lijden heel anders dan de natuurlijke mens.

Ten tweede: “…God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen” (1 Korinthe 10 vers 13).

Zolang het bewustzijn van de liefde van God in het hart gevonden wordt, is de gelovige veilig en zal hij niet alleen niets ongerijmds aan God toe schrijven, maar ook ervaren dat het lijden een bron van ware geestelijke zegening wordt.

HOOFDSTUK 1

In deze verzen zien wij allereerst wie Job is: een oprechte, vrome, Godvrezende man, die afwijkt van en geen gehoor geeft aan het kwade. Vervolgens wat Job bezit: veel vee, veel slaven en een groot gezin. Daarna wat Job doet: hij offert nauwgezet voor zijn kinderen, telkens als hij denkt, dat dezen tegen God hebben gezondigd, hoewel hij daarvan niet zeker was.

Het is goed voor het verstaan van het Boek Job, dat wij al direct bij het begin van de beschouwing van dit Boek, ons een juiste Schriftuurlijke voorstelling van Job vormen.

Dat Job ook voor zichzelf offerde lezen wij niet. Hieruit ontdekken wij al direct, maar dat blijkt nog meer uit Jobs latere woorden, dat Job, ook al was hij werkelijk Godvrezend, zichzelf niet kende en een groot vertrouwen had in zijn eigen gerechtigheid. Dat vertrouwen op het ‘eigen ik’ heeft God moeten verbreken. Job moest tot de erkenning worden gebracht van eigen verdorvenheid. Gelukkig dat hij hiertoe gekomen is, al heeft het lang geduurd voor hij zo ver kwam dat hij zichzelf verfoeide en berouw toonde (hoofdstuk 42 vers 5 en 6).

Job was zeker een oprechte gelovige in God, een levend gemaakte ziel, een wedergeboren mens. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Het getuigenis over hem in het eerste vers wordt later verschillende keren door de Heere Zelf bevestigd. Maar hoewel Job dit was, had hij zichzelf nog nooit goed leren kennen, stond hij vreemd tegenover zijn toestand als natuurlijke mens, als afstammeling van een in de zonde gevallen Adam. De Schriftuurlijke gedachte: “Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont” (Romeinen 7 vers 18), was niet door Job doorleefd. Als bewijs hiervoor hoeven wij maar hoofdstuk 29 te lezen, waarin Job klaagt over het voorbijgegane licht en de verdwenen grootheid van de vorige jaren. Het laat ons zien, welk een diepe wortel van zelfbehagen er in het hart van de Godvrezende Job aanwezig was en hoe dit welbehagen werd gevoed door de zegeningen, die de Heere over hem had uitgestort. Tevergeefs zoeken wij in hoofdstuk 29 naar een uiting van een verbroken geest en een verslagen hart, naar een zelf-verfoeling. Er is zelfs geen enkel wantrouwen in zichzelf, geen zwakheid, geen onwaardigheid. In dat éne hoofdstuk spreekt Job meer dan veertig keer over zichzelf terwijl hij daar maar vijf maal van God spreekt. Dit doet denken aan Romeinen 7 waar het ‘ik’ ook de hoofdrol speelt. Maar dit verschil is er: in Romeinen 7 is de ‘ik’ een ellendig, zwak onwaardig schepsel, dat tegenover de heilige wet van God staat. Maar in Job 29 is de ‘ik’ een heel belangrijk persoon, met een grote invloed op anderen en bewonderd door allen, die met hem in aanraking komen.

Hoofdstuk 30 begint met de woorden die van grote betekenis zijn: “Maar nu…”. Weer maakt Job een treffende vergelijking tussen zijn vorig leven van rijkdom, macht, eer en invloed, en dat waartoe hij nu was vervallen. Ook in hoofdstuk 30 is hij nog met zichzelf bezig, maar er is toch wel een verandering. Hij had nu ervaren dat zij, die hem voor die tijd eerden en vleitaal gebruikten, hem nu met minachting behandelden. Zó gaat het altijd in deze trouweloze en bedrieglijke wereld, vroeger en nu. En voor veel gelovigen is het nodig, dat zij deze ervaring opdoen. De Heere Jezus op aarde had voor Zichzelf deze ervaring niet nodig, maar ook Hij heeft het meegemaakt dat er de ene dag voor Hem “hosanna” werd geroepen en de andere dag “Kruisig Hem”. Toen de verloren zoon veel bezittingen had, had hij ook veel ‘vrienden’. Maar toen hij alles had doorgebracht, was er niet één van deze ‘vrienden’ meer over.

Job moest van zijn eigenwaan worden ontdaan. Maar dat was voor hem een uiterst pijnlijke zaak. Dankzij het ingrijpen van de Heere, die de Zijnen nooit in de steek laat, is hij echter terechtgekomen. Er zijn genoeg mensen, die in en door deze wereld worden teleurgesteld zonder dat deze teleurstelling hen tot God brengt. Dat worden dan de grootste pessimisten. Zó is het echter niet met Job gegaan. Uiteindelijk is God alles voor hem geworden en was hij zelf niets meer. Wat zal hij zich toen geschaamd hebben over al zijn redeneringen om zichzelf te handhaven en ook over de vervloeking van zijn geboortedag.

Het proces van het zichzelf in het licht van God leren kennen verloopt niet in één dag. Wij weten niet hoelang de beproeving van Job heeft geduurd, maar eenenveertig hoofdstukken van dit Boek zijn er mee gemoeid. Dit is het grote doel van het Boek Job: de noodzakelijke lering, praktisch ondervonden, om te komen tot een verbroken geest en een verslagen hart. Gods doel met Job was hem van zijn eigen gerechtigheid en voortreffelijkheid te ontdoen, hem elk zelfvertrouwen te ontnemen en dat hij in de plaats daarvan al zijn hoop en vertrouwen op God zou stellen.

Deze les moet door alle gelovigen worden geleerd. Sommigen leren die al vlak voor hun bekering. Anderen daarna. Petrus leerde de les in gedeelten. Na de wondere visvangst en geplaatst tegenover de Almachtige, kwam hij tot de erkenning: “Heere, ga uit van mij; want ik ben een zondig mens” (Lukas 5 vers 8). Maar later moest de Heere hem toch nog van zijn zelfvertrouwen genezen en daarvoor was een diepe val van Petrus nodig (Lukas 22 vers 34). Maar hoe het ook gaat, eenmaal moet deze les worden geleerd. Het ‘eigen ik’ moet voor God geoordeeld worden, niet éénmaal, maar voortdurend. Wij kunnen het leren door in gemeenschap met God te wandelen. Dan zullen wij spoedig het afschuwelijke van dat ‘eigen ik’ ontdekken. Verloopt het proces zonder grote schokken. Een andere manier om deze les te leren is, dat God de omstandigheden in het leven gebruikt. Maar dat is veel moeilijker en pijnlijker. Naar de gedachte van God had Job zo’n moeilijke en pijnlijke zifting nodig. Anders zou de Heere niet hebben toegelaten, dat Job in zulke aangrijpende omstandigheden terecht kwam. Juist omdat God Job liefhad, handelde Hij zo met hem.

Allereerst spreekt de Schrift dus over wie Job was en daarna over wat hij bezat en wat hij deed. Job was in zijn uitwendige openbaring inderdaad een man naar Gods hart. Hij was vroom in de goede zin van het woord, hij was oprecht (in de betekenis van ‘onberispelijk’). Hij was Godvrezend en week af van het kwade. Dit alles toont wel aan, dat Job een wedergeboren mens was, al heeft hij die wedergeboorte natuurlijk niet in nieuwtestamentisch licht verstaan. De onberispelijkheid van Job wil natuurlijk niet zeggen, dat de zonde niet meer in hem aanwezig was, maar dat hij, hiertoe door de vreze Gods aangespoord, van het kwaad afweek. Er was een vaste lijn in het leven van Job.

Voor God was het niet zo belangrijk, dat Job de rijkste herdersvorst in die dagen was. In Zijn ogen verhoogt of verlaagt de mens zich niet door bezit. Wel was het voor Hem belangrijk dat deze Job – ondanks het verdubbelde bezit na zijn terechtbrenging – een ootmoedig man zou zijn. Een man met een verbroken geest en een verslagen hart, die geleerd had wie hij zelf eigenlijk was (Jesaja 66 vers 2).

Over het land Uz, waarin Job woonde, hebben wij in de inleiding al enkele opmerkingen gemaakt. En om niet in herhaling te vallen, verwijzen we daar naar.

Het bezit van veel kinderen werd in het oosten als een bijzondere zegen beschouwd. De zorg van Job ten aanzien van zijn kinderen is de navolging waard. Hij stond er vroeg voor op. Het hoofd van de familie in de patriarchale tijd oefende ook de priesterdienst uit.

Bezorgd als hij was, dat zijn kinderen bij de feestmaaltijden in iets gezondigd hadden en God hadden gezegend (dat betekent dat ze God vaarwel gezegd, Hem verzaakt hadden) offerde Job voor een ieder van zijn kinderen een brandoffer. (Job zal het onderscheid tussen een brandoffer en een zondoffer nog niet hebben verstaan.) Welk een ouderlijk verantwoordelijkheidsbesef spreekt er uit deze handeling. Christenouders kunnen hier van leren. Over het algemeen stellen ouders hun kinderen op een te hoog peil. Maar Job hield rekening met de vijandelijke en zondige invloeden waaraan zijn kinderen mogelijk hadden blootgestaan en daaraan hadden toegegeven. Daarom hief hij zijn handen op voor de ziel van zijn kinderen.

In vers 6 verandert plotseling het toneel; wij worden met onze gedachten in de hemel verplaatst. De “kinderen Gods”, waaronder wij hier engelen moeten verstaan, dienaren van de Heere, stelden zich voor Hem om Zijn bevelen te horen. Dat met deze “kinderen Gods” werkelijk engelen bedoeld zijn, blijkt ook heel duidelijk uit wat de Heere Zelf tegen Job zegt in hoofdstuk 38. De Heere bepaalt Job bij de oorspronkelijke schepping van hemel en aarde (Genesis 1 vers 1; Job 38 vers 4-7), en vraagt dan aan Job waar hij was, toen al de “kinderen Gods” over die schepping jubelden. Toen was er in de verste verte nog geen sprake van de aanwezigheid van mensen. Wij moeten er ook aan denken, dat er in Job 1 vers 6 tot en met 12 geen visioen gegeven wordt, maar dat ons een blik in de hemel wordt gegund om te zien, dat de engelen dienende geesten zijn (Hebreeën 1 vers 14), die zich voor de Heere stellen om Zijn bevelen te vernemen.

Onder deze engelen bevindt zich ook de satan. En uit vers 7 blijkt, dat deze niet slechts voor een ogenblik of voor een bepaalde zaak in de hemel was, maar dat hij daar zijn woonplaats heeft. Want op de vraag van de Heere aan de satan: “Van waar komt gij?” antwoordde hij: “Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen”. Waaruit volgt, dat de satan, zoals wij kunnen zeggen, op reis is geweest en in zijn woonplaats is teruggekeerd.

Ook elders in de Schrift wordt duidelijk geleerd, dat de satan niet hier op aarde, maar in de hemelse gewesten woont. Men kan het oorspronkelijke woord ook door ‘hemelse plaatsen’ vertalen. Natuurlijk woont de satan niet daar, waar God woont, want in de tegenwoordigheid van God kan de duivel niet wonen. De apostel Paulus zegt: “Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van deze wereld, van de duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht” (of: “…in de hemelse gewesten”) (Efeze 6 vers 12).

Verder lezen wij in de Openbaring: “En er werd krijg in de hemel: Michaël en zijn engelen krijgden tegen de draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen. En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in de hemel. En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de hele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen” (Openbaring 12 vers 7 tot en met 9). Waaruit volgt dat de satan voorheen in de hemelse gewesten woonde.

Dezelfde Michaël, een aartsengel, had ook al eerder met de duivel getwist, toen in opdracht van de Heere over het lichaam van Mozes. De Heere wilde niet, dat de Israëlieten tot afgoderij met dat lichaam zouden komen (Judas vers 9).

En de Heere Jezus heeft gezegd: “Ik zag de satan, als een bliksem, uit de hemel vallen” (Lukas 10 vers 18). Hij zag toen als het ware al de toekomstige ineenstorting van satans macht.

Ook al woont de duivel nu nog in de hemelse gewesten, toch is vooral de aarde zijn ‘werkplaats’, zijn werkterrein (1 Petrus 5 vers 8). Dit leren wij duidelijk uit de geschiedenis van Job (hoofdstuk 1 vers 7). De Heere Jezus heeft satan dan ook ‘de vorst van deze wereld’ genoemd. Vooral in deze wereld, op deze aarde oefent de duivel de macht uit die hem nog gelaten is.

Satan kende Job en wist, wat dit voor een mens was. Hij wist, dat Job een oprecht en vroom man was, Godvrezend en wijkende van het kwaad. Tegen dit getuigenis, dat de Heere gaf, maakt de duivel dan ook geen bedenking. Maar hij tast wel de oorzaak van Jobs Godvrezendheid aan: “Is het om niet, dat Job God vreest?” Heeft de Heere hem niet een groot bezit, grote rijkdom gegeven? En zorgde Hij niet op alle mogelijke manieren voor dat bezit van Job, zodat er bijvoorbeeld geen ziekte heerste onder zijn vee en hij geen misgewas kende? Laat God dat bezit van Job echter maar eens aantasten, dan zal hij al gauw God openlijk vaarwel zeggen, Hem verzaken.

Door dit voorstel wordt het ware karakter van de duivel openbaar. Het is hem een doorn in het oog, dat de Heere zo’n prachtig getuigenis van Job kan geven. Satan denkt dat iedereen is zoals hij en schrijft daarom aan Job onedele beweegredenen toe, alsof hij alleen om het bezit God zou vrezen. En het is satans vermaak zulke beweegredenen in het licht te stellen.

Hierop staat de Heere het aan de satan toe om al wat Job bezit aan te tasten, alleen aan Job zelf mag hij niet komen. De Heere had hiermee Zijn eigen doel, namelijk Job vrij te maken van zijn eigen hoogheidswaan en eigengerechtigheid, en dit kon niet anders worden bereikt dan door zware beproevingen over hem toe te laten. Hiervoor wordt de satan gebruikt: iets wat hij maar al te graag doet.

Ook onze karakters en fouten zijn de satan bekend. Hij kent onze gezindheden, onze wegen, onze geschiedenis. Hij is echter niet alwetend, dat is alleen God. Alleen de Heere kan het hart doorzoeken en de nieren proeven (Jeremia 17 vers 10). Alleen Hij kent onze gedachten (Psalm 139 vers 1 tot en met 6). Maar toch weet de duivel ook veel. Hij bespiedt onze daden en kent onze woorden. Het verkeerde daarvan gebruikt hij om ons nog verder van de rechte weg af te brengen. Het is dus heel erg belangrijk en uiterst noodzakelijk om steeds op onze hoede te zijn!

Uit de geschiedenis van Job zien wij dus dat alleen doordat de Heere het toeliet de duivel zulke zware beproevingen over Job kon brengen. Deze wetenschap is een rijke troost. Uiteindelijk was Job dus niet in handen van de duivel, die het op zijn verderf had gemunt, maar in de hand van de Heere, Die het goede voor Job zocht en zeer barmhartig en een Ontfermer is (Jakobus 5 vers 11). Satan kan geen stap verder gaan dan de Heere hem toestaat. De aardse beproevingen, die Job overkomen, hadden hun oorsprong in de hemel. Satan mag dan de mensen het bijgeloof aan de sterrenwichelarij opdringen, maar daardoor wordt de hemelse oorsprong van de beproevingen van de gelovigen niet te niet gedaan. En zo is het ook, wat de toestanden in deze wereld betreft. Al is er grote verwarring, al wordt het recht verkracht, al heerst de ongerechtigheid, het blijft waar dat, ondanks alle wanbestuur van mensen, God de teugels van het bestuur in handen heeft en houdt. Het is nu de tijd nog niet om paal en perk te stellen aan het kwaad. De “verborgenheid Gods”, dat is de toelating van het kwaad, aangericht door de satan en door mensen, is nu nog niet ten einde (Openbaring 10 vers 5 tot en met 7).

De wetenschap voor de gelovigen dat God hun levensweg bestuurt, geeft aan de beproevingen, die hun deel zijn, een heel ander karakter. De apostel Paulus spreekt eerst van zijn “doorn in het vlees”, van een “engel des satans” die hem met vuisten sloeg. Maar daarna van de genade van de Heere, van een roemen in zwakheden, terwijl er toch aan zijn lijden uitwendig niets veranderd was (2 Korinthe 12 vers 7 tot en met 10). Als God in Zijn bestuur de beproeving vaststelt, dan is zowel het begin als het einde, en ook de zwaarte daarvan, in Zijn hand. Dan kan ons niet overkomen buiten Zijn wil. Wij hebben dan slechts een eenswillendheid met die heilige wil nodig. Bij de beproeving van Job is er sprake van “het einde des Heeren”, toen duidelijk was uitgekomen, dat de Heere zeer barmhartig en een Ontfermer is (Jakobus 5 vers 11).

Ongelovigen, die van een val van de mens niets willen weten, ontkennen ook vaak het bestaan van de duivel. Mensen loochenen nu eenmaal graag alles, wat hen niet aanstaat. Hun trots is beledigd, zij komen in opstand tegen de waarheid, dat zij door de zonde in de slavernij van satan zijn geraakt. Maar de Schrift stelt het werkelijk bestaan van de duivel uitdrukkelijk vast. Satan was al eerder (al vóór de zesdaagse schepping), een vorst onder de engelen. Door zijn hoogmoed heeft hij zich tegen God verheven en is hij de grote tegenstander van God geworden. Op alle mogelijke manieren stookt hij het kwaad aan. Aan hem is nog een zeer grote macht gelaten. Maar eens zal aan die macht voorgoed een einde gemaakt worden. Dan zal hij voor eeuwig geworpen worden in de poel van vuur en zwavel en zijn straf ondergaan (Openbaring 20 vers 10).

Het is echter voor veel gelovigen een moeilijkheid, dat de satan ongehinderd in het midden van de “kinderen Gods”, de engelen, voor het aangezicht van de Heere verschijnt. Inderdaad is dit voor ons menselijk begrip een moeilijke zaak. Wij geloven, dat wij dit verschijnen van satan voor God moeten zien in verband met de verborgenheid Gods, waarover wij eerder al geschreven hebben. Een verborgenheid van God voor mensen. Er is een uitstel van het volledig oordeel over het kwaad, een toelating daarvan door God. Maar de tijd komt, dat dit uitstel en deze toelating een einde komt (Openbaring 10 vers 5 tot en met 7).

Zo is het nu ook nog steeds mogelijk, dat de satan voor God verschijnt om als “de aanklager onzer broederen” op te treden (Openbaring 12 vers 10; Zacharia 3 vers 1 tot en met 3), totdat de tijd van volledig en definitief oordeel zal zijn gekomen. Deze grote tegenstander van God keert zich het meest tegen de gelovigen, de voorwerpen van de liefde van God. De haat van satan is vooral tegen hén gericht, over wie God Zijn welbehagen heeft uitgesproken. Hij richt zijn aanvallen op de positie die de gelovigen voor God in Christus hebben en wat zij praktisch in hun dagelijks leven vertonen. Wat een blijdschap was het later voor Job om, temidden van de hem door satan berokkende ellende, de bemoeienis, het geduld en de liefde van God te ondervinden. En dit kan ook door de gelovigen van nu ervaren worden.

Als de Heere aan satan de vraag stelt: “Van waar komt gij?” is het natuurlijk onmogelijk, dat God dit niet wist. Iemand heeft hiervan gezegd: ‘Dit is geen eigenlijke vraag, maar een inleiding tot een gesprek. God ‘kent’ de weg van satan niet, willen zeggen: God erkent die weg niet, maar Hij wist wel waar de satan op dat moment vandaan kwam’. En zo is het ook met de volgende vraag: “Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job?”. De Heere wist wel, dat Job een voorwerp was van de haat van satan, maar Hij stelt die vraag, om direct te constateren, dat het satan niet was gelukt Job tot het kwade te verleiden.

Iedereen begrijpt, dat, als God aan de in de zonde gevallen Adam de vraag stelt: “Waar zijt gij?” (Genesis 3 vers 9), dit geen onwetendheid van de Heere is, maar een vraag, die bedoeld is om het hart en geweten te treffen. Als de mensen later een stad en een toren bouwen om voor zichzelf een naam te maken, daalt de Heere neer om die stad en toren te bezien (Genesis 11 vers 5). Wist Hij dat niet? Moest Hij daarvoor neerdalen? Iedereen neemt wel aan dat God alle dingen kent en weet. Maar Hij wilde door dat neerdalen en bezien de ernstige les geven dat Hij het kwaad pas oordeelt na een grondig onderzoek. Zo was het ook voordat Sodom geoordeeld werd. De Heere overtuigde Zich er eerst van dat het werkelijk waar was, dat de bewoners van die stad het uiterste gedaan hadden, of “hun zonde zeer zwaar is”, zodat het oordeel voltrokken moest worden (Genesis 18 vers 20 en 21).

Is het dan niet vreselijk voor de gelovigen, dat zij weten steeds door zo’n machtige vijand, als de duivel is, beloerd te worden, die voortdurend probeert om hen ten val te brengen? Ja, op zich wel! Maar de satan heeft geen macht over een gelovige, die in afhankelijkheid van en in gehoorzaamheid aan God wandelt. En zelfs wanneer er bij de gelovige iets zou zijn, waarop satan direct de vinger kan leggen, kan hij geen duimbreed verder gaan, dan God hem toestaat. De apostel Jakobus zegt, dat de gelovige zich aan God, aan Gods doen, moet onderwerpen. Dan zal de duivel van hem vluchten (Jakobus 4 vers 7). Tegenover de gelovige die dat doet, heeft hij geen macht.

Satan heeft geen tijd verloren laten gaan om van de toelating van de Heere, om kwaad en rampen over Job te mogen brengen, gebruik te maken. Met grote snelheid volgden de aankondigingen van de verschillende rampen elkaar op. Job had de éne onheilstijding nog niet kunnen verwerken of er kwam al weer een andere. Als eerste hadden de Sabeeërs, een Arabische stam, een inval gedaan, de runderen en ezelinnen geroofd en de knechten van Job vermoord. Ten tweede was er vuur van God, de bliksem, uit de hemel gevallen, waardoor de schapen met hun herders verteerd waren. Ten derde hadden de Chaldeeën een inval gedaan, de kamelen geroofd en de knechten van Job gedood. Ten vierde was er een hevige storm op komen zetten, die het huis, waarin de kinderen van Job waren, deed instorten en waardoor ze allemaal waren omgekomen.

Als God het toelaat, dan heeft de duivel een ontzettende macht. Hij kan de volken ophitsen, oorlog en revolutie doen ontstaan. Hij kan over donder en bliksem beschikken. Alle elementen kan hij gebieden, orkanen doen ontstaan, waardoor huizen instorten en schepen vergaan. Alles om zijn goddeloze doelen te bereiken. Hij kan ook allerlei kwalen en ziekten onder de mensen zenden. Het tweede hoofdstuk van het Boek Job zegt ons, dat Job door de satan met boze zweren geslagen werd van de schedel af tot de voetzolen toe (hoofdstuk 2 vers 7). De twee bezetenen in het land van de Gergesénen waren stellig door de duivel in die vreselijke toestand gekomen (Mattheüs 8 vers 28 tot en met 34). De man in de synagoge te Kapernaüm, die een geest van een onreine duivel, een demon, in zich had (Lukas 4 vers 33 tot en met 37), was zeer zeker ook een prooi van de duivel. Evenals Maria Magdaléna; uit haar waren zeven demonen gebannen (Lukas 8 vers 2). De vrouw, die achttien jaar door een ziekte geheel voorover gebogen was (Lukas 13 vers 10 tot en met 17), was al die tijd door de satan gebonden geweest. De evangeliën geven nog veel meer voorbeelden die aantonen, welke macht de duivel bezit om lichaam en geest aan te tasten.

En wat de macht van de duivel over de elementen betreft, die blijkt wel heel duidelijk uit de storm op de zee van Tiberias. Dat de storm een werk van de duivel was, blijkt uit het feit dat de Heere Jezus de wind bestrafte (Markus 4 vers 39). Ook uit het tweede kwaad dat Job overkwam, blijkt dat de duivel macht heeft over de elementen. Dat de bode van een vuur Gods sprak, is natuurlijk omdat dit vuur uit de hemel viel. Wat Job overkwam was ook het werk van de duivel, hoewel het toch slechts aardse gebeurtenissen zijn, ontstaan door gewone oorzaken, door dingen die ook nu nog elke dag voorkomen. Job schrijft deze gebeurtenissen echter toe aan God.

Het is echter niet alleen de duivel, die allerlei rampen kan veroorzaken en dan natuurlijk alleen wanneer God hem dit toestaat. Ook de Heere Zelf kan oorlog gebieden. Denk maar eens aan de verovering van Kanaän door de Israëlieten en aan de oorlog tegen Amalek (1 Samuël 15 vers 1 tot en met 8). Ook Hij kan verteren door de bliksem en de elementen gebieden, zoals bijvoorbeeld bij de zondvloed. En sloeg in de dagen van David de engel des Heeren het volk niet met pestilentie?

De gelovigen kunnen niet altijd met zekerheid bepalen, wie de bewerker van een ramp of onheil is. Wel zullen zij hiertoe beter in staat zijn, wanneer zij een grondige kennis hebben van het Woord van de Heere en van Zijn wegen met de mensen, en wanneer zij ook in gemeenschap met God hun weg gaan. Het is voor een geestelijk gezinde Christen niet moeilijk om te begrijpen dat de storm op de zee van Tiberias door de duivel verwekt was. Indien deze wind door God was beschikt, zou de Heere Jezus niet de wind en de zee hebben bestraft (Markus 4 vers 39). Als echter Jona ongehoorzaam is aan Gods bevel om naar Ninevé te gaan, werpt de Heere een grote wind op de zee om Jona te dwingen naar Gods bevel te luisteren (Jona 1 vers 2 tot en met 4 en Jona 3 vers 1 tot en met 3). En even duidelijk is het, dat de plotselinge dood van Ananias en Saffira niet op bevel van de satan, maar op dat van de Heere plaatsvond (Handelingen 5 vers 1 tot en met 11). En zo is het ook ten aanzien van de vele zieken en niet weinige ontslapenen onder de gelovigen te Korinthe. Het is wel duidelijk, dat de Heere daar ingreep (1 Korinthe 11 vers 30 tot en met 32). Wat een geruststellende gedachte dat het leven van de gelovigen in Gods hand is; op dat terrein is de satan de macht ontzegd (Psalm 31 vers 16).

Toen Job de vier onheilstijdingen vernomen had, scheurde hij zijn mantel en schoor hij zijn hoofd, als uitingen van rouw. In al dit onheil ziet hij niet de hand van de duivel of mensen, maar die van God. En zo is het ook werkelijk, ook voor de gelovigen van nu. In eerste instantie is het immers God, Die deze beproevingen over Job toeliet. Van Hem was, om zo te zeggen, de toestemming uitgegaan; de duivel was slechts een werktuig.

De Heere had aan Job heel veel gegeven, maar ook, en dat op één dag, dat alles weer genomen. En omdat Job geloofde, dat de Heere hem niets dan het werkelijk goede zou schenken, kon hij er ook toe komen, de Naam van de Heere onder die schokkende omstandigheden te loven. Neen, het is niet door zijn werkkracht, ijver en overleg, dat hij dat vele goede heeft verkregen. En het zijn ook niet de Sabeeërs of Chaldeeën, die hem dat vele weer afgenomen hebben.

Wat zijn deze geloofswoorden van Job sindsdien vaak door anderen herhaald! Wie zal de sterfbedden tellen, waar deze woorden in de kracht van de laatste ademtocht zijn uitgesproken. Hoeveel rouwende achterblijvers zullen het Job sindsdien met tranen in de ogen nagezegd hebben. Bij hoeveel ziektegevallen zijn ze gesproken, als een kracht om toch nog verder te leven, ondanks het gemis van een gezond lichaam. Bij hoeveel materiële verliezen, soms door schokkende dingen, zoals bijvoorbeeld een brand, zijn deze woorden geleerd, gefluisterd en later openlijk gezegd.

In één dag tijd was Job van vorstelijke rijkdom tot volslagen armoede vervallen en bovendien van al zijn kinderen beroofd. Het zou niet vreemd geweest zijn als hij tengevolge hiervan zijn verstand had verloren. Maar Job stelde de dingen goed en wijs voor z’n aandacht. Naakt, zonder enig bezit, was hij in deze wereld gekomen en hij zou ook zonder enig bezit in de schoot van de aarde terugkeren. Dit is de ijzeren wet, waaraan niemand kan ontkomen. Een doodshemd heeft geen zakken; alleen het geestelijk bezit blijft. En dat is iets wat alleen een gelovige kan hebben. De man, die zijn vergrote schuren vol had verzameld en zijn ziel opwekte daarvan te genieten, werd door de Heere Jezus een dwaas genoemd. Alles wat hij bij elkaar gebracht had, zou hij aan anderen moeten nalaten (Lukas 12 vers 16 tot en met 21 en Psalm 49 vers 17 en 18).

Wat heeft één enkele ziel toch een grote waarde voor God! Job moest van zijn eigen hoogheidswaan en eigengerechtigheid vrij gemaakt worden, genezen worden. Zijn kinderen en heel zijn bezit worden aan dit doel ondergeschikt gemaakt. Wij mogen gerust aannemen, dat er geen andere, minder moeilijke weg was, die tot dit doel zou leiden. Job moest ‘naakt’ worden, ontdaan van alle eigen waan. Met minder rampen zou dit doel niet bereikt worden.

Aan het einde van dit hoofdstuk wordt gezegd, dat Job in dit alles niet zondigde en God niets ongerijmds toeschreef. De duivel had het tegendeel verwacht, maar werd beschaamd gemaakt. Zijn aanslagen op Job zijn mislukt. Wat is deze Job een voorbeeld van geloof! En dat bij de heel geringe kennis die hij van God had. Wij merken hier nog op, dat Job te maken had met God en met de satan. God kende de vroomheid en oprechtheid van Job. Die dingen waren ook aan satan bekend. Maar God kende ook de eigenwaan en eigengerechtigheid van Job en daar wist de satan niets van af. De vroomheid van Job was een uitwendig iets, de eigenwaan een zaak van het hart, dat alleen door God wordt gekend (Psalm 139 vers 1 tot en met 6). In de verdere geschiedenis van Job komt zijn eigenwaan maar al te duidelijk naar voren en toen kon dit uiteraard ook aan de satan bekend worden. Maar na het tweede hoofdstuk wordt er niet meer over de satan gesproken. Hij is dan verslagen.

HOOFDSTUK 2

Opnieuw kunnen wij constateren, welke plaats satan inneemt in de regeringswegen van God. Hoewel de duivel er altijd op uit is om het volk van God aan te klagen, kan hij toch niets doen, als de Heere hem dit niet toestaat. Hij is dus slechts een instrument.

Het was gebleken, dat zijn eerste aanvallen op Job niet dat resultaat opgeleverd hadden, zoals satan tevoren zo stellig had beweerd. Job was gebleven wie hij tevoren was geweest, een man, oprecht en vroom, Godvrezende en wijkende van het kwaad. De Heere had niet teveel gezegd, toen Hij vooraf verklaarde: “…niemand is op de aarde gelijk hij…”. En dit wordt in het tweede hoofdstuk, na de slagen die Job getroffen hadden, herhaald. In plaats van God vaarwel te zeggen, had Job toen God geloofd.

Satan geeft het echter nog niet op. Als er weer een dag is, waarop de “kinderen Gods”, de engelen, zich voor de Heere stellen om Zijn bevelen te vernemen, is satan ook weer in hun midden. Deze keer wordt ook van hem gezegd, dat hij kwam om zich voor de Heere te stellen. Dit werd de eerste maal niet gezegd. Dit toont wel aan, dat de satan zich terdege bewust is, dat hij zonder de toelating van de Heere niets kan doen.

Als de Heere dan weer wijst op de onveranderde vroomheid van Job, heeft de satan nog een ander voorstel. Tot nu toe had hij de kinderen van Job en zijn bezittingen aangetast, maar nu wil hij Job zelf in zijn lichamelijke gezondheidstoestand slaan. Zal een mens immers niet alles geven of alles terzijde stellen voor zijn leven? Laat de Heere hem maar eens toestaan om het gebeente en vlees van Job aan te tasten. Dan zal hij er zeker toe komen om God openlijk vaarwel te zeggen, om Hem te verzaken.

Evenals de eerste keer, toen door de Heere het bezit van Job in de macht van de duivel werd gegeven, zo wordt ook nu de persoon van Job aan die macht overgegeven. Alleen met deze beperking, dat het leven van Job onaangetast moet blijven. Dit was eigenlijk niet volgens het voorstel van satan, maar het leven van Job was nodig om het doel, wat God met hem had, te kunnen bereiken. Als Job later in de as terneer zit, wordt openbaar dat het juist de dood is, waar hij boven alles naar verlangt (hoofdstuk 3 vers 20 tot en met 26). Wat moet de Heere Job goed gekend hebben dat Hij hem, tot twee maal toe, aan zulke vreselijke beproevingen overgaf. God kan lang niet over al de Zijnen dergelijke beproevingen toelaten.

Daarna ging satan heen en sloeg Job met boze zweren op zijn hele lichaam. Velen zeggen dat hij door de zwarte, de ergste, melaatsheid werd getroffen. Er staat in vers 8 dat Job een potscherf nam om zich daarmee te krabben. De nagels van zijn vingers kon hij hiervoor niet meer gebruiken, omdat die bij melaatsheid al heel gauw afvallen.

Zijn kinderen en heel zijn bezit waren Job ontnomen, behalve zijn vrouw. Zij is echter geen hulp voor hem in deze moeilijke omstandigheden, die nog verzwaard worden door de ziekte van Job. Ze geeft er duidelijk blijk van hoe verbitterd ze is. Zij verwijt haar man zijn volharding om nog steeds aan God en aan zijn eigen oprechtheid, vast te houden. Ze weet geen betere raad te geven, dan dat Job God maar vaarwel moeten zeggen en sterven. Bij haar is er geen liefde voor haar man aanwezig, want anders zou zij zijn dood niet aanraden. (Sommigen denken, dat de vrouw heeft bedoeld: ‘Maak zelf maar een einde aan je leven’. Of dit werkelijk zo is willen wij liever niet beoordelen.) Bij haar is ook geen enkel besef van de liefde en barmhartigheid van God. Uit het antwoord, dat Job haar geeft, kunnen wij wel afleiden, dat zij, zolang er voorspoed was, min of meer aan God heeft vast gehouden. Dat deed ze echter niet meer toen de beproevingen kwamen. Voor haar is alleen belangrijk, dat er maar zo gauw mogelijk een eind komt aan deze ellende, op wat voor manier dan ook. En met deze gezindheid is zij een geschikt instrument voor de duivel om de beproeving van Job nog zwaarder te maken.

Evenals de vrouw van Job hebben veel gelovigen, als er beproevingen over hen komen, slechts die ene zorg: ‘Hoe kom ik er zo gauw mogelijk van af’, of: ‘Hoe kom ik er door’. Maar weinigen bedenken: ‘Hoe kan ik God er door verheerlijken’.

Job blijft echter trouw en zegt tegen zijn vrouw dat zij spreekt als “een der zottinnen”. Het woord ‘zot’ heeft in de Schrift niet de betekenis van een verzwakt verstandelijk vermogen, maar geeft een sterke zedelijke achteruitgang aan. Met als gevolg: een uit het oog verliezen van God en het inhoudsloos en zinloos maken van het Woord van de Heere. Job zegt dat het ongerijmd is wél het, naar de menselijke gedachte, goede van God aan te nemen en niet het kwade, de rampen. Job begrijpt zijn beproevingen ook niet, maar neemt ze wel aan uit de hand van de Heere.

Als Job later echter over de oorzaak van zijn lijden gaat nadenken en zich in moeilijk doorworstelde uren bezighoudt met het ‘waarom’ van dit alles, dan blijft ook zijn hart niet vrij van bitterheid. Maar in hoofdstuk 2 wordt alleen gezegd, dat Job in dit alles niet met zijn lippen zondigde. Deze uitspraak van de Schrift is niet zo sterk als na de eerste vier verzoekingen, die zijn bezit hadden aangetast. Toen werd er namelijk van hem getuigd: “In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe”.

Satan is ook de tweede keer volkomen verslagen en verdwijnt nu voorgoed van het toneel. Er wordt na hoofdstuk 2 niet meer over hem gesproken in het Boek Job.

Job heeft ook de tweede beproeving, tenminste ten opzichte van de satan, glansrijk doorstaan. Maar toch gaan de beproevingen van Job nog door.

Dit komt, omdat de Heere Zich met hem bezig houdt. Wat de uitwendige openbaring betreft, had Job overwonnen, maar inwendig was hij niet daar waar God hem wilde hebben. Als de Heere, na de nederlaag van satan, Zich niet verder om Job bekommerd had, dan zou hij alleen maar in zijn eigenwaan versterkt zijn. Misschien had hij dan wel gezegd of gedacht: ‘Ik ben trouw gebleven. Alles wat ik bezat werd mij ontnomen, mijn lichaam is verwoest, mijn vrouw was een tegenstandster van mij, maar ik heb niet eens geklaagd of gemopperd’.

Maar dan was ook niet het “einde des Heeren” in deze zo zware beproeving openbaar geworden. Dit “einde des Heeren” was, dat het hart van Job verootmoedigd zou worden, dat hij zijn eigen toestand voor ogen zou krijgen. En dat is in hoofdstuk twee nog niet het geval. Vóór de beproeving was Job de grote man en dat was hij ook tijdens het lijden. Satan werd door hem beschaamd gemaakt. Maar dan is Job er nog lang niet aan toe, om uit te roepen: “Zie, ik ben te gering” (hoofdstuk 39 vers 37). Of: ‘Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as” (hoofdstuk 42 vers 6). De woorden: “In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet”, die nu niet gevolgd worden door: “en schreef Gode niets ongerijmds toe”, zijn dan ook van grote betekenis. Het is alsof de Schrift op dat moment een onderscheid maakt tussen de uitwendige en inwendige toestand van Job.

Wij kunnen dit niet genoeg in het oog houden. De beproevingen van Job duurden voort, ook nadat de satan beschaamd was heengegaan. Job moest nu namelijk nog leren helemaal op God te vertrouwen en geen waarde meer te hechten aan zijn eigen voortreffelijkheid. Door het geloof had hij alle aanvallen van de duivel afgeslagen, maar daarna was hij voor God nog geen ‘ledig vat’, had geen verbroken hart en geen verslagen geest. Dit is de sleutel tot het goed begrijpen van wat in de volgende hoofdstukken van het Boek Job wordt medegedeeld.

Tussen het ogenblik waarop, door het vasthouden van Job aan God, de satan werd verslagen — waarna de Schrift van Job getuigt, dat hij in dat alles niet zondigde met zijn lippen — en de komst van de drie vrienden van Job, ligt zeker een geruime tijd. Wij lezen, dat de drie vrienden overeengekomen waren Job te bezoeken om hem te beklagen en te vertroosten. Deze onderlinge afspraak en de reis naar de woonplaats van Job, hebben tijd gekost. En gedurende al die tijd ging de beproeving van Job door. Nog steeds was hij van al zijn bezittingen beroofd en nog steeds woedde die vreselijke ziekte in zijn lichaam.

Het is een bekend feit, dat een hevige maar korte beproeving, door de spanningen die dan optreden, beter verdragen kan worden, dan wanneer de beproeving min of meer chronisch wordt. Dit verklaart ook iets van de droevige verandering in gezindheid, die wij bij Job in het derde en andere hoofdstukken opmerken.

Maar er was meer, dat deze verandering bij Job veroorzaakte. Wij kunnen gerust aannemen, dat de drie vrienden door echte vriendschap voor en oprecht meeleven met Job gedreven werden hem te bezoeken. Als zij hem zien, dan geven zij blijk van hun ontzetting. Zij scheuren hun mantels, werpen stof op hun hoofden en zitten gedurende zeven dagen en zeven nachten bij hem, maar spreken geen enkel woord met hem, omdat zij zagen, dat zijn smart heel groot was.

Als de gezindheid van Job toen goed geweest was, dan had hij door dit stilzwijgende medeleven vertroost kunnen worden. Maar dat was helaas niet het geval. Alleen al hun tegenwoordigheid, het feit, dat zij ooggetuigen waren van zijn leed en vernedering, was pijnlijk voor Job. Hij, de rijkste herdersvorst van het oosten, de machtige, die zoveel goeds deed, die door iedereen met eerbied werd behandeld en ontzien, kon het meelijden van zijn drie vrienden niet verdragen. Heel zijn trots komt er tegen in opstand. Het mankeert er nog maar aan, dat zij de rechtvaardige Job houden voor iemand die door God geslagen werd. De komst van deze drie vrienden veroorzaakt dan ook een verandering bij Job. Beter gezegd: het bracht een openbaring van de verkeerde gezindheid van Job aan het licht. Uit het derde en andere hoofdstukken komt dit heel duidelijk naar voren.

HOOFDSTUK 3

Met hoofdstuk 3 begint de dichterlijke vorm van het Boek Job. In het kort en in minder verheven taal komen de verzen 1 tot en met 26 van hoofdstuk 3 hierop neer, dat Job zijn geboortedag vervloekt. Waarom is hij niet bij de geboorte gestorven, waarom is hij opgegroeid? Als hij toen was gestorven, zou hij nu rust hebben, zou hij slapen bij de voornamen van het land. Waarom was hij niet geweest als een misgeboorte? In het dodenrijk is geen goddeloosheid en zij die hier gevangenen en slaven waren, zijn daar vrij. Waarom heeft God aan rampspoedigen en bedroefden het levenslicht gegeven, terwijl zij toch zo naar de dood verlangen? Waarom gaf God het levenslicht aan een man, die geen uitweg meer ziet, omdat elke weg hem wordt afgesneden en de dood van hem wijkt? In plaats van zijn broodmaaltijd komen er zuchten. Waarvoor hij beducht is, dat treft hem juist. Hij heeft geen vrede, geen rust.

Het was Job zelf, die hier het stilzwijgen verbrak, om zijn klacht uit te storten. Hij deed dit echter niet voor het aangezicht van de Heere, maar voor dat van de drie vrienden. Die klacht geeft slechts blijk van een niet aan God onderworpen hart. Iemand, die ook maar iets heeft verstaan van het “Uw wil geschiede!”, komt er niet toe zijn geboortedag te vervloeken en gebruikt geen taal zoals in dit hoofdstuk. Vijfmaal zegt hij zijn: “waarom”. Als wij de woorden van Job nagaan, dan is het voor ons gemakkelijk om onze afkeuring hierover uit te spreken. Wij moeten echter wel bedenken dat wij ons de hevigheid van de beproevingen van Job moeilijk kunnen voorstellen. Het is echter zeker zo dat de meeste mensen, wijzelf ook(!), onder dezelfde omstandigheden niet anders zouden reageren. Maar dit doet niets af aan het feit dat de Heere ons dit Boek gegeven heeft, om te leren welke gezindheid ons past bij het ondergaan van beproevingen.

Het is wel duidelijk, dat de woorden van Job geen uitingen zijn van een verbroken hart, van een verslagen geest, van een verbroken eigen wil. Noch van iemand, die tenminste een poging doet om eenswillend met God te zijn. De apostel Paulus, die een overvloedig deel heeft gehad in lichamelijk en geestelijk lijden, heeft gezegd: “Ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben” (Filippi 4 vers 11). Dit was hem niet aangeboren, maar hij heeft het in de harde school van het lijden in allerlei vorm moeten leren. Dat gebeurde niet aan de voeten van Gamaliël. En als Saulus van Tarsus had hij het nooit geleerd. Die zou precies zo gesproken hebben als Job, als hij door het lijden overmeesterd was geworden.

Als Job maar enigszins oog voor dit onderwijs had gehad, dat God wil geven, als hij maar enigszins in Gods gemeenschap was geweest, dan zou hij zijn geboortedag nooit vervloekt hebben. Dan zou hij niet zo intens naar zijn dood hebben uitgezien. Het is nog iets heel anders, als een gelovige, overstelpt door pijn en benauwdheid, uit de diepte van zijn ziel tot God roept dat als het naar Gods heilige wil mocht zijn, er toch een eind aan deze situatie mag komen. Dat is heel wat anders dan dat een gelovige in bitterheid van geest, zijn geboortedag, zijn leven, vervloekt. God had satan geboden het leven van Job te sparen; Job vervloekt dat leven. Job zal niet hebben geweten van dit gebod van de Heere aan de satan, maar als hij in gemeenschap met God had verkeerd, dan zou hij beseft hebben, dat een vervloeking van zijn leven niet naar de gedachte van de Heere was.

De Schrift zegt niet hoe oud Job was toen de beproevingen over hem werden toegelaten. Als wij er aan denken dat men destijds meestal niet meer zo jong was als men ging trouwen en dat Job al volwassen kinderen had, dan is een schatting, dat hij toen minstens zeventig jaar was, wel verantwoord. Maar hoe dit ook zij, het is zeker dat Job een lange tijd van louter aardse zegening heeft gekend. Maar daarover spreekt hij nu met geen enkel woord. Eerder had hij dit wel gedaan. Toen had hij tegen zijn vrouw gezegd: “Zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen?” Maar nu ontkrachtte hij die woorden. De mond is dikwijls veel verder dan hart en geweten. Job stond hier niet in de tegenwoordigheid van God, maar voor het aangezicht van zijn drie vrienden. En hij kon het niet verdragen dat zij het lijden en de vernedering zagen van de eens zo rijke en machtige Job.

Ook de woorden van Job over de ‘rust’ in het dodenrijk, zijn zeker niet naar de gedachten van God, maar veeleer heidens. Hij was ontegenzeggelijk een gelovige, maar nu sprak hij niet als een gelovige en was hij niet gezind als een gelovige. Hij sprak als zoveel ongelovigen, die de valse gedachte koesteren dat de dood rust geeft, en die daarbij het oordeel over het hoofd zien. En als Job sprak over de rust in het dodenrijk, is hij daar in zijn eigenwaan in gezelschap van koningen, raadsheren en vorsten.

Ach, wij willen Job niet beschuldigen; hij was in zulke vreselijke omstandigheden. Hij was een wanhopige, een vertwijfelde. Door de woorden en handelingen van Job wordt ons als het ware een spiegel voorgehouden, waarin wij tot onze ontzetting en beschaming ons eigen beeld kunnen herkennen. Een voorbeeld voor ons is deze Job hierin echter niet. Dat is en blijft alleen de Heere Jezus, Die meer dan Job geleden heeft. In Hem hebben wij ons volmaakte Voorbeeld in alle omstandigheden, waaraan dit leven zo rijk is, zowel in goede als in kwade dagen (1 Petrus 2 vers 21).

HOOFDSTUK 4

De gesprekken tussen Job en zijn drie vrienden over het grote probleem van het aardse lijden van hen, die God toebehoren, beginnen in dit hoofdstuk. Deze gesprekken zijn te verdelen in drie groepen. De eerste in de hoofdstukken 4 tot en met 14; de tweede in de hoofdstukken 15 tot en met 21 en de derde in de hoofdstukken 22 tot en met 31. Daarna spreekt Elihu in de hoofdstukken 32 tot en met 37 en ten slotte de Heere Zelf in de hoofdstukken 38 tot en met 42 vers 6. Dit alles gebeurde met dat ene doel: Job terecht te brengen.

Vóór wij nu met hoofdstuk 4 verder gaan, willen wij in het kort nagaan, hoe de drie vrienden meenden Job terecht te moeten brengen. Het vraagstuk waarmee zij daarbij te maken kregen, was diepzinnig en moeilijk, namelijk: waarom moeten zij die God toebehoren dikwijls zoveel aards lijden ondergaan? Een reden te meer om heel voorzichtig in hun woorden te zijn en naar de gedachten van God te vragen.

Wij weten niet of deze drie vrienden, evenals Job, ware gelovigen in God waren. Uit hun betoog is wel af te leiden dat zij in ieder geval wel met Hem bekend waren. De manier waarop zij dit geval behandelen, doet denken aan de inzichten van de latere Farizeeën. In het algemeen gesproken, is het nodig God toe te behoren, als men iets over zo’n diepzinnig probleem wil zeggen. Hoe zouden ongelovigen daarover ooit een juist inzicht kunnen hebben?

Het ontbrak de drie vrienden niet aan ware genegenheid voor Job. Zij waren ontzet geweest over de omvang en de diepte van Jobs beproevingen. Zij hadden hiervoor hun mantels gescheurd en stof op hun hoofden gestrooid, als tekenen van rouw. Zij hadden bij hun vriend zitten huilen. Sprakeloos hadden zij zeven dagen en zeven nachten bij hem gezeten, omdat zij zagen dat zijn smart heel erg groot was.

Geen van deze drie was dan ook de eerste die begon te spreken, dat deed Job zelf. Toen hij zijn geboortedag vervloekte en bitterheid openbaarde, meenden de vrienden hun visie op het lijden in het algemeen en in het bijzonder op het lijden van Job te moeten zeggen. Als zij dit nu maar onbevooroordeeld gedaan hadden, dus vrij van meningen die ze al zo lang gekoesterd hadden, dan hadden zij Job kunnen dienen. Maar dit hebben zij niet gedaan. Hun meningen waren soms wel mooi en verheven. Soms zelfs ook heel godsdienstig. Maar hun grote fout was dat zij, ieder voor zich, vasthielden aan een eenmaal opgevatte algemene theorie en die vervolgens zonder meer op Job toepasten.

In hoofdzaak kwam deze theorie hierop neer, dat de rechtvaardige God nooit iemand onverdiend laat lijden. Waaruit dus geconcludeerd moest worden, dat Job zich aan een bepaalde zonde of zonden schuldig gemaakt moest hebben. Zij stelden dus het lijden voor als vergelding. Dat Gods bedoeling met het lijden dikwijls niets te maken heeft met bedreven zonden, dat drong niet tot hen door. Dat kon ook niet, omdat zij vasthielden aan hun gevestigde, eigen mening.

Als later de discipelen van de Heere Jezus een blindgeboren man zien, stellen zij de vraag: “Wie heeft er gezondigd, deze, of zijn ouders?” (Johannes 9 vers 1 tot en met 3). Ook zij stelden dus de vergelding op de voorgrond. Dat er een aards lijden zou kunnen zijn, door God gezonden of toegelaten, ter verheerlijking van God (dat wil zeggen, dat door de houding en gezindheid van de lijder, of door hetgeen God deed om dat lijden op te heffen, een verheerlijking, een grootmaking, van God zou volgen), daar werd in de verste verten niet aan gedacht. Door de discipelen niet en evenmin door de drie vrienden. Lazarus, de vriend van de Heere Jezus, was ziek en stierf zelfs. Maar de Heere verklaarde uitdrukkelijk, dat deze ziekte, dit lijden, was ter verheerlijking van God en de Zoon van God (Johannes 11 vers 4). Ook hier was dus in het geheel geen sprake van vergelding.

Dat er een aards, lichamelijk lijden zou kunnen zijn, door God gezonden of toegelaten, met als doel de lijder voor iets verkeerds te bewaren (2 Korinthe 12 vers 7), ook dit begrepen de drie vrienden van Job niet. Wij moeten hen dit niet kwalijk nemen, want zij leefden immers in het begin van Gods openbaring. Waren zij echter in gemeenschap met God geweest en vervuld met ware liefde voor Job, dan hadden zij niet zo star aan hun eigen mening vastgehouden. Wellicht hadden zij ook dan de goede oplossing van het lijdensprobleem nog niet kunnen aangeven. Maar dan zouden zij misschien wel hebben bereikt, dat Job door hun voorzichtige benadering van dit probleem, door hun ootmoed en zachtmoedigheid, getroffen was. Dan was het gevolg misschien geweest dat Job tot zichzelf inkeerde. Dat hij zou zien – niet welke bepaalde zonde hij had gedaan, want die had hij niet begaan – wie en wat hij in zichzelf, als een afstammeling van een gevallen Adam was voor God. Om dit bij Job te bereiken, hem te genezen van zijn eigenwaan, had God de beproeving van Job laten voortduren, ook nadat de satan verslagen was. En dit doel is tenslotte ook door Hem bereikt.

Het is echter niet zo, dat de vergeldingstheorie van de drie vrienden helemaal fout was. Wél ten aanzien van Job, maar niet in alle gevallen. Door gelovigen bedreven en niet beleden zonden kunnen zeer zeker een aanleiding zijn, dat God over de bedrijvers daarvan een straf doet komen. Daarvoor zijn in de Schrift genoeg bewijzen te vinden. Het hoeft echter niet in de eerste plaats voorop te staan, dat wij de oorzaak van het lijden kunnen vaststellen (1 Korinthe 4 vers 5). Beter is het om te proberen de gezindheid van de lijder te benaderen.

Toen de drie vrienden de vergeldingstheorie op Job bleven toepassen, werd Job, die zich van geen bepaalde zonde bewust was, hoe langer hoe meer geprikkeld. Bij de beschouwing van de woorden van elk van deze drie komen wij hierop uitvoeriger terug. Wij geven nu slechts een korte samenvatting.

Elifaz hoorde bij die mensen, die altijd uit eigen ervaring gevolgtrekkingen ten aanzien van anderen maken. Zijn motto was: “Zoals ik gezien heb”. Afgezien van het verkeerde hiervan, was het ook nog maar de vraag of de ervaring van Elifaz ooit zó geweest was, dat die de diepte van Jobs lijden kon benaderen.

Bildad beroept zich op de geschiedenis, op de vaderen. Maar dit komt eigenlijk op hetzelfde neer als de ervaringstheorie van Elifaz. Alleen met dit verschil, dat Elifaz slechts de eigen ervaring laat beslissen en Bildad die van een aantal personen.

Zofar is hard en wettisch gezind in zijn uitspraken. Toen hij hoorde dat de geprikkelde Job het woord opnam tegen God, werd hij verontwaardigd en was Job in zijn ogen een grootspreker. Ook hij meende, dat de oorzaak van Jobs beproevingen één of andere geheime zonde was. Hij zegt zelfs, dat God niet eens al de ongerechtigheden van Job gedenkt om die te vergelden. Zofar gaat het verst en is het scherpst in zijn spreken tegen Job.

Maar Job zelf is ook fout. Hij kon maar niet loskomen van de gedachte, dat God hem strafte. En omdat hij zich niet van onbeleden zonden bewust was, kwam hij er toe om God van onrechtvaardigheid te betichten. Hij ging God meer en meer als zijn Vijand beschouwen. Terwijl toch het doel van God was hem te doen inzien, niet dat hij bepaalde zonden gedaan had, maar wie en wat Job in zichzelf was. God wilde hem zo graag zijn eigenwaan en eigengerechtigheid doen beseffen. Dus: niet wat Job had gedaan, maar wat hij werkelijk was. En dit doel werd uiteindelijk door God bereikt toen Job zichzelf verfoeide.

Naast deze botsing van totaal tegenovergestelde meningen van aan de ene kant de drie vrienden en Job aan de andere kant, kwam nog de positie, waarin de drie mannen zich bevonden. Zij zijn vrij van lijden en ondergaan zelf geen enkele beproeving. Hun woorden zijn met zorg gekozen en worden met overtuiging, rustig uitgesproken. Job daarentegen is een wanhopige, een vertwijfelde, over wie een zee van lijden wordt uitgestort, waarvan hij niets begrijpt. Vandaar zijn heftigheid en geprikkeldheid. Bij hem is een zoeken, een worstelen. Hij uit zich opstandig, waarover hij later berouw heeft en daarnaast spreekt hij woorden van groot geloof en vertrouwen op God uit. Er is een ontzettende verwarring in zijn ziel.

Het “einde des Heeren”, dat ons aan het einde van dit Boek beschreven wordt, is met deze verwarring in overeenstemming. Enerzijds bracht God Job tot een diep besef van zijn eigen nietigheid en tot diepe verootmoediging. Anderzijds gaf God van dezelfde Job getuigenis, dat hij recht van Hem gesproken had. Tot tweemaal toe wordt dat getuigenis gegeven (hoofdstuk 42 vers 7 en 8). Terwijl de drie vrienden, die volgens hen alles zo goed geweten hadden, bestraft werden.

Zó gaat het ook nu nog vaak. Broeders (en zusters) staan vaak te snel klaar met hun oordeel over medegelovigen! Zij menen in ieder voorkomend geval precies te weten hoe het is, of hoe het moet zijn. Maar dan wordt ook vaak openbaar, dat de ware omgang met God bij hen ontbrak (Romeinen 12 vers 3 en Jakobus 1 vers 19).

Na deze korte samenvatting beginnen we nu met de eigenlijke beschouwing van hoofdstuk 4.

Deze 21 verzen komen hierop neer dat Elifaz eerst vraagt of het Job verdriet zou doen, als hij nu tegen hem spreekt, want hij kan niet langer meer zwijgen. Job heeft veel mensen vermaand en gesterkt, maar nu het lijden hem zelf treft is hij moedeloos. Is hij dan niet Godvruchtig, wandelde hij dan niet in oprechtheid? Kan hij hierop dan niet vertrouwen? Nooit kwam er immers een onschuldige om, of werden oprechten verdelgd. Elifaz had de ervaring, dat een mens maait wat hij heeft gezaaid; zo iemand verging door Gods adem, ondanks zijn leeuwenkracht. Elifaz beroept zich op een verschijning, die hem fluisterend de vraag had gesteld, of een sterveling ooit rechtvaardiger zou zijn dan God of een man reiner dan zijn Maker. Als God in de engelen zelfs dwaling vindt, hoeveel te meer dan bij de stoffelijke mens, die te gronde gaat in onwijsheid.

De vrienden van Job spraken steeds in dezelfde volgorde; waarschijnlijk op volgorde van hun leeftijd. Elifaz spreekt eerst, daarna Bildad en tenslotte Zofar.

De eerste woorden van Elifaz moesten al een negatieve invloed op Job hebben. Elifaz zei niet langer te kunnen zwijgen en dat Job het misschien wel verdrietig zou vinden als hij sprak. In feite bereidde hij Job op deze manier voor op hetgeen nog zou volgen. Geen woord van bemoediging, van vertroosting, maar een verwijt. Hij is immers de Job, die voorheen velen die in lijden verkeerden had vermaand en gesterkt. En nu hij zelf door beproevingen ging, was hij niet meer de sterke en welbewuste Job, maar was hij juist moedeloos en verbijsterd. Had hij nu geen houvast meer aan het vrezen van God en de oprechtheid van zijn wandel?

Wij kunnen ons niet ontworstelen aan de gedachte, dat Elifaz deze vraag ironisch heeft gesteld. Deze man had de oplossing van Jobs probleem al kant en klaar in de zak, en hij was niet van zijn vergeldingstheorie af te brengen. Maar die kwam juist niet overeen met de vreze Gods en de oprechtheid van Job.

Was deze Elifaz dan onbekend met de volharding van Job in alle beproevingen, iets wat door de Heere Zelf was gezegd (hoofdstuk 2 vers 3)? Wist hij dan niet, dat Job na de aantasting van al zijn bezittingen de volgende geloofswoorden gesproken had: “De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd!”? Wist hij niet dat Job, na de aantasting van z’n eigen lichaam, tegen zijn verbitterde vrouw had gezegd, dat zij als een zottin sprak? Zou men alleen het goede van God aannemen en niet het kwade?

Als Elifaz dit alles niet geweten heeft, werd zijn dwaasheid, om ieder geval te beschouwen vanuit zijn eigen ervaring, nog groter. En als hij het wél geweten heeft, dan is het zoveel te erger dat hij zo ironisch over de vreze Gods van Job durfde te spreken.

Als deze Elifaz zich met wat meer liefde in de toestand van de wanhopige en in zichzelf verwarde Job verplaatst had, dan zou hij die woorden over de moedeloosheid en de vreze Gods niet als eerste hebben uitgesproken. Deze ‘vertrooster’ weet niet “met de moede een woord ter rechter tijd te spreken” (Jesaja 50 vers 4). Maar alles moet bij hem wijken voor zijn eigen theorie die voor alle gevallen passend is: ‘geen leed zonder schuldig te zijn’.

Elifaz hoorde bij dat soort mensen, dat altijd alleen maar uit eigen ervaringen conclusies trekken voor de anderen. Zij zien de ongerijmdheid niet in, van het baseren van een algemene waarheid op persoonlijke ondervinding. Wat had de ervaring van Elifaz met het lijden van Job te maken? Waren hem ooit al zijn bezittingen ontnomen? Was hij ooit met boze zweren bedekt geweest? Als er ook maar een beetje verschil is tussen de omstandigheden van twee mensen en de personen zelf, dan deugt de eigen ervaringstheorie immers niet meer.

Het motto van deze Elifaz is: “Zoals ik gezien heb” (hoofdstuk 4 vers 8). Later zegt hij: “Ik heb gezien” (hoofdstuk 5 vers 3). Nog later: “Hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen” (hoofdstuk 15 vers 17).

De soms zo donkere wegen van God met anderen, kunnen wij met onze ervaringen niet voor hen verlichten. Hoe groot en smartelijk zijn vaak de beproevingen van de rechtvaardigen, van kinderen van God. En hoe voorspoedig gaat het daarentegen met veel goddelozen in deze wereld (Psalm 73).

Dat was ook het probleem waarmee de psalmist Asaf later te kampen had. Evenals Salomo in het Boek de Prediker. Alleen wanneer de eeuwigheid in de beproeving van de rechtvaardigen wordt ingelast en er een ingaan is in het heiligdom, dat Gods tegenwoordigheid beseft wordt, dan kan er licht zijn op de vaak zo duistere en moeilijke weg (Psalm 36 vers 10).

Wij willen in het midden laten of de verschijning van een geest aan Elifaz, waarop hij zich beriep, van Godswege was, of dat hij een geest in een eigen droom gezien heeft. De wijze, waarop hij daarover spreekt, heeft in ieder geval niet het verheven karakter, die wij elders in de Schrift tegen komen. Denk bijvoorbeeld maar aan de uitdrukkingen als “de Heere zeide” of “hem verscheen een engel” en dergelijke. Maar hoe het ook zij, dat Elifaz de woorden van deze geest aan Job overbracht, was “niet recht” in de ogen van de Heere (hoofdstuk 42 vers 7). Op zich waren ze wel goed, maar de fout van Elifaz was, dat hij ze zonder meer op Job toepaste; iets wat helemaal misplaatst was.

Dit leert ons, dat de waarheid misbruikt kan worden. Dat zal altijd het geval zijn, wanneer degenen die door de Heere geroepen worden om zich met anderen bezig te houden, niet in ieder voorkomend geval eerst Hem om licht en wijsheid vragen. En men moet zich ook in liefde en genade met de betreffende persoon bezighouden. Wordt dit niet gedaan, dan schaart men alle afzonderlijke gevallen onder één noemer en denkt men dat met de geopenbaarde waarheid alles op dezelfde verstandelijke wijze kan worden opgelost. Hoe vaak worden bijvoorbeeld de “zwakken in het geloof” niet door de zogenaamde “sterken” met de geopenbaarde waarheid geslagen.

Elifaz zag de beproeving van Job slechts als een straf, als een vergelding. Van een lijden tot loutering of tot verheerlijking van God begreep hij niets. Satan verdacht de zuiverheid van de vroomheid van Job ervan, omdat hij altijd voorspoed had gehad. De drie vrienden twijfelden juist aan de vroomheid van Job, omdat hij geen voorspoed meer had. Geen van beide meningen was juist.

HOOFDSTUK 5

In dit hoofdstuk gaat Elifaz verder met zijn toespraak tot Job, terwijl het voornaamste wat hij te zeggen had, was al uitgesproken in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 verliest hij zich in bijkomstigheden, die, hoe belangrijk op zichzelf ook, zonder meer aan Job voorbijgaan.

Elifaz wees erop, dat het Job niet zou baten als hij hulp bij mensen zou gaan zoeken. En verder dat bedreven geweld en naijver aan de mens de dood brengen. De onrechtvaardige heeft geen ware zegen, zijn voorspoed is niet blijvend. Welke betrekking had dit allemaal op Job? Job moest er ook aan denken, dat de beproevingen niet zo maar vanzelf komen. Laat Job zijn zaak toch aan God voorleggen, Die wonderen kan doen. Welgelukzalig is de mens die door God gekastijd wordt. Daarom moet Job zich met belijdenis tot God wenden en de tucht niet versmaden. Als God geslagen heeft, heelt Hij ook weer. Dan zal Job ervaren, dat het kwade hem niet meer treft.

Dit alles zou heel terecht geweest zijn, mits Elifaz Job had kunnen wijzen op bepaalde zonden, die hij gedaan had. Feiten, die openbaar waren geworden. Maar nu bereikt Elifaz helemaal niets bij Job. Integendeel, Job wordt er steeds meer door verbitterd. In de hoofdstukken 6 en 7 gaat hij dan ook, zonder ook maar de minste acht te slaan op wat Elifaz gezegd had, verder met zijn rechtvaardiging en het uitspreken van bittere klachten over zijn beproeving.

Dit doet ons denken aan een broeder die eens een zware beproeving onderging. Hij had een goed getuigenis, zowel in de wereld als onder de gelovigen. Omdat hij zich de oorzaak van het lijden dat over hem gekomen was niet kon indenken, en hij door zijn geweten niet werd veroordeeld in het één of ander, nodigde hij een broeder uit hem eens te bezoeken: hij had namelijk behoefte aan een gesprek van hart tot hart. De andere broeder kwam, riep ach en wee over het erge lijden, en was, zelfs zonder dat daarom gevraagd was, direct klaar met het stellen van zijn ‘diagnose’. Maar de oorzaak die hij voor het lijden noemde, was, naar de lijdende broeder kon oordelen, compleet fout. Toch ging de bezoekende broeder door met het spreken over allerlei op zichzelf ware en belangrijke waarheden. Het gevolg was, dat er bij de lijdende broeder geen behoefte meer bestond aan een gesprek van hart tot hart. Zo ontstond er een wederzijdse teleurstelling. Wie had hier de schuld? Soms kan men, door belangstellend te luisteren, veel meer bereiken dan door een opsomming van allerlei waarheden.

In de eerste brief aan de Korinthiërs (1 Korinthe 3 vers 19) worden woorden uit Job 5 aangehaald, namelijk het eerste gedeelte van vers 13: “Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid”. Dit zei Elifaz daar tegen Job persoonlijk.

Als de Heilige Geest uitspraken aanhaalt, is de toepassing daarvan altijd op zijn plaats en het betoog wordt daardoor versterkt. Maar Elifaz als mens sprak dit woord, toen hij dat toepaste op Job, echter ten onrechte uit.

Ten tijde van Job en zijn vrienden waren door God nog geen geboden, met daaraan verbonden zegeningen, gegeven. Het volk Israël heeft later deze toezeggingen wèl van God ontvangen. “En al deze zegeningen zullen over u komen, en u ten deel vallen, wanneer gij de stem van de Heere, uw God, zult gehoorzaam zijn” (Deuteronomium 28 vers 1 tot en met 14). In onze tijd geldt dat uit de afwezigheid van voorspoed en de aanwezigheid van lijden niet de conclusie getrokken mag worden dat er zonden in het spel zijn. Het kàn wel zo zijn, maar nooit mag iemand, alleen op grond van een vermoeden, veroordeeld worden, zelfs niet in bedekte termen. De drie vrienden van Job konden geen verkeerde feiten opnoemen, die Job gedaan zou hebben. Zij zochten naar bewijzen, die hun vermoeden zouden bevestigen en probeerden die te vinden in de vaak onbeheerste en opstandige woorden van Job.

HOOFDSTUK 6

Allereerst wijst Job op de zwaarte van zijn lijden. Hij weet ook wel, dat zijn woorden soms ondoordacht zijn. Kan men van een wanhopige dan rustige en weloverwogen woorden verwachten? Het zware lichamelijke lijden vergiftigt ook zijn geest. Het is voor hem één grote verschrikking. Daarom “balkt” en “loeit” hij, het staat hem tegen, hij walgt ervan.

Ach, dat zijn gebed om te sterven toch verhoord mocht worden. Dan zou hij van vreugde opspringen. Hij heeft de woorden van de Heilige niet verloochend, maar heeft hij de kracht om nog langer op de dood te wachten? Redding is er voor hem niet meer.

Arme Job! Wel schrijft hij zijn beproevingen toe aan God, maar hij begrijpt niet waarom hem dit alles overkomt. Het gevolg is, dat hij er toe komt om God als zijn Vijand te beschouwen. Hoe kon zijn leed in overeenstemming zijn met de rechtvaardigheid van God? En dit heeft weer tot gevolg, dat hij de beproeving alleen moet dragen. Als hij maar enig besef had gehouden van de genade en liefde van God, dan zou hij de beproevingen met God hebben kunnen doorstaan. Maar nu moest hij dit ondergaan in eigen kracht. Welk mens van vlees en bloed kan dan staande blijven? Vandaar zijn intens verlangen naar de dood.

Het was voor de drie vrienden wel gemakkelijk hem te veroordelen, maar zij zouden moeten bedenken, dat iemand die medelijden aan zijn vriend onthield, de vreze van de Almachtige zou verlaten (vers 14). Job vergeleek hen met de grillige, onbetrouwbare loop van een waterbeek, waar geen vertrouwen op is. Had hij hen dan ook maar iets gevraagd? Zij moesten maar eens aantonen, waarin hij gedwaald had. Oprechte woorden zijn krachtig, maar wat betekenden de verwijten van hun kant? Gingen zij af op de uitingen van een wanhopige? Zelfs over het geringste voordeel zouden zij het lot laten beslissen, hun vriend zouden zij als koopwaar verhandelen. Hij loog hen toch niet voor? Zij moesten maar tot bezinning komen, opdat er geen onrecht zou plaatsvinden. Zijn recht staat vast, hij heeft het, om het zo maar te zeggen, bij het rechte eind. Op zijn tong is geen onrecht. En hij proefde de zwaarte van zijn lijden.

Wat hier vooral bij Job naar voren komt is het vasthouden aan zijn eigen voortreffelijkheid. Het was volkomen waar, dat hij vóór zijn beproeving en ook aan het begin daarvan, onberispelijk had gewandeld. Maar ook Job beging de fout, zijn lijden als een vergelding op te vatten. In plaats daarvan had hij juist biddend moeten overwegen: ‘al is het waar, dat ik van mijzelf niets kwaads bewust ben, is de toestand van mijn hart dan de aanleiding voor dit lijden, is mijn gezindheid wel zoals die moet zijn?’ Als hij dit in oprechtheid en ootmoed gedaan had, dan zouden zijn ogen opengegaan zijn voor de hoogmoed, de eigen waan, de eigen voortreffelijkheid, die in zijn hart aanwezig was. Nee, het ging niet om de verkeerde daden van Job (daarmee hielden zijn vrienden zich bezig), maar om de toestand van zijn hart (en daarmede hield God zich bezig). Heel de latere bemoeienis van de Heere Zelf met Job was er op gericht, niet om hem tot de belijdenis van bepaalde zonden te brengen, maar om Job te brengen tot het diepe besef van zijn nietswaardigheid, om hem van de hoogte, waarop hij in eigen oog stond, te doen afdalen. Maar zover is Job nog niet, zijn eigen vroomheid staat hem nog in de weg.

HOOFDSTUK 7

In dit hoofdstuk gaat Job verder met zijn antwoord aan Elifaz. Hij wijst op de zware dienst die de mens hier op aarde heeft. Maanden van ellende en nachten van moeite zijn hem toebedeeld. De slaap wijkt van hem en tot aan de ochtendschemering woelt hij om en om. Zijn lichaam is met gewormte en stofkorsten bedekt, zijn huid klopt en ettert. Spoedig echter zal zijn leven voorbij zijn, en hij die in het dodenrijk is afgedaald stijgt nooit weer op. Daarom wil hij nu nog in de benauwdheid van zijn geest spreken en klagen in de bitterheid van zijn ziel. Is hij de onbetrouwbare zee of een gevaarlijk zeemonster, dat God hem zo bewaakt? Als hij meent op zijn bed rust en verlichting te zullen vinden, verschrikt God hem door angstige dromen en gezichten, zodat hij de dood verkiest. Laat God toch van hem aflaten, hem rust gunnen, zijn dagen lopen immers toch af. Trouwens, wat is de mens, dat God Zich met hem bezighoudt en hem beproeft? Wanneer zal de bemoeienis van God met hem ophouden? Als hij gezondigd heeft, wordt God daardoor getroffen, Hij, de Bewaker van mensen? Waarom stelt Hij hem tot een mikpunt, zodat hij zichzelf tot een last geworden is? Waarom vergeeft Hij zijn overtreding niet en doet zijn ongerechtigheid niet weg? Hiervoor is niet veel tijd meer, want binnenkort zal hij in het stof nederliggen.

Hoe blijkt uit dit alles, dat Job zijn beproevingen niet met God, maar alleen in eigen kracht draagt. Dat hij niet met God in gemeenschap is en geen besef heeft van de liefde van God. De voorstelling, die Job hier van God geeft, is een gevolg van zijn verbittering. Een ogenblik schijnt het, dat de gedachte aan overtreding en ongerechtigheid bij hem opkomt. Maar van verootmoediging is echter geen sprake. Hij redeneert er over en uit de eis die hij aan God stelt, hem te vergeven, spreekt alleen maar verbittering en opstand. God heeft hem tot een mikpunt gemaakt.

HOOFDSTUK 8

De tweede vriend die tegen Job spreekt is de Suhiet Bildad. Hij ergert zich aan de opstandige woorden die Job heeft uitgesproken. God buigt het recht niet. En als de kinderen van Job gezondigd hebben, dan hebben zij hun verdiende loon ontvangen. Als Job echter God zoekt, om genade bidt en als hij zuiver en oprecht is, dan zal God hem in een staat stellen die nog groter is dan de vorige. Dit kan de ervaring van het voorgeslacht, de vaderen, aan Job bevestigen. Allen die God vergeten zullen vergaan. Zij mogen voor het oog heel wat lijken, maar heel hun huis vergaat. “Zie, God zal de oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand”. Als Job luistert zal hij weer vreugde genieten.

Over de kinderen van Job spreekt Bildad een veronderstelling uit die door niets gerechtvaardigd wordt. Wat hen is overkomen zal, volgens Bildad, wel de rechtvaardige straf over hun daden zijn. De vergeldingstheorie beheerst ook het denken van deze man. ‘Zonder zonden geen leed’. Ook ten aanzien van Job zinspeelt hij erop, dat hij in werkelijkheid niet was, wat hij leek te zijn. Bildad is veel scherper en liefdelozer dan Elifaz.

Elifaz had zich beroepen op eigen ervaring, terwijl Bildad steunt op het voorgeslacht, op dat wat de vaderen ervaren en gezegd hebben; dus op de traditie. Het pleit voor hem, dat hij zich niet op eigen ervaring en inzicht beroept, maar op het gezag van velen uit de vaderen. Maar in wezen is er geen verschil. Het is een feit, dat noch eigen ervaring, noch die van de vaderen de wegen van God kunnen verklaren. De ervaring van twee mensen in gelijke omstandigheden is verschillend! En zo is het ook met de vaderen, die ook lang niet altijd hetzelfde gesproken hebben over gelijke dingen.

Hadden Elifaz en Bildad zich op de Goddelijke openbaring beroepen en deze ook op de juiste wijze toegepast, dan was de zaak beslist geweest. Want dit was de enige beslissende maatstaf, het enige gezag. Gods Woord leert bijvoorbeeld duidelijk, dat iemand nooit alleen op grond van een vermoeden veroordeeld mag worden. Pas na een zorgvuldig onderzoek, waardoor de schuld onomstotelijk bewezen wordt, kan er een veroordeling volgen. De drie vrienden leverden echter geen enkel bewijs en spraken alleen maar vermoedens of bepaalde toespelingen uit. Niemand heeft het recht de ‘eigen-ervaringstheorie’ als maatstaf aan anderen op te leggen. En als één mens dat recht niet heeft, hebben ook meerdere mensen, dus ‘de vaderen’ dat ook niet.

Wat heeft de eenzijdige en overdreven bewondering voor wat ‘de vaderen’ gedacht en gesproken hebben al vaak de waarheid van het Woord van God in de weg gestaan. Want alleen door het Woord van God kan de waarheid gekend en door gemeenschapsoefening met God begrepen worden. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld de waarheid van de komst van de Heere Jezus om Zijn Gemeente in de hemel op te nemen. De ‘vaderen’ hebben deze waarheid al snel uit het oog verloren. Hiervoor in de plaats hebben zij juist veel gesproken over de verschijning van de Heere, Die komt om te oordelen de levenden en doden. Maar Gods Woord zegt juist heel iets anders! En we mogen dankbaar zijn dat Hij door Zijn Geest de eerstgenoemde waarheid weer naar voren heeft gebracht. En dat betreft niet iets nieuws, want het heeft altijd al in het Nieuwe Testament gestaan (1 Thessalonika 4 vers 13 tot en met 18)!

Er zijn nog meer voorbeelden, die aantonen, dat God soms oude, maar niet meer gekende en geleerde waarheden in een bepaalde tijd weer naar voren brengt. Gods Geest is voortdurend werkzaam.

HOOFDSTUK 9

Job geeft in zijn antwoord Bildad gedeeltelijk gelijk. Hij weet ook wel, dat een sterveling tegenover God niet rechtvaardig kan zijn, want (en nu volgt het verkeerde van zijn redenering) God is almachtig en groot van daad. Een nietig mens zou, geplaatst tegenover die grote en almachtige God, altijd het antwoord schuldig blijven. En wie zou, hoe wijs van hart en sterk van kracht hij ook wezen mag, zich tegen de uitspraken van God kunnen verzetten zonder daarvan de gevolgen te ondervinden? In de verzen 5 tot en met 10 spreekt Job dan over de grote macht en kracht van God, om in vers 11 te zeggen dat die Machtige langs hem heen kan gaan, hem voorbij kan gaan, zonder dat hij dit merkt. Wie zou weerstand tegen Hem kunnen bieden of tegen Hem kunnen zeggen: “Wat doet Gij?” God zal Zijn toorn niet afkeren, dat hebben velen ondervonden. Hoe kan Job zich dan verzetten, ook al had hij gelijk? Hij zou toch noodgedwongen om genade moeten smeken, omdat zijn rechtvaardigheid niet erkend werd. God is immers de Sterkste en niemand kan, als het om recht gaat, Hem ter verantwoording roepen. Staande tegenover deze Machtige zou Job zichzelf moeten veroordelen, ook al was hij in zijn recht. Al was hij onschuldig, God zou hem toch schuldig verklaren, want God verdelgt zowel de onschuldige als de schuldige. Hij bespot de beproeving van de onschuldigen. Het aardse bestuur is in de macht gegeven van goddelozen en God bedekt het aangezicht van de rechters, zodat zij de dingen niet goed kunnen zien en beoordelen. Als dat niet van Hem komt, van wie dan wel?

De dagen van Job glijden voorbij onder diepe smarten en hij weet dat God hem niet onschuldig verklaren zal. Het zij zo, hij moet nu eenmaal schuldig staan. Waarom zou hij zich dan verder afmatten om zijn onschuld aan het licht te brengen? God is immers niet als een mens, met wie Job een rechtsgeding zou kunnen voeren. Was er maar een scheidsman tussen God en hem. Dan zou het lijden spoedig van hem weggenomen worden. Dan zou Job spreken zonder bevreesd te zijn voor God. Voor de onschuldige is er immers geen reden om bevreesd te zijn.

Uit dit gehele betoog blijkt duidelijk, dat Job zichzelf wil rechtvaardigen. Het is mogelijk, zelfs zeer waarschijnlijk, dat Job zich in zijn geweten niet van bepaalde verkeerde daden bewust was. Maar als hij in gemeenschap met God had verkeerd, zou hij zich hierop niet beroepen hebben. Dan was hij tot zichzelf ingekeerd en zou hij hebben ingezien dat hij in zichzelf een zondig mens was, die bij al zijn vroomheid toch vol eigenwaan zat. De wijze koning Salomo zegt later: “Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?” (Spreuken 20 vers 9). Er is geen mens die dat kan zeggen, met uitzondering van de Heere Jezus, Waarvan geschreven staat: “…geen zonde is in Hem” (1 Johannes 3 vers 5).

Maar nu Job met bitterheid vervuld was over zijn beproevingen, komt hij er toe om te zeggen dat het de majesteit en ongenaakbaarheid van God zijn, waardoor het onmogelijk is, dat zijn gerechtigheid erkend wordt. Want God zou hem toch schuldig verklaren. Van een scheidsrechter of scheidsman, zoals bij twee verschillende partijen gebruikelijk is, kon hier natuurlijk geen sprake zijn.

Het beeld dat Job hier van God geeft, is totaal verwrongen en zonder eerbied voor de Allerhoogste. Slechts noodgedwongen, vindt Job, omdat God de

Almachtige is, moet hij zich wel bij Zijn uitspraak neerleggen. Niemand kan Hem immers ter verantwoording roepen. Job vergeet, dat wat hij zegt slechts de uitdrukking is van de beproevingen die hij ervaart en van zijn bitterheid, en dat God naar hem toe geen enkele uitspraak heeft gedaan over de oorzaak van zijn lijden.

Hoe verschrikkelijk het eigenlijk is, om te zeggen dat God een onschuldige toch schuldig zou verklaren, ziet hij blijkbaar niet in. Want in feite miskent hij hierdoor de rechtvaardigheid van God. Dit is een voorbeeld waartoe een gelovige kan komen, als hij in verbittering, opstand en verbroken gemeenschap met God, over zijn lijden en de oorzaak daarvan gaat redeneren. Zo iemand werkt zichzelf vast in eigen conclusies.

Elifaz had Job beoordeeld naar zijn eigen ervaringen. Bildad had dit gedaan naar de uitspraken van de vaderen. Maar Job maakt het nog erger! Hij beoordeelt God naar eigen maatstaven. Is het niet vreselijk dat hij tot de uitspraak komt, dat God spot met de vertwijfeling van de onschuldigen die door Hem werden geslagen?

Wat is de genade van God groot geweest, dat Hij zo’n man niet de mond snoerde, maar hem verdraagt en bovendien nog verder werkt aan Job, totdat hij tot volle zelfkennis zal komen.

Als wij deze volkomen onjuiste en verkeerde uitingen van Job lezen, dan begrijpen we ook iets meer van de diepte van zijn latere erkenning dat hij zichzelf verfoeit en alles herroept wat hij gezegd heeft, ja berouw heeft in stof en as.

Voor ons moet dit alles een waarschuwing zijn om de uitspraken van Job niet klakkeloos te citeren; daardoor doen we afbreuk aan Gods heiligheid. Het is ook veelzeggend dat juist de zogenaamde ‘Jehova’s-getuigen’ veelvuldig uit het Boek Job putten om hun valse leer kracht bij te zetten: laten we op onze hoede zijn!

HOOFDSTUK 10

In dit hoofdstuk gaat Job verder met zijn antwoord aan Bildad. Hij heeft een afschuw van het leven; hij wil, in de bitterheid van zijn ziel, de vrije loop geven aan zijn klachten. Hij zal tot God zeggen, hem niet te veroordelen, maar hem te laten weten waarom Hij Zich tegen hem keert. Brengt het God voordeel, als Hij verdrukt, als Hij het werk van Zijn handen verwerpt en over de raad van de goddelozen licht doet opgaan? Is God dan als een mens, zijn Zijn jaren als die van een man, dat Hij Jobs ongerechtigheid onderzoekt, terwijl Hij weet dat Job onschuldig is? Wil Hij nu het maaksel van Zijn handen in het verderf storten? Job weet goed dat als hij zou zondigen, God het zou opmerken en hem niet zou vrijspreken. En wee hem, als hij werkelijk schuldig zou zijn. En als hij onschuldig was, dan zou hij toch zijn hoofd nog niet durven opheffen, want God zou telkens nieuwe getuigen tegen hem oproepen. Ach, waarom was hij niet bij de geboorte gestorven? Dan zou hij nu al lang in het graf rusten.

Aan de andere kant merken we ook dat hij nog wel een poosje wil blijven leven, want hij is nog niet oud. Vandaar dat hij tegen God zegt: “Houd op, laat van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke”, voordat hij heengaat naar het dodenrijk, waar diepe duisternis is.

Wat is er toch een grote verwarring in het hart en hoofd van de arme Job! Hij heeft een afschuw van het leven, maar verlangt tegelijkertijd toch nog naar dagen van vreugde. Hij vormt zich een beeld van God naar zijn menselijke gevoelens en gedachten. En dit kan nooit anders dan helemaal fout zijn en is ook een aanleiding tot verzwaring van het leed.

HOOFDSTUK 11

Zofar, de derde vriend, is heel scherp in zijn bewoordingen. Job heeft wel een grote woordenvloed, maar zal een klapachtig man (woordenkramer) gelijk hebben? Wil hij met zijn leugens anderen tot zwijgen brengen en zou hij spotten zonder dat iemand hem beschaamd zet? Job mag zichzelf dan als een rechtvaardige beschouwen, maar als God Zelf eens zou spreken, dan zou hij wel inzien, dat God nog niet eens alle ongerechtigheid van hem aan hem bezocht had. Kan hij de geheimen van God doorgronden? En wie zal God verhinderen over te leveren of te vergaderen? Als een verstandeloos man echter kloekzinnig kan worden, dan kan ook het veulen van de woudezel als mens geboren worden. Beide zaken zijn immers onmogelijk. Maar toch zullen er nog goede dagen aanbreken, als hij zijn hart bereidt en de ondeugd verre van zich doet.

Zofar is hard en wettisch. Ook hij meent, dat een of andere ernstige en geheime zonde de oorzaak is van het lijden van Job. Hij gaat hierin het verst. Maar ook hij kan geen enkel bewijs leveren. Hij kan Job ook niet overtuigen, evenmin als de twee anderen dit konden.

Een wettische gezindheid, overlevering van de vaderen, eigen ervaring, dat alles kon niet zonder meer op Job toegepast worden. Geen van de drie vrienden begreep Job. Maar wat erger is, zij kenden de verschillende regeringswegen van God niet; wegen die lang niet altijd alleen maar straf en vergelding op het oog hebben. Voor deze mannen bestond er maar één regel: ‘Geen leed zonder schuld’.

Dit maakte, dat zij niet tot het hart van Job konden doordringen en daarom ook zijn geweten niet in de tegenwoordigheid van God konden brengen. Zij spraken wel veel verheven waarheden uit, maar de waarheid, die hier op haar plaats was geweest, zeiden ze niet. Zij bereikten alleen dat Job steeds meer geprikkeld werd.

HOOFDSTUK 12

Job laat zich door geen van de drie vrienden uit het veld slaan. In wetenschap doet hij niet voor hen onder. Wat zij weten, weet hij ook. Ironisch zegt hij van hen, dat met hun dood de wijsheid uitsterven zal. Het is zó, dat Job nu tot een bespotting is geworden. Hij, die voorheen door God werd verhoord, als hij tot Hem riep.

Zofar had gezegd, dat de goddelozen geen voorspoed hebben (hoofdstuk 11 vers 20). Maar Job wijst er op, dat over het algemeen de rechtvaardigen, de vromen, door beproevingen getroffen worden en dat zij dan door hen die voorspoed hebben, veracht worden. De tenten van de verwoesters en zij die God tot toorn prikkelen, hebben vrede en veiligheid. Alles hier op aarde wordt door God bestuurd en verzorgd; de dieren, vogels en vissen kunnen dit aan de vrienden duidelijk maken. De ziel van al wat leeft is in de hand van de Heere. Door middel van het gehoor kunnen woorden getoetst worden, zoals ook het gehemelte de spijzen smaakt. Het is niet zo, dat bij de stokouden steeds wijsheid en verstand zou zijn. Alleen bij God is wijsheid, macht, raad en verstand. Als Hij afbreekt, wie zal dan opbouwen? Als Hij iemand opsluit in de omstandigheden van dit leven, wie zal dan een uitweg banen? Alles is in Zijn hand. De dwalende of misleidde zal niet dwalen en degene die doet dwalen kan niet optreden, als Hij dat niet toelaat. Raadsheren, rechters, koningen en oversten maakt Hij, als het in Zijn wegen nodig is, tot dwazen en onmachtigen. De ouden ontneemt Hij het onderscheidingsvermogen. Hij gebiedt over de hele schepping, volkeren breidt Hij uit, maar doet die ook tenonder gaan. Koningen ontneemt Hij het verstand, zodat zij als zinlozen in de duisternis rondtasten.

Zo verliest Job zich in algemeenheden, die op zichzelf natuurlijk mooi en waar zijn, maar die toch de zaak waar het hier om gaat geen stap verder brengt. Hij houdt er nog steeds aan vast, dat er voor zijn lijden geen bijzondere aanleiding bestaat. Hij kan dit lijden alleen verklaren in het kader van de algemene regel, dat de rechtvaardigen hier tegenspoed hebben; een mening die verbitterend werkt op het menselijk verstand. Ook de psalmist Asaf tobde zich af met dit probleem en dat doen veel kinderen van God vandaag de dag nog steeds.

De vrienden hadden zeker ongelijk. Zij pasten dingen toe op Job die niet juist waren. Maar… hun ongelijk stelde Job niet in het gelijk! Zijn woorden bewijzen maar al te zeer, hoe ver hij nog verwijderd was van een verbrokenheid van geest en hart. Een gezindheid die steeds aanwezig is als men in gemeenschap met God verkeert. Als Job oog had gehad voor zijn toestand als zondig mens, dan was hij stilzwijgend aan alle redeneringen van zijn drie vrienden voorbij gegaan, ook al waren die nog zo onjuist en krenkend. Dan zou hij ootmoedig zijn hoofd gebogen hebben. Maar omdat Job niet zo ver was, beantwoordde hij redenering met redenering, waardoor ook hij in veel dingen ongelijk had. Er was een andere, een betere dienst nodig om Job in een goede zielstoestand te brengen.

HOOFDSTUK 13

In dit hoofdstuk vervolgt Job zijn antwoord aan Zofar. Hij heeft gezien en gehoord wat God kan doen met de volken en hun leiders (hoofdstuk 12 vers 17 tot en met 25). Wat Zofar weet, weet Job ook; hij doet voor hem niet onder. Niet bij de drie vrienden, maar bij God wil Job zijn zaak bepleiten. De vrienden geven een leugenachtige oplossing, het zijn nietige medicijnmeesters. Het zou beter zijn als ze zich maar helemaal stilhielden, dan zouden zij tenminste nog een zekere wijsheid vertonen. Laten zij maar acht geven op wat hij zegt. Kiezen zij partij voor God en praten zij daarom over onrecht en bedrog van Job? Hoe is het eigenlijk met hun eigen toestand? Zal deze goed blijken te zijn, als Hij hèn onderzoekt? Kunnen zij Hem bedriegen, zoals een mens bedrogen kan worden? Als blijkt dat de drie vrienden verkeerd zijn, zal God hen streng straffen.

De uitspraken van de vrienden zijn als as, dat wil zeggen dat ze geen waarde hebben. Job wil zijn zaak voor God brengen, wat hiervan de gevolgen ook mogen zijn. Hij is toch geen huichelaar, dat God hem niet tot heil zou kunnen zijn? Hij zal zijn wegen voor Gods aangezicht verdedigen en hij weet dat hij rechtvaardig verklaard zal worden. Wie zou dit kunnen weerleggen en met hem kunnen twisten? Als dat zou gebeuren, dan zou hij zwijgend de geest geven, dus sterven. Laat de Heere toch Zijn hand van hem wegnemen en Zijn verschrikking hem niet verbaasd maken, hem niet beangstigen. Als God hem roept tot verweer zal hij spreken, of anders zal Job tot God spreken in de verwachting dat Hij hem zal antwoorden (vers 22). Hoeveel misdaden en zonden heeft hij begaan? Laat de Heere hem die bekend maken. Waarom verbergt God Zijn aangezicht voor hem, waarom is Hij zijn Vijand? Hij is toch niet meer dan een weggewaaid blad, een droge stoppel. Waarom moet hij boeten voor de ongerechtigheden van zijn jeugd, dat God hem nu zo zwaar laat lijden; hij, die nu lijkt op vermolmd hout, op een kleed dat de mot opeet?

De verhouding tussen Job en de drie vrienden wordt hoe langer hoe meer vertroebeld. Job verwerpt hun woorden helemaal en schrijft die toe aan verkeerde inzichten en aan hun zucht om hem hard te vallen. Zij zijn moeilijke vertroosters. Wat beweegt hen toch, dat zij telkens weer het woord nemen (hoofdstuk 18 vers 2 en 3)? Hoe lang nog zullen zij zijn ziel bedroeven, en hem met hun woorden verbrijzelen (hoofdstuk 19 vers 2)?

En nog steeds is Job vol van zijn eigen gerechtigheid. Hij maakt een onderscheid tussen zijn gerechtigheid op oudere leeftijd en de ongerechtigheden van zijn jeugdjaren. Laat God hem nu daarvoor boeten? Job mag zichzelf dan vergelijken met een weggewaaid blad, een droge stoppel en een kleed, dat de mot opeet, maar in feite roept hij God als het ware ter verantwoording voor het leed dat hem is overkomen.

HOOFDSTUK 14

Ook in dit hoofdstuk spreekt Job nog tegen Zofar. Deze Zofar had twintig verzen nodig om Job duidelijk te maken wat hij te zeggen had. Voor het antwoord hierop heeft Job echter drie hoofdstukken nodig met in totaal vijfenzeventig verzen!

In hoofdstuk 14 spreekt hij over het aardse leven van de mens en zijn sterven. Dat leven is kort en vol onrust. Als wij bedenken dat Job na zijn beproeving nog 140 jaar geleefd heeft, zodat zijn totale leeftijd zeker tenminste 200 jaar is geweest, dan zouden wij in onze dagen geneigd zijn om te spreken van een lang leven. Maar in vergelijking met de leeftijden in de eerste jaren na de schepping kon Job ook al spreken van een leven kort van dagen.

Als een bloem ontluikt de mens en… verwelkt, zijn leven is als een voorbij glijdende schaduw. En toch, juist op zo’n nietig mens vestigt God nog Zijn oog! Job zegt, dat de Heere hem met Zich in het gericht daagt. Dat hij dan niet kan bestaan, weet Job ook wel. Is er ooit een reine uit de onreine voortgekomen? Niet één! Als Job op deze gedachte doorgegaan was en ingezien had dat het in zijn beproeving niet ging om verkeerde daden, maar wel om hem zijn eigen nietigheid, onwaardigheid, onreinheid, en zondigheid te laten beseffen, dan was de oplossing van het lijdensprobleem dichtbij geweest. Maar het is makkelijker te zeggen dat de mensen onrein zijn, dan te zeggen dat het ‘eigen ik’ onrein is!

Als de door God bepaalde levensduur van een mens voorbij is, dan sterft hij. Een omgehakte boom loopt weer uit. Ook de afgestorven tronk en wortels botten uit, zodra er water bij komt. Maar als een mens sterft, is het aardse leven voorgoed voorbij. Hij legt zich neer en staat niet meer op, totdat de hemelen er niet meer zijn. Bij de gedachte aan zijn lijden spreekt Job de wens uit, dat God hem in het dodenrijk mocht verbergen. Hij heeft een vaag besef van de opstanding en dat geeft hem nog hoop temidden van de aardse beproevingen. Hij stelt zich voor dat God naar het maaksel van Zijn handen zou verlangen en hem tot opstanding zou roepen. En Job zou op dit roepen antwoorden en opstaan. Dan zou de Heere geen zonde bij hem kunnen ontdekken, want zijn overtreding zou in een bundeltje verzegeld zijn en zijn ongerechtigheid toegepleisterd, onzichtbaar gemaakt (of “opeen gepakt”). Door de dood wordt overigens elke verwachting van een mens hier op aarde vernietigd. Hij heeft er dan geen weet van dat zijn kinderen tot ere of tot een lage staat komen op aarde.

De macht van het opstandingsleven, dat in Christus geopenbaard zal worden, kende Job nog niet. Als hij zekerheid had omtrent de opstanding, dan zou gedurende al de dagen van zijn zware dienst, van zijn moeitevol aards leven, deze zekerheid voor hem een blijde hoop zijn. Dan zou hij zijn leed kunnen dragen totdat het uur van zijn aflossing, zijn sterven, zou zijn gekomen. Dan zou de dood zijn verschrikking verloren hebben.

Wij moeten niet uit het oog verliezen dat Job over het leven en de dood van een mens spreekt, zoals deze beide hier op aarde, “onder de zon”, worden gezien en gekend. Als er bijvoorbeeld geschreven staat “de doden weten niet met al…” (Prediker 9 vers 5), dan spreekt de wijze Prediker alleen over wat hij kan waarnemen met zijn lichamelijk oog, terwijl hij hier op aarde “onder de zon” leeft. En dan ziet hij dat de doden hier in hun graven liggen, weggenomen uit het land van de levenden. Zij weten van niets meer en reageren nergens meer op. Zo zegt Job dat hier ook.

En wij, in onze dagen, zouden ook zo spreken, als ons geen Goddelijke openbaring in Christus geschonken was. Ons lichamelijk oog ziet niet meer dan dat van Job. Onze waarnemingen “onder de zon” gaan ten aanzien van de doden niet verder dan die van de wijze Prediker. Ons geestelijk oog ziet echter niet op de aardse dingen, maar op onze Heiland, want “wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond” (Hebreeën 2 vers 9). Maar omdat ons nu deze Goddelijke openbaring gegeven is, weten wij op grond daarvan, dat de natuurlijke mens niet eerder tot een lichamelijke opstanding zal komen, dan na het voorbijgaan van de tegenwoordige hemel en aarde. Om dan plaats te maken voor een nieuwe hemel en een nieuwe aarde en dat die opstanding ten eeuwig oordeel zal zijn voor hen die niet geschreven staan in het boek des levens van het Lam (Openbaring 20 vers 11 tot en met 15; 21 vers 1). En wij weten ook op grond van dezelfde Goddelijke openbaring, dat er behalve een opstanding van de doden ten eeuwig oordeel, er ook een opstanding uit de doden zal zijn (zowel voor de gelovigen van de oudtestamentische als van de nieuwtestamentische bedeling, zij het ook in perioden) ten eeuwigen leven, tot eeuwige zegening.

Wij mogen God wel danken voor zo’n openbaring, die ook voor dit leven van de grootste betekenis is. Daardoor worden wij onder andere bewaard voor de valse voorstelling, dat de dood rust zou geven aan de mensen, die tijdens hun aardse leven zonder God hun weg zijn gegaan.

HOOFDSTUK 15

In dit hoofdstuk houdt Elifaz zijn tweede toespraak. Hij begint met Job te bestraffen over zijn winderige wetenschap (ijdele kennis). Zó spreekt een ware wijze niet. Daardoor breekt hij de vreze Gods af en doet tekort aan de eerbied voor Hem. Op deze manier neemt hij het gebed voor het aangezicht van God weg. Maar Job spreekt zulke woorden juist als een gevolg van zijn eigen ongerechtigheid; hij is wel listig met zijn gedurige woorden, maar zijn eigen mond veroordeelt hem, en niet Elifaz. Wie denkt Job eigenlijk wel te zijn? Is hij als eerste mens geboren? Was hij er eerder dan de heuvelen? Heeft hij de verborgen raad van God gehoord en daar zijn wijsheid opgedaan?

Maar Elifaz en zijn vrienden weten evenveel als Job. Onder hen is een grijze, ja een stokoude die ouder is dan de vader van Job. Waarom luistert hij niet naar hun woorden, die in zachtheid tot hem gesproken zijn? Zijn deze woorden, die door Elifaz vertroostingen van God genoemd worden, hem dan te gering? Wat is er toch in het hart van Job, dat hij zich zo heftig tegen God keert? En welke mens zou rein zijn, als God zelfs in Zijn heilige engelen, wezens van een hogere scheppingsorde, geen vertrouwen heeft en ook de hemelen niet rein zijn in Zijn ogen? Hoeveel te minder dan een mens, die het onrecht indrinkt als water? Laat Job toch naar hem luisteren, hij spreekt slechts uit eigen ervaring en naar de wijsheid van de vaderen, die ze al opgedaan hadden toen alleen zij het land bezaten. Niets zal hij achter houden.

En dan wijst hij Job er op dat de goddeloze zijn hele leven in angst zit en dat bij hem niets blijvends is. De goddeloze mag zich daartegen misschien verzetten en de Almachtige trotseren, maar het zal hem niet baten. Vóór zijn dood zal blijken dat hij geen blijvende welvaart heeft (vers 32).

Ook in zijn tweede toespraak beoordeelt Elifaz Job naar de ervaring die hij heeft, naar wat hij gezien heeft. En daarom is zijn oordeel oppervlakkig. Job was geen goddeloze, geen godvergetene. Maar zijn heftige woorden konden wel de schijn opwekken, dat hij de vreze van God aantastte en het gebed voor het aangezicht van God wegnam. Toch vinden wij bij Elifaz zelf ook een geraaktheid. Blijkbaar waren de drie vrienden ouder dan Job, maar toch toonde Job geen eerbied voor dat ouder zijn en had hij geen eerbied voor hun ervaring. Dit beoordelen van de situatie naar de eigen ervaring van hen die ouder waren, die dus grotere wijsheid hadden, verhinderde dat Elifaz het hart en geweten van Job bereikte. Het leed dat Job is overkomen was geen bewijs, dat hij goddeloos had gehandeld. De zo hardnekkig vastgehouden regel: ‘Geen leed zonder schuld’, ging hier niet op. Wat Elifaz zegt over de volmaakte heiligheid van God en de onreine toestand van de mens is natuurlijk volkomen waar. Maar het is onjuist dat hij dit in verband brengt met het leed van Job.

Overigens is dit slechts een herhaling van wat al eerder door hem werd gezegd in zijn eerste toespraak (hoofdstuk 4 vers 12 tot en met 21).

HOOFDSTUK 16

In de hoofdstukken 16 en 17 antwoordt Job op de tweede toespraak van Elifaz. Wat deze hierin heeft gezegd, is al meer gehoord. Zij zijn moeilijke vertroosters. Waarom zwijgen zij niet? Als Job in hun plaats stond, zou hij hen versterken met zijn mond en dit zou hun smart lenigen. Maar of Job nu spreekt of zwijgt, hij vindt toch geen verlichting. Ach, het zijn geen mensen die hem dit aangedaan hebben, maar het is God, Die Zich tegenover hem gesteld heeft. Hij heeft hem vermoeid, hem zijn kracht ontnomen, zijn gezin geruïneerd, hem door ziekte aangegrepen; kortom, Hij heeft het op hem voorzien. Het zijn echter de mensen die, nu hij in zo’n toestand is, zijn lijden nog verzwaren, door hun mond tegen hem open te sperren, hem beschimpen en op de kaken slaan. Eigenlijk is het echter God, Die hem aan hen overgeeft. Vroeger had hij rust, maar Hij heeft hem verbroken, hem bij zijn nek gegrepen en hem verpletterd. Hij heeft hem gebroken met breuk op breuk. Ach, in welk een smartelijke toestand is hij nu. En toch kleeft er geen misdaad aan zijn handen. In reinheid en onschuld kan hij bidden. De aarde bedekke zijn bloed niet, zijn lijden mag niet toegedekt, niet vergeten worden. En zijn geroep moet hoorbaar blijven.

Toch weet hij, dat zijn Getuige in de hemel, in de hoogten is. Al wordt hij door mensen bespot, zijn oog richt zich schreiend op God, opdat Deze hem recht tegenover Zichzelf en tegenover de naaste van Job zal doen. Want spoedig zal hij het pad gaan, waarlangs hij nooit meer zal terugkeren.

Volgens Job waren zijn vrienden in gebreke gebleven. Zij hadden geen enkel woord van verkwikking en tot opbeuring gesproken. Ze hadden alleen maar gezinspeeld op het kwaad, dat hij gedaan zou hebben. Hij spreekt dan ook niet verder in de verwachting bij hen nog iets te bereiken. Zij zijn verstard in hun eenmaal gevestigde mening. Bovendien is het immers zó dat God Zich tegen hem heeft gekeerd.

Job heeft er geen begrip van dat ook zijn mening helemaal onjuist is en dat de wijze waarop hij over God spreekt te veroordelen is. En dat God hem zou hebben overgegeven aan zijn vijanden is ook niet juist.

De voorstelling van een lijdende rechtvaardige, omgeven door vijanden en spotters, doet ons aan veel Psalmen denken. In het bijzonder mogen we dan denken aan Psalm 22. Het tiende vers van ons hoofdstuk komt overeen met vers 14 van die Psalm. Maar hoe heel anders was de houding van Christus tijdens het lijden op het kruis. Bij Hem stond de gedachte: “doch Gij zijt heilig…” voorop. Daarmee nam de Heiland al het lijden, ook dat wat Hem door de mensen aangedaan werd, aan uit de hand van God.

Maar Job beschuldigt God in zijn verbittering. Hoe een mens denkt over God wordt bepaald door zijn verhouding tot Hem. Wat is het dan een zegen, dat wij door het Woord van God een juiste kennis van Hem kunnen bezitten, voorzover Hij Zich geopenbaard heeft. Job had die kennis niet en kwam er toe om God ongerijmdheden toe te schrijven. In dit verband merken wij op, dat het voor een gelovige van nu, die de kennis van God en Zijn doen kan bezitten, veel erger is als hij zo zou handelen en spreken als Job deed.

Wat zal Job later beschaamd geweest zijn, toen hij de ware oorzaak van zijn beproevingen ontdekte. Toen hij besefte, dat God niet zijn Vijand was, maar juist in liefde met hem gehandeld had. Nee, deze Job is geen legendarische figuur uit de oudheid, maar iemand die werkelijk geleefd heeft. En God bewaarde zijn lijden en gedrag in de Schrift, opdat wij daarin een voorbeeld of een afschrikking zouden hebben. Het heerlijke “einde des Heeren”, is na Job eveneens door duizenden andere gelovigen ervaren.

Job had vroeger reeds zijn verlangen naar een scheidsman, een middelaar, uitgesproken (hoofdstuk 9 vers 33). Nu spreekt hij van een Getuige, een Pleiter in de hemel en verlangt dat Deze tussenbeide zal komen. Voor Job is dit dezelfde Persoon. Wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige (1 Johannes 2 vers 1).

HOOFDSTUK 17

In dit hoofdstuk gaat Job verder met zijn antwoord op de tweede toespraak van Elifaz. Zijn geest is verdorven, zijn dagen worden uitgeblust, binnenkort zal hij het graf ingaan. Bespotting is zijn deel en zijn oog moet rusten op het getwist van anderen om hem. Van mensen is geen hulp of uitkomst te verwachten. Het enige is nog dat God bij Zichzelf Borg is voor Job, want niemand anders zal borg willen zijn. Het hart van mensen heeft God, volgens Job, gesloten voor een juist inzicht met betrekking tot zijn toestand en de oorzaak daarvan. Hij zegt dat zij daarom ook niet verhoogd zullen worden; het zou niet blijken, dat zij het goed hadden gezien, want hun verkeerde inzicht zou dit verhinderen, in het algemeen zegt hij dat van iemand die vrienden uit winstbejag aanklaagt, de kinderen ook zullen versmachten. God heeft hem tot een spreekwoord onder de volken gesteld; zodat hij “een trommelslag is voor ieders aangezicht”. Zijn toestand is zo jammerlijk, dat de oprechten hierover verbaasd, ontzet zullen zijn en “de onschuldige zal zich tegen de huichelaar opmaken”. Toch houden die rechtvaardigen vast aan hun rechtvaardige wegen. Ze nemen zelfs toe in kracht, omdat zij rein van handen zijn en geen onrecht bedrijven. Dat velen steeds opnieuw tot hem terug keren om met hem te spreken, ondergaat Job gelaten; hij vindt onder hen toch geen enkele wijze. Zijn dagen zijn voorbij; alle plannen en wensen van zijn hart werden verijdeld en gaan niet door. Mensen proberen de nacht van zijn beproeving nog wel tot een dag van licht te maken, maar dat vertroost hem niet. Hij heeft zich met de dood zó vertrouwd gemaakt, dat hij van het graf spreekt als van zijn vader en van de wormen als van zijn moeder en zuster. Hoop heeft hij niet meer.

Job heeft dus van het aardse leven geen enkele verwachting meer, hij ziet alleen het nabije graf. We zien hier tot welke onjuiste gedachten een gelovige komt, als hij zijn beproeving niet met God doorstaat, want Job heeft daarna nog 140 jaar geleefd.

Het is ook onjuist te menen, dat God het hart van anderen gesloten heeft voor een goed inzicht in de toestand van Job. Deze gedachte komt voort uit de mening van Job, dat God zijn Vijand is. Toch is de opmerking, dat de rechtvaardigen – hoewel ontzet over de toestand van de rechtvaardige Job – aan hun rechtvaardige wegen vasthouden, ja zelfs in kracht toenemen, prachtig! De psalmist Asaf heeft ook een moment gedacht, dat hij tevergeefs geprobeerd had rechtvaardig te zijn. Maar voor het denkbeeld om te gaan spreken en handelen als de goddelozen schrok hij toch terug. Want dan zou hij afvallig hebben gesproken en gehandeld (Psalm 73 vers 13 tot en met 15).

Het is overigens merkwaardig, dat er bij Job geen angst voor de dood is. Hij spreekt daarvan als van een rust. Als de drie vrienden gelijk zouden hebben gehad in hun bewering, dat Job een of andere zonde had bedreven, dan zou het geweten van Job niet zo rustig zijn geweest bij de gedachte voor God geplaatst te zullen worden. Dit is een bewijs dat aan de oprechtheid en onberispelijkheid van zijn hele wandel (zoals die wordt medegedeeld in de hoofdstukken 1 en 2) en daarom ook niet aan de zuiverheid van zijn geweten, niet getwijfeld kan worden.

HOOFDSTUK 18

Na Elifaz is het weer de beurt aan Bildad. Hij vraagt zich af, hoelang Job nog zal doorgaan met zulke woorden waardoor anderen verward moeten geraken. Als hij verstandig wordt, dan zullen de vrienden spreken. Waarom beschouwt Job hen als domme beesten? Hij verscheurt zichzelf door zijn toorn over de beproeving. Denkt hij dat hij zo’n belangrijk persoon is, dat om hem de aarde ontvolkt, of dat een rots van haar plaats gerukt zou worden? In het verdere verloop van zijn toespraak zegt Bildad dan, dat de goddeloze door allerlei onheil getroffen zal worden. De bijzonderheden hiervan komen geheel overeen met de rampen, die over Job gekomen waren.

Deze Bildad is in zijn tweede toespraak nog harder dan in zijn eerste ‘troostwoord’. Ten eerste toont hij, net als Elifaz, dat hij lichtgeraakt is. Job beschouwt hen niet als wijzen, maar als dom vee. Het wordt openbaar, dat Bildad in het geheel niet geluisterd heeft naar de antwoorden van Job, hij heeft er eenvoudig weg geen acht op geslagen. Bildad doet dus zelf, wat hij Job verwijt, namelijk Job als dom te beschouwen.

Voor Bildad is het diepe probleem van het lijden van gelovigen heel eenvoudig: ‘Er is lijden aanwezig, dus is er ook schuld, zonde’. Hij stelt vast, dat de waarheid inmiddels wel openbaar geworden is. Gods oordelen over Job en de reactie van Job bewijzen duidelijk, dat hij goddeloosheid heeft bedreven en een huichelaar is. Het oordeel hierover heeft Bildad ook al klaar: het licht van de goddeloze zal uitgeblust worden. Bewijzen voor deze toepassing op Job voert hij niet aan, het is voor hem een uitgemaakte zaak, dat het zó met Job gesteld is. Hij spreekt over de maatschappelijke, geestelijke en lichamelijke ondergang van de goddeloze, over het feit, dat deze geen nageslacht zal hebben. Hoe pijnlijk dit alles voor Job geweest moet zijn, daarvan heeft deze ‘vertrooster’ geen besef of hij houdt er in ieder geval geen rekening mee. Hij spreekt over de dwaasheid van de goddeloze, die zich door z’n eigen toedoen in het ongeluk stort. Hij spreekt over de “eerstgeborene des doods”, de melaatsheid in al haar verschrikking. En dat terwijl hij deze verschrikkingen bij de ongelukkige Job ziet. Hij besluit met de verzekering, dat het zó en niet anders zal gaan met een “verkeerde”, die God niet erkent.

Het onjuiste van deze redenering was, dat Bildad dit alles zonder meer op Job toepaste, zonder ook maar één bewijs te hebben dat hij werkelijk een “verkeerde” was! Hier waren alleen maar vermoedens in het spel, die gevoed werden door de vergeldingstheorie: ‘geen leed, zonder schuld’. Een theorie die zo rotsvast bij Bildad aanwezig was dat het feit dat Job door zo’n zwaar leed getroffen werd, voor hem genoeg was om te kunnen concluderen, dat Job een “verkeerde” was.

Deze totaal onjuiste gedachtengang van Bildad komen we ook vandaag de dag nog tegen. Hoe oppervlakkig, hard en grievend wordt er soms geoordeeld. Hoe wordt de verhouding tot de getroffene daardoor, waardoor alle pogingen om te hulp te komen vruchteloos blijven of juist een averechtse uitwerking heeft. Maar het feit, dat wij voor onze innerlijke overtuigingen voor God even verantwoordelijk zijn, als voor onze woorden en daden, is zeer ernstig. Ook in onze meest vaste overtuigingen kunnen wij heel goed volkomen mis zijn en dwalen. Alleen God kan ons de juiste beoordeling van elk geval op zich leren. Daarvoor hebben wij ons biddend en afhankelijk op te stellen en ons te wenden tot het Woord van God, waarin op velerlei wijze over het probleem van het lijden van de gelovigen gesproken wordt. Het is bovendien vanzelfsprekend dat er in liefde moet worden gedacht aan hen naar wie onze bemoeienissen uitgaan.

Er kan zeer zeker een lijden tengevolge van schuld zijn, maar dat is lang niet altijd het geval. In veel gevallen is er juist géén sprake van straf, maar van de liefde van God die ons onderwijst, voor Wie het geestelijk belang altijd voorop staat en waaraan alles ondergeschikt gemaakt wordt (Titus 2 vers 12). Er kunnen nog meer oorzaken zijn voor het leed, dat over de gelovigen komt. Daarbij denken we bijvoorbeeld aan het lijden vóór of om de Naam van de Heere, of een lijden ter verheerlijking van God, zoals eens bij Lazarus. Daarom moeten we dus altijd heel voorzichtig en tactvol zijn met hen die door grote tegenslagen getroffen worden. “En hetzij dat één lid lijdt, zo lijden al de leden mede” (1 Korinthe 12 vers 26); sta dus niet te snel met een oordeel klaar (Romeinen 2 vers 1).

HOOFDSTUK 19

In dit hoofdstuk antwoordt Job op de tweede toespraak van Bildad. Hoelang zal deze nog de ziel van Job bedroeven en hem met woorden verbrijzelen? Al tienmaal heeft hij Job schande aangedaan; hij schaamt zich niet en verhardt zich tegen hem. Mocht Job dan werkelijk gedwaald, gezondigd hebben, laat Bildad dan hiervan het bewijs leveren. Dat is beter dan alleen op grond van een vermoeden zich tegen hem te verheffen.

Laat Bildad het toch ook erkennen, dat God Job onrecht heeft aangedaan, dat Hij Job met Zijn net omsingeld heeft. Op zijn hulpkreet, dat er geweld werd gepleegd, is geen antwoord en geen hulp gekomen. Er is geen recht meer. God heeft zijn weg toegemuurd, afgesloten, zodat hij nergens meer heen kan, er is duisternis op zijn paden. Hij heeft de eer van Job ontroofd en de kroon van zijn hoofd weggenomen. Hij heeft hem rondom afgebroken, alle hoop is vergaan. Hij is toornig tegen Job en beschouwt hem als een vijand en Hij zendt Zijn benden tegen hem. Job is alleen, zijn broeders heeft God van hem verwijderd. Voor zijn kennissen, huisgenoten en dienstmaagden is hij een vreemde geworden. Zijn slaven staan tegen hem op. Zijn familie walgt van hem. Zijn gebeente kleeft aan zijn huid en aan zijn vlees. Waarom vervolgen de vrienden hem, zoals ook God dit doet? Laten zij zich toch over hem ontfermen. Hij smeekt, dat de woorden die hij nu uitspreekt vastgelegd worden in een boek, dat zij met een ijzeren griffel en lood voor eeuwig in een rots gehouwen worden. Want hij weet dat zijn Verlosser leeft, en dat Deze uiteindelijk, al gaat zijn lichaam dan ook te gronde, over het stof zal zegevieren. Dan zal hij met eigen ogen God aanschouwen, naar Wie hij smachtend uitziet. Maar dan zal ook over de vrienden een oordeel geveld worden vanwege hun optreden tegen hem.

Telkens komt in de woorden van Job de gedachte terug, dat God hem onrecht aandoet. Hij is hiervan niet af te brengen, omdat hij in eigen oog onschuldig is. Het mag dan waar zijn, dat hij zich niet aan bepaalde zonden schuldig gemaakt heeft, maar als hij besef had gehad van zijn eigen zondige toestand en onwaardigheid, dan had hij in ootmoed zijn eigenwaan veroordeeld en nooit zulke oneerbiedige ongerijmdheden tegen de Heilige en Rechtvaardige uitgesproken. Dat hij dit wèl deed, was een ernstige zonde ‘met zijn lippen’, waar hij ook het misnoegen van zijn vrienden mee opriep.

Zeker, de Heere had tot tweemaal toe een heerlijk getuigenis over de wandel van Job gegeven, maar dat was in de hemel afgelegd tegenover de satan. Job en zijn vrienden wisten niets daarvan af. Zij zagen slechts de aardse omstandigheden. De vrienden zaten met het probleem: hoe kan iemand zo’n lijden toebedeeld worden, als hij inderdaad als een rechtvaardige geleefd heeft?

En voor Job was de moeilijkheid: hoe kan dezelfde God, Die mij voorheen zo zegende, mij nu zonder oorzaak zo’n lijden aandoen?

Toch wordt het meer en meer duidelijk uit de woorden van Job, dat de Geest van God in zijn hart werkte. In dit hoofdstuk is hij zachtmoediger dan eerder. Hij beklaagt zich nog wel over hun voortdurende tegenstand, maar roept, na een aangrijpende schets van het leed dat hem is overkomen, toch hun ontferming in.

Maar de werking van de Heilige Geest in Job komt vooral naar voren door wat hij zegt in de verzen 25, 26 en 27. De aardse omstandigheden, het verkeerde optreden van zijn vrienden en niet te vergeten Jobs eigen verkeerde uitspraken, vervreemdden hem hoe langer hoe meer van God. Het was niet alleen zó, dat het lijden van Job voor hem een probleem vormde, maar in zijn wanhopige pogingen om de juiste verklaring te vinden, was Job zelf een vraagstuk, vol van verwarring.

Maar ondanks dit alles zien wij bij Job meer dan eens het licht van zijn geloof stralen te midden van de duisternis, die hem omringde. Wat hij in de verzen 25 tot en met 27 zegt, is zeker niet in overeenstemming met zijn vroegere beweringen. Maar wat hij zegt over zijn Verlosser zijn evenmin zijn eigen gedachten. Het zijn gedachten van de Heilige Geest, die Hij in Jobs hart gewerkt heeft. Job kent ogenblikken, dat hij zich boven zijn lijden verheft en zijn geloofsoog omhoog richt. Dan spreekt hij over een Scheidsman (hoofdstuk 9 vers 33), een Bemiddelaar, over een opstanding van de doden (hoofdstuk 14 vers 14) en over een Getuige in de hemel (hoofdstuk 16 vers 19). En hier zegt hij te weten, dat zijn Verlosser leeft en dat Deze, ook al gaat zijn lichaam te gronde, eenmaal over het stof zal zegevieren. Deze geloofsuiting, onder zulke aangrijpende omstandigheden, is wel één van de heerlijkste in het Boek Job, ja, in de hele Schrift!

Er is aanleiding om aan te nemen dat de verzen 23 en 24, waarin Job smeekt dat zijn woorden voor altijd in een boek zouden worden opgeschreven, betrekking hebben op wat hij dan aangaande zijn Verlosser zegt. Het is niet zó dat Job om die Verlosser bidt, maar hij weet dat Deze leeft en voor hem tussenbeide zal komen. Als de melaatsheid zijn hele lichaam doorknaagd zal hebben en er voor het menselijk oog slechts iets afzichtelijks overblijft, dan zal hij toch uit zijn vlees God aanschouwen.

Deze smeking van Job werd verhoord. Die woorden zijn namelijk opgeschreven, weliswaar niet met een ijzeren griffel in lood, of uitgehouwen in een rots, maar ze zijn voor eeuwig bewaard in het Woord van God.

Het verwondert ons misschien dat er in de eerste openbaringen van God en buiten de mededelingen aan de aartsvaders van Israël om, al zulke gedachten door Job konden worden uitgesproken, maar toch is dat het geval geweest. Het bewijs vinden we in dit gedeelte van de Schrift. Natuurlijk was in die dagen nog weinig geopenbaard, maar dat weinige leefde door de werking van de Heilige Geest toch in de harten van hen die in God geloofden. En zo konden de gelovigen van die dagen dingen zeggen, die, nu het volle licht is opgegaan, als profetische woorden beschouwd kunnen worden.

In onze dagen is ons een volheid van Gods genade en waarheid geopenbaard in Christus (Handelingen 20 vers 27). Maar het is de vraag of wij léven in die volheid, zoals de vroegste gelovigen destijds leefden in het weinige dat hen bekend was. Als het goed is dan moet de uitwerking op ons geestelijk leven, bij die kennis van deze volheid, veel groter zijn dan toen het geval was bij de vroegste gelovigen, bij het weinige dat zij wisten.

Omdat deze geloofsuiting van Job zo belangrijk is, is het goed om daar nog wat langer bij stil te staan. Het geloof is een machtig beginsel, een zekerheid omtrent dingen, die niet, of nog niet, gezien worden, een vertrouwen op beloften, die nog niet in vervulling zijn gegaan (Hebreeën 11 vers 1). De Heilige Geest laat in het Woord van God gelovigen aan ons oog voorbijgaan, mannen en vrouwen die vasthielden aan de toen nog niet zichtbare dingen, aan nog niet vervulde beloften. En dat onder omstandigheden, die in volkomen tegenspraak waren met hun geloofsverwachtingen. Zij hielden aan God vast, als aan Eén “Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren” (Romeinen 4 vers 17). Als er tegenstand, lijden en ellende over hen kwam, dan riepen zij uit: “Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid” (Psalm 73 vers 26). Als er misoogst en hongersnood was, dan zeiden zij, dat zij nochtans zouden opspringen van vreugde in de Heere en zich zouden verheugen in de God van hun heil (Habakuk 3 vers 17 en 18).

En zó was het ook bij Job. Ondanks zijn hopeloze toestand, weet hij dat zijn Verlosser leeft, en dat uiteindelijk het goede zijn deel zal zijn, al is dit dan ook niet in dit aardse leven.

Job was een gelovige uit de heidenen, maar zijn geschiedenis is in het hebreeuws geschreven en door God toegevoegd aan de oudtestamentische Boeken. Job sprak niet van een Verlosser, zoals wij daarvan spreken, maar van een Losser. In het Boek Leviticus wordt over een losser en wat die moest doen, gesproken (Leviticus 25 vers 23 tot en met 55). Als door armoede het land, het erfdeel, van een Israëliet verkocht was, dan had zijn broeder de roeping dit land te lossen, terug te kopen en het aan de eerste eigenaar terug te geven. Ook als een Israëliet zó arm was geworden, dat hij zichzelf als slaaf had moeten verkopen, dan moest zijn naaste bloedverwant hem weer vrijkopen, lossen. En er worden nog meer gevallen genoemd. Ook bij Job was de gedachte: er is Eén, die voor mij zal opkomen, mij vrij zal maken, ik weet dat Hij leeft en dat ik Hem zal zien als mijn God, Hij is boven allen verheven, Hij zal over het stof zegevieren, Hij heeft alle macht. Job weet dat, als de melaatsheid volkomen haar verwoesting bij hem zal hebben aangericht, hij niet zal vergaan, niet verloren zal zijn, maar uit zijn vlees God zal aanschouwen.

In overeenstemming met de vaak in het Oude Testament voorkomende gedachte, dat alleen iemand die leeft God kon loven (Psalm 104 vers 33) – onder dat leven wordt dan de eenheid van ziel en lichaam verstaan (Psalm 146 vers 1 en 2), hetzij in dit leven (Jesaja 38 vers 11) hetzij in het opstandingsleven (Jesaja 38 vers 18 en 19) – is het wel zeker, dat Job gedacht heeft aan zijn opstandingsleven, toen hij zei dat hij uit zijn vlees God zou aanschouwen, dus vanuit zijn lichaam dat hij in de opstanding zou ontvangen. In zijn dagen was dit alles nog vaag, maar naarmate de openbaring van God voortging, is hierover het volle licht opgegaan (1 Korinthe 15 vers 40 tot en met 44).

De God, zoals Hij door de vrienden werd voorgesteld en zoals Job zelf over Hem zo dikwijls gedacht en gesproken had in zijn gebrek aan verstand (Job 42 vers 3), was voor Job een God Die hij niet begreep. Maar vanuit zijn opstandingslichaam, als al zijn tegenwoordige ellende voorbij zou zijn, zou hij zijn God zien. Er was dus een persoonlijke verhouding van Job tot God, en geen vaag begrip van een ‘Godheid’, dat elke persoonlijke verhouding vervaagt tot gevoelsaandoeningen in algemene zin, die eigenlijk niet meer dan zelfmisleidingen zijn.

HOOFDSTUK 20

Na de prachtige geloofswoorden van Job in het vorige hoofdstuk, houdt Zofar zijn tweede toespraak. Zijn gedachten dwingen hem tot antwoorden, want het stormt in hem. Hij is door Job smadelijk terechtgewezen, waardoor Job heeft laten zien dat hij geen inzicht heeft! Het overige van Zofars toespraak is een langdradig betoog, hetwelk inhoudt dat de goddeloze, ook al heeft hij tijdelijk voorspoed, op een verschrikkelijke wijze zal omkomen. Ook Zofar toont zich dus lichtgeraakt, evenals Elifaz en Bildad. Op zichzelf genomen mag wat hij zegt over de goddelozen waar zijn, maar steeds weer wordt de fout gemaakt, dat dit zonder meer op Job wordt toegepast. Job is die goddeloze en huichelaar, die met veel woorden zichzelf tracht te rechtvaardigen. Nu het Zofar niet was gelukt in het debat overwinnaar te zijn, kwetst hij Job door de scherpte van zijn betoog.

HOOFDSTUK 21

Dit hoofdstuk is een antwoord van Job op de tweede toespraak van Zofar. Laat deze nu eens goed luisteren naar dit antwoord, dan kan hij daarmee Job vertroosten. Laat hij nu eerst Job eens in zijn spreken verdragen en geduldig naar hem luisteren, daarna mag hij spotten. Heeft Job zich met zijn klachten tot de mensen gewend? Als dat zo is, dan heeft hij reden om verdrietig te worden. Als zij zich zijn toestand eens goed zouden indenken, dan zouden zij ontzet zijn, evenals het voor hem ook een verschrikking is.

Zofar had er op gewezen, dat de goddelozen omkwamen en hun voorspoed hen afgenomen wordt. In het algemeen is dit wel waar, maar gaat dat altijd op, zijn er ook niet veel uitzonderingen? Veel goddelozen worden heel oud en “worden geweldig in vermogen”. Hun talrijk nageslacht is al hun dagen rondom hen, zij leven in vrede, in veiligheid en kennen geen vrees. Maatschappelijk gaat het hen goed en uiteindelijk dalen ze in een ogenblik neer in het graf. Toch hadden deze goddelozen tot God gezegd van hen te wijken, want aan de kennis van Zijn wegen hadden zij geen lust. Waarom zouden zij de Almachtige dienen? En wat helpt bidden en hun aandringen bij Hem? Het is wel waar, dat er soms goddelozen verdelgd worden, maar dit is lang niet altijd het geval. En wat bekommert zo’n goddeloze zich er om wat er na zijn dood gebeurt? Het zou nog wat anders zijn, als de goddelozen steeds zelf getroffen zouden worden. Welk mens zou God moeten leren, hoe Hij ten aanzien van goddelozen dient te handelen? De ene sterft volkomen rustig en vredig, de andere is verbitterd, omdat hij het goede van deze aarde nooit heeft genoten. Beiden liggen echter tezamen neer in het stof, en het gewormte bedekt hen.

Job kent de overleggingen van zijn vrienden wel, waarmee ze hem geweld aandoen, hem grieven. Zeker is het waar, dat God soms ingrijpt en een goddeloze hier op aarde al vergeldt. Maar hebben de vrienden wel eens navraag gedaan bij anderen? Zullen die niet getuigen, dat vele bozen bij rampen juist gespaard zijn gebleven? Dat bozen bij hun begrafenis nog door iedereen geîrd werden? Wat blijft er dan over van de starre bewering van de vrienden, van hun vasthouden aan de algemene regel voor goddelozen?

Uit dit antwoord van Job komt nu een mildere gezindheid ten opzichte van z’n vrienden naar voren. Hij onderkent waarheid in hun woorden. Maar hun fout is, dat zij een algemene regel stellen voor hetgeen de goddelozen overkomt, zonder ook maar een enkele uitzondering op die regel te maken. Job komt hier tegenop door te wijzen op het lange leven en de voorspoed van veel goddelozen, met als slot dat zij vredig neerdalen in het graf. Over wat na hun dood met hen gebeuren zal, spreekt Job niet, hij gaat niet verder dan wat zijn ogen hier “onder de zon” gezien hebben. En de vrienden waren ook niet verder gegaan. Zeker, soms stelt God een voorbeeld door een goddeloze hier op aarde al te vergelden naar zijn werken. Daardoor geeft Hij een waarschuwing aan anderen, opdat zij zouden beseffen, hoe vreselijk het is om te vallen in de handen van de levende God. Maar het is óók zo, dat God in Zijn lankmoedigheid veel goddelozen verdraagt.

Zo erkent Job dus nu, dat er waarheid is in de woorden van zijn vrienden. Niets geeft iemand zo’n zedelijk overwicht over zijn tegenstanders als een dergelijke erkenning. Wie dit kan doen, toont dat hij rekening wil houden met het goede, dat toch nog wel aanwezig is.

Dat God ook nog wel op een andere wijze dan door oordeel de mens tegemoet komt, bijvoorbeeld door kastijding en Vaderlijke tucht, die niet het verderf maar juist zegening ten doel heeft, dat begreep Job nog niet. Wel was God bezig hem dit te leren. Ook de vrienden begrepen hier niets van. Job heeft het eerder geleerd dan zij, als zij het tenminste al ooit hebben geleerd.

HOOFDSTUK 22

Elifaz sprak nu voor de derde keer, maar niet beter dan de vorige keren. Hij zegt, dat als de, in eigen ogen, rechtvaardige Job meent God een dienst te kunnen bewijzen met zijn rechtvaardigheid, hij het dan volkomen mis heeft. Het geeft de Almachtige geen enkel voordeel, als Job rechtvaardig is en zijn wegen volmaakt zijn. Wel bewijst hij dan zichzelf een dienst. Zou God Job echter om zijn vreze bestraffen? Dat is natuurlijk uitgesloten. Dus is Job, volgens Elifaz, een verkeerde, vol van boosheid en aan zijn ongerechtigheden is geen einde. Elifaz beweert dat Job woeker heeft genomen van zijn broeders, dat hij hen, die al berooid waren, nog meer heeft uitgezogen en dat hij onbarmhartig is geweest tegenover dorstigen en hongerigen. Aan de voornamen en invloedrijken had hij wel goed gedaan, maar weduwen en wezen had hij “ledig weggezonden”.

Om al die ongerechtigheden was het lijden plotseling over hem uitgestort. Bij het bedrijven van zijn zonden had hij zichzelf wijsgemaakt dat God daarvan toch niets wist. Hij is immers ver in de hoge, de wolken zijn Hem een verberging, zodat Hij niet ziet. Als Job nog verder de weg van de boosdoeners gaat, dan zal, als het de tijd nog niet is, een vloed over hem uitgestort worden. Die boosdoeners zeggen tot God van hen te wijken. In hun hoogmoed beweren zij dat de Almachtige hen toch niets kan doen. Toch was het God geweest Die hun huizen met goed had gevuld. Elifaz is echter verre van dergelijke overwegingen. Als aan de goddelozen vergelding is geschied, dan verblijden zich de rechtvaardigen, ze bespotten hen en zeggen dat hun tegenstanders vernietigd zijn met al wat zij hadden.

Elifaz geeft Job de raad zich aan God te gewennen, dan zal hij vrede hebben en het goede zal over hem komen. Laat Job toch deze wet (onderwijzing) aannemen. Als hij zich bekeert van zijn ongerechtigheden dan zal hij gebouwd worden. Als hij de aardse bezittingen niet voorop stelt en ze als het ware in het stof neerlegt, en de Almachtige zal zijn grootste bezit zijn, dan zal hij zich in Hem verlustigen. Zijn gebeden zullen dan worden verhoord, al wat hij zich zal voornemen, zal gelukken. God helpt degene die niet hoog van ogen is, zelfs schuldigen bevrijdt Hij. Job kan ook, door de zuiverheid van zijn handen, door het wegdoen van zijn verkeerdheden bevrijd worden.

Zó spreekt deze Elifaz, waarschijnlijk de oudste van de drie vrienden. Hij kon weinig inbrengen tegen de argumenten van Job, maar doet alsof hij ijvert voor de hoogheid van God. Hoe kwam hij er toe om te denken dat Job van mening was, dat hij door zijn gerechtigheden God een voordeel bezorgde! Zo’n gedachte bewees alleen hoe weinig Elifaz God kende. God wordt nooit door mensenhanden gediend alsof Hij iets van hen nodig zou hebben. Het is juist andersom; Hij geeft aan allen leven en adem en alle dingen (Handelingen 17 vers 25). Maar dat Hij door een goede wandel van de gelovigen geëerd wordt en Zich bedroeft over de zonde, dat vergat Elifaz.

Ironisch vraagt hij aan Job of God hem soms om zijn godsvrucht zo heeft bestraft. Is zijn boosheid niet groot? Hij wijst wel op de woeker, de uitzuigerij, de onbarmhartigheid en het aanzien van de persoon dat Job zou hebben gedaan, maar hij heeft daarvoor geen enkel bewijs. Van al die beschuldigingen was geen woord waar. Elifaz werd alleen geleid door vermoedens en door zijn verstarde mening, dat God alleen verkeerden en geen godvruchtigen doet lijden.

Het zou te ver gaan om te zeggen dat Elifaz hier openlijk lasterde. Lasteren is immers een spreken tegen beter weten in. Wij kennen nu het besliste getuigenis van de Heere over Job, dat in de hemel tegenover satan werd uitgesproken. Daar wist Elifaz echter niets van af. Omdat het uitgangspunt van Elifaz fout was, waren zijn gevolgtrekkingen eveneens fout. En nog erger is het dat hij aan Job toeschrijft te denken, dat God toch niets afweet van zijn ongerechtigheden, die hij, volgens Elifaz, heeft begaan.

Toch was er bij Elifaz soms een goed inzicht in de wegen van God. De liefde en genade van God staan echter niet op de voorgrond. Maar hij wist wel, dat een goede wandel voor een gelovige passend was en dat God hierop lette; dat Hij de verkeerden vergold en de rechtvaardigen zegende. Als hij zegt: “Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen”, dan is dat op zichzelf genomen waar. Immers dient de gelovige de gemeenschap met en de gewenning aan God te zoeken. En als Elifaz oproept tot bekering, is dat eveneens naar de gedachte van God. Maar de geestelijk gezinde nieuwtestamentische gelovige weet nu wel, dat voorspoed en een groot aards bezit geen bewijzen zijn van Gods welgevallen, evenmin als beproevingen het misnoegen van God bewijzen.

Een en ander samenvattend kunnen wij dus zeggen, dat wat soms door de vrienden werd gezegd volkomen naar de gedachte van God was. Maar hun toepassing op Job was fout en volkomen misplaatst. Vandaar dan ook dat zij bij Job, die beter wist, niets bereikten. Hoewel ook Job voor God niet in de juiste gezindheid was, zoals hij behoorde te zijn.

HOOFDSTUK 23

Hier begint Job aan zijn antwoord op de derde toespraak van Elifaz, dat tot in hoofdstuk 24 doorloopt. Bij het horen van de beschuldigingen van Elifaz, zou hij geneigd zijn tot opstandigheid, maar hij bedwingt zich nog. Heel zijn verlangen gaat er naar uit om zijn rechtzaak bij God Zelf uiteen te zetten, gestaafd met bewijzen om te horen wat Hij daarop antwoorden zou. Hij gelooft niet dat God hem alleen maar Zijn macht zou opleggen en niets zou zeggen over zijn goede wandel. Hij is er van overtuigd dat God acht op hem zou slaan. De oprechte, de onberispelijke, zou met Hem pleiten en Job zou onschuldig verklaard worden. Zo stelt hij zich de gang van zaken voor. Maar hoe God te vinden en in Zijn tegenwoordigheid te komen? In geen van de vier windstreken is Hij te bespeuren. God weet echter van zijn onschuld en als Hij hem zou beproeven, zou hij als goud te voorschijn komen. De wegen van God zijn zonder afwijking door hem bewandeld. Het gebod heeft hij bewaard en Gods woorden heeft hij ruimschoots in zijn hart opgenomen. Maar wie kan God iets voorschrijven, en wie zal Hem afkeren? Hij blijft Zichzelf gelijk. Wat Zijn ziel begeert dat zal Hij doen. Dat wat Hij over Job beschikt heeft zal Hij ook volbrengen. Als Job denkt aan het lijden dat daaraan verbonden is, dan vreest hij voor Hem Die zijn hart week gemaakt heeft en hem heeft beroerd. Het is niet vanwege het onbegrepene dat hij uitgedelgd is, maar omdat hij weet dat het God is, Die Zich met hem bezig houdt.

Alleen al door de wijze van uitdrukking, is dit antwoord van Job een bewijs van de onwaarheid van Elifaz’ beschuldigingen. In zijn zelfrechtvaardiging tegenover zijn vrienden is hij oprecht en uit zijn woorden spreekt een diep besef van onschuld. Had hij werkelijk het kwade gedaan, waarvan hij beschuldigd was, dan had hij niet zó kunnen spreken, want huichelarij was Job vreemd. Het is natuurlijk een andere vraag of Job hier voor God de goede plaats inneemt. Hij begrijpt niet waarom God al die beproevingen over hem, een onschuldige, heeft doen komen. En nog minder begrijpt hij dat bij Hem niet de uitwendige wandel in het geding was, maar juist Jobs inwendige toestand. De toestand waarin hij die wandel had verricht. Kortom: dat het niet ging om wat Job gedaan had, maar om wat hij in zichzelf was! Job had echter alleen oog voor het eerste.

HOOFDSTUK 24

Job gaat hier nog verder met zijn antwoord op de derde toespraak van Elifaz. Waarom treedt niet meer in het licht, dat God in een of andere zaak oordeelt? Zij die God kennen zien Zijn dagen niet (Een andere vertaling spreekt van: “gerichtsdagen”). Er zijn bozen die grenspalen verzetten, die vee roven, zelfs de ezel van wezen en de os van een weduwe, die nooddruftigen doen wijken van de weg, zodat zij zich voor die bozen moeten verbergen. De verdrukten hebben een moeilijk bestaan, hebben gebrek aan voedsel en kleding en worden tot arbeid gedwongen. Wie let er op hun zuchten, op de schreeuw van de ziel van de gewonden? God beschikt niets ongerijmds (In een andere vertaling: “God slaat geen acht op het gebed”). De bozen hebben de duisternis lief, omdat zij dan hun boze daden kunnen doen. Voor hen is de duisternis zoals een mooie morgenstond voor anderen is. Zoals sneeuwwater verdampt door droogte en hitte, zo worden de bozen door het dodenrijk weggeroofd. Niemand denkt meer aan hen.

Zo beschrijft Job de tijdelijke voorspoed, maar ook het droevige einde van de goddelozen, onder wie zijn vrienden hem ook rekenden. Zo spreekt hij over het lot van de verdrukten, naar wie niemand hoort.

HOOFDSTUK 25

Ook Bildad spreekt voor de derde keer, zij het maar heel kort. Hij spreekt over de hoogheid van God, over Zijn heerschappij en vreze (verschrikking), over Hem Die vrede maakt in Zijn hoogten. Wie zou Zijn legermachten kunnen tellen en wie stelt Hij niet in Zijn licht? Het is onmogelijk dat een mens bij God rechtvaardig zou kunnen zijn. Als zelfs de hemellichamen niet zuiver zijn in Zijn ogen, hoeveel te minder dan een mens die een made, een mensenkind dat een worm is.

Wat Bildad zei, was zeker waar. Maar wat deed dat hier ter zake, juist omdat niemand deze waarheden had tegengesproken? Dit korte woord van Bildad toont wel aan, dat hij niets meer weet in te brengen tegen de argumenten van Job, die voortkwamen uit een oprecht besef van onschuld. Daarom vervalt Bildad in algemeenheden.

Wellicht heeft Zofar afgezien van zijn derde toespraak. Hoe het ook zij, zeker is dat geen van de drie vrienden in enig opzicht Job hebben kunnen overtuigen of dienen. Van het begin af waren zij in al hun betogen vervuld met een geest van veroordeling. Soms lag er waarheid in hun woorden, voor zover die waarheid niet ten onrechte op Job werd toegepast. Hoe zou bij zo’n geest ooit hulp en troost geboden kunnen worden?

HOOFDSTUK 26

Dit hoofdstuk bevat het antwoord van Job op de derde toespraak van Bildad. In de verzen 1 tot en met 4 prijst hij Bildad op een ironische wijze. Wat heeft hij de onmachtigen geholpen en de krachtelozen gesteund. Wat heeft hij goede raad gegeven aan Job, die geen wijsheid had en de zaak, zoals zij is, ten volle bekend gemaakt. Job vraagt alleen tegen wie Bildad die woorden gesproken heeft en wiens geest van hem was uitgegaan.

In de verzen 5 tot en met 14 spreekt Job dan over de majesteit en macht van God en dat met meer inzicht en meer overtuiging dan de drie vrienden hadden gedaan. Zij spraken, alsof zij alles wat met God in verband stond precies wisten. Maar Job zegt, dat wat hij van de grote Schepper weet, nog maar heel weinig is. Mensen kunnen ook maar weinig verstaan en dan nog slechts door het geloof. Dan verstaan zij dat de wereld en al die hemellichamen in het onmetelijke heelal, door het woord Gods, door Zijn spreken, Zijn gebieden, geworden zijn. Let op, het is: “door het geloof verstaan wij”, en niet: ‘door het verstaan geloven wij’ (Hebreeën 11 vers 3)!

Wat spreekt Job hier in een prachtige en verheven taal over de grote Schepper en Zijn werken! Laten we deze woorden van de Schrift aandachtig en eerbiedig lezen en voor onszelf overdenken. Menselijke verklaringen werken hier alleen maar storend. Wie zou kunnen verklaren, welke geheimen er bijvoorbeeld liggen in de woorden: “Hij hangt de aarde aan een niet”? Zelfs in onze dagen van zoveel ruimteonderzoek en ‘kennis’ is niemand daartoe in staat!

HOOFDSTUK 27

Dit hoofdstuk bevat het eerste gedeelte van de lange toespraak van Job, die nu volgt in de hoofdstukken 27 tot en met 31. Onder aanroeping van God, de Almachtige, betuigt hij dat hij, zolang hij nog leeft, aan zijn gerechtigheid (dat is hier aan zijn onschuld), zal vasthouden. God echter heeft hem zijn recht ontnomen en zijn ziel bitterheid aangedaan. Zolang echter “het geblaas Gods” in zijn neus is, dat is: zolang hij nog leeft, zal hij geen onrecht noch bedrog spreken. Hij heeft niet één van zijn dagen te veroordelen. Zijn hart zal zijn gerechtigheden niet versmaden zijn leven lang. Maar het moge de vijand van Job vergaan als een goddeloze, zijn tegenstander als een verkeerde.

In de verzen 8 tot en met 23 zegt hij dat de goddeloze geen enkele goede verwachting kan hebben. Als God zijn ziel zal uittrekken, zijn leven zal opeisen, zal God dan zijn geroep horen als de benauwdheid over hem komt? Kan een goddeloze zich in de Almachtige verlustigen, te allen tijde God aanroepen, aanbidden? Job zal de vrienden beleren over Gods wijze van doen. Het deel van de goddelozen is, dat als hij de zegen van een groot aantal kinderen bezit, hij die zegen weer verliest door het sneuvelen van die kinderen in de oorlog of dat ze honger zullen lijden. En wie van hen nog overblijven, worden een prooi van de dood. Al zijn bezittingen vallen in handen van anderen, heel zijn rijkdom is in een ogenblik verdwenen. Hij is een voorwerp van de toorn van God en van de bespotting van eigen stadgenoten.

Nu aan de tegenwerpingen van de vrienden een einde is gekomen, stort Job nog eens zijn overvolle hart uit in een lange toespraak. Deze toespraak is als het ware een samenvatting van alles wat hij vroeger al heeft gezegd. Hij is vast besloten om zijn gerechtigheid en onschuld tegenover de beschuldigingen van de vrienden te handhaven. Vervolgens tekent hij de weg en verwachting van de goddeloze in nog feller kleuren, dan dit door de vrienden gedaan was.

Toch is Job hier fout in sommige van zijn uitingen. Als hij zegt, dat God hem zijn recht onthoudt en dat Hij de ziel van Job met bitterheid vervuld heeft, dan is dat onjuist. Welk recht meende hij dan te hebben? Meende hij, dat het recht was, dat God hem in alles zegende, omdat hij onberispelijk in de wegen van de Heere gewandeld had? Dat het onrechtvaardig van God was hem, de getrouwe, in zulke beproevingen te storten? En is de bitterheid in de ziel van Job bewerkt door God? Of was Job zelf hiervan de schuldige!

En dan dat vasthouden aan zijn gerechtigheid, aan zijn onschuld. Het is waar, dat hij dit deed tegenover de vrienden, die hem vals beschuldigd hadden. Maar als Job ootmoedig geweest was, had hij deze dingen overgegeven in de handen van Hem Die rechtvaardig oordeelt. Dan zou hij ook in ootmoed erkent hebben, dat het de genade en kracht van God geweest waren, die hem in staat gesteld hadden om als een onberispelijke te wandelen. Maar zover is Job nog niet. Wel is hij in de leerschool van God. En dit was maar goed, want anders zou hij later gezegd kunnen hebben dat hij door zijn volharding, ook in de beproevingen, overwonnen had. Dan zou Job in eigen ogen geweest zijn.

HOOFDSTUK 28

In dit hoofdstuk spreekt Job over de wijsheid. De mens is een volhardend zoeker naar goud, zilver, ijzer, koper en andere materialen of waardevolle dingen. De aardlagen worden onderzocht tot ver in de diepte. En tot daar waar de roofvogels niet kunnen komen, komt de mens. Diep in de bergen houwt hij gangen uit, rivieren worden afgedamd om de bedding te onderzoeken, moeite noch kosten worden gespaard. Maar waar vindt de mens wijsheid, ware levenswijsheid en waar verstand? De mens weet de waarde van deze wijsheid niet, en zij wordt hier op aarde, in het land van de levenden, niet gevonden. De afgrond en de zee bevatten de wijsheid ook niet en al gaf men alle schatten van de aarde, het zou tevergeefs zijn om die wijsheid te verkrijgen. Zij is niet te koop voor goud, zilver, diamanten en ander kostbaar gesteente. Het verderf en de dood, die heenwijzen naar een andere wereld, hebben slechts een gerucht van deze wijsheid gehoord. Maar zij woont bij God, Hij kent haar weg en weet haar plaats. Hij stelde haar op haar plaats en doorgrondde haar. Maar aan de mens gaf Hij slechts te kennen wat deze wijsheid voor de mens inhoudt, namelijk “de vreze des Heeren is wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand”.

Wat komt Job hier tot een prachtige slotgedachte als hij over de wijsheid spreekt. Later heeft hij het ook praktisch begrepen, dat met “de vreze des Heeren” en een afwijken van het kwade, alle vragen die hem zo in beroering hadden gebracht, werden opgelost. Deze vreze is de grondslag van de verhouding van een mens tot God.

Bij deze wijsheid en haar wegen willen wij nog even blijven stilstaan. Wat is het een zegen voor iemand die werkelijk oprecht de weg met God wil gaan om te weten dat er een pad van de wijsheid is, waarop hij naar de wil van God z’n levensweg kan gaan.

Maar hoe is dat pad te vinden? Wanneer, om met Job te spreken, het uiterst scherpe en ver ziende oog van een roofvogel het niet heeft kunnen ontdekken. Als de jonge leeuw, zo krachtig en verheven in zijn bewegingen en houding, dat pad nooit heeft betreden. Als de mens van nature totaal geen begrip heeft van deze wijsheid en zij niet gevonden wordt in het land van de levenden. Wanneer de afgrond zegt, dat de wijsheid in haar niet is en de zee dat deze niet bij haar is, als die wijsheid niet voor goud, zilver of iets anders is te verkrijgen en alle gezamenlijke bekwaamheid van alle mensen mij die wijsheid niet kan verklaren, hoe zal ik dan ooit die wijsheid en haar wegen kunnen vinden?

Waarheen zal ik mij dan moeten wenden? Moet ik heil verwachten van de leerstellingen, die de godsdienstige mening en gevoelens van miljoenen belijders geregeld hebben? Is die wijsheid te vinden bij de meerderheid, bij de massa? Nee, ook al deze leerstellingen vallen onder de uitspraak, dat de wijsheid niet in het land van de levenden wordt gevonden.

Maar Eén is er, Die de wijsheid kent, haar plaats weet en haar doorzoekt: God! Hij, Die de kracht van de wind vaststelde en de zee haar grens, Die de regen een gezette orde maakte en de bliksemstralen hun weg, Hij bepaalde ook de plaats van de wijsheid. En aangezien een mens die wijsheid nooit zo kan doorgronden zoals God dit kan, gaf Hij voor de mens, één regel, één karaktertrek van die wijsheid, die echter alles omvat, namelijk dat de vreze des Heeren (dat wil zeggen: in alles rekening houden met Hem) de wijsheid is en van het kwade te wijken het verstand.

De vreze des Heeren! Het menselijke verstand en de eigenwaan zullen de mens nooit in de tegenwoordigheid van God brengen. Hoe meer men onderzoekt, hoe groter de verwarring en de onderlinge tegenstrijdigheden worden. Maar de vreze des Heeren brengt hart en geweten dicht bij God, de enige goede en heil aanbrengende plaats.

Het streven van de duivel is er op gericht om hart en geweten van God verwijderd te houden. Om het te brengen onder de macht en het gezag van elkaar tegensprekende ‘wijze’ mensen, onder het juk van menselijke geboden en verboden.

Toen de Israëlieten uit Egypte verlost waren en de Rode Zee waren doorgegaan, hadden zij vóór zich de grote en vreselijke woestijn, waarin geen weg, zelfs geen voetspoor was. Hoe zouden zij daarin de weg weten om in het beloofde land te komen? Mozes, die de woestijn overigens heel goed kende, was zó doordrongen van de onmogelijkheid daarvan dat hij zijn schoonvader Hobab vroeg, om als gids bij Israël te blijven. Maar dat was niet naar de bedoeling van de Heeren! Hij liet de leiding van Zijn volk niet over aan een mens. Hij Zelf zou het volk in de woestijn de weg wijzen, ja, hen voorgaan! En Hij deed dit door de wolk- en de vuurkolom boven de tabernakel. Ging deze van boven de tabernakel weg, dan moest Israël volgen; bleef de kolom stilstaan, dan moest Israël zich legeren. En de ark, symbool van Gods tegenwoordigheid, reisde drie dagen voor Israël uit om hen telkens van een goede rustplaats te verzekeren. Zo was Jehova Zelf de Gids voor Zijn volk (Numeri 10 vers 33). En was Hij niet beter en betrouwbaarder dan duizend mannen als een Hobab? Omdat Gods genade het volk uit Egypte verlost had, zou Hij hen ook dwars door de naakte, huilende wildernis in het beloofde land brengen.

Israël had dus alleen maar te volgen. Een eigen mening, een eigen wil, was uitgesloten. Het volk heeft wel eens die eigen wil gevolgd, maar dat was tot hun schade en schande. En zó is het nu ook nog! Ook nu leidt God de Zijnen. Zou de Vader Zijn kinderen niet leiden? Van de gelovigen wordt verwacht dat zij in de vreze Gods aan die leiding gevolg geven. Dat zij daar meer en meer aan gewennen en daardoor kinderen van de wijsheid zijn. Als er echter eigenwil is, dan zal men al heel gauw hopeloos verdwalen. En dat zal ook gebeuren als er een onderwerping is aan de meningen van anderen, aan instanties en aan menselijke leerstellingen.

De gelovigen hebben nu geen zichtbare wolk- en vuurkolom, maar bezitten veel meer!

Zij hebben, naast de inwoning van de Heilige Geest, het Woord van God, de heilige Schriften, door God ingegeven. Daarin heeft God Zich geopenbaard en vinden wij Zijn gedachten die heel ons leven omvatten en die ons veilig door de woestijn van deze wereld kunnen brengen en ons bewaren. Dat Woord wijst de weg van de ware wijsheid, namelijk met in het hart en geweten aanwezige vreze Gods ons te richten naar en te onderwerpen aan de gedachten van God, zoals weergegeven in de heilige Schriften. Dezelfde God, Die in dat Woord tot ons spreekt over het kostbaarste wat een mens in dit leven kan ontvangen: de eeuwige behoudenis en gelukzaligheid, die God wijst ons ook de weg van de wijsheid, die wij in dit leven hebben te gaan. Waar is de mens, die op die weg van de wijsheid heeft gewandeld en bedrogen of teleurgesteld is uitgekomen? De eerste zal nog moeten komen, maar dat zal nooit gebeuren!

Hetzelfde Goddelijke gezag dat ons verzekert dat wie in de Zoon van God gelooft, eeuwige leven heeft, geeft ook duidelijke aanwijzingen over de te volgen levensweg van de ware vrijheid. Daarom moet alleen het Woord van God dan ook ons enige Richtsnoer zijn en niet bepaalde uitleggingen van mensen. Zeker, God gebruikt mensen om het Woord te verklaren, maar die verklaringen hebben nooit Goddelijk gezag! De gelovigen weten dat de waarheid van God gekomen is en moeten zich daaraan onderwerpen. Op deze onderwerping in de vreze Gods komt het aan! De eigenwillige zegt: ‘Ik doe wat ik zelf wil’. Hij die op mensen afgaat zegt: ‘Ik doe zoals geweldige uitleggers mij hebben geleerd’. Maar hij, die het Woord van God als enige Richtsnoer heeft, zegt: ‘Ik moet gehoorzamen aan God’!

HOOFDSTUK 29

Job gaat door met zijn toespraak en denkt in dit hoofdstuk terug aan de dagen, waarin hij zo gezegend was en een plaats van eer onder de mensen innam. Och, dat hij nog was, zoals in de voorgaande maanden, toen God hem bewaarde en hij in het licht van God de wandelde. Nu nog te wezen als toen, in de bloeitijd van zijn leven, toen hij vertrouwelijk omging met God en de Almachtige nog met hem was en zijn kinderen rondom hem. Nu nog te wezen als toen hij de grootste welvaart genoot. Nu nog te wezen als toen hij zijn stoel op het stadsplein had laten zetten om recht te spreken. Jongens waren zo met ontzag voor hem vervuld dat zij zich verborgen, stokouden rezen, hoewel moeilijk, op en bleven in eerbied en ontzag voor hem staan. Oversten zwegen eerbiedig als Job zich op zijn rechtszetel zette, de vorsten verstomden. Nu nog te wezen als eertijds, toen iemand hem gelukkig prees, nadat deze hem had horen spreken. Of dat iemand een goed getuigenis van Job gaf, alleen nadat deze hem gezien had. Er was zeker een aanleiding voor dit alles, want Job redde de hulpeloze die geen pleiter had. Hij redde hen die omkwamen en die hem daarom hun zegenwensen gaven. Het hart van de weduwe, waarvoor hij de rechtszaak behandelde, deed hij vrolijk zingen, als zij de uitspraak hoorde. Job zegt nu nog met voldoening dat hij zich met zijn gerechtigheid bekleedde. Hij was de blinde tot ogen en de kreupele tot voeten, een vader voor de armen en het geschil, dat hij niet wist, onderzocht hij. Hij redde de arme die als een roof tussen de tanden van zijn overweldiger was geraakt. O, nu nog te wezen als toen hij dacht dat hij in goede ouderdom, te midden van zijn voorspoed, de geest zou geven. Alles was hem toen gunstig. Allen luisterden naar hem, zij zouden het niet wagen om hem tegen te spreken. Na hem sprak er niemand meer. Ieders verwachting was op hem gevestigd. Als hij hen toelachte, waren zij vereerd; als hij hen bezocht, zat hij op de voornaamste plaats, als een koning die de treurigen troostte.

Het is geen wonder dat deze Job, zoals hij zelf zich hier laat kennen, zo hardnekkig tegenover zijn vrienden vasthield aan zijn gerechtigheid. Met welk een sterk verlangen wenste hij de tijd terug, toen hij de zegeningen van God genoot en het middelpunt was van de eerbewijzen van mensen. Wat komt hierin een diep zelfbehagen bij hem openbaar. Het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen. Niet het geringste blijk van ootmoed is bij hem aanwezig; geen gedachte van: ‘alleen God de eer’. De ellende heeft hem nog niet gebracht tot een verslagen hart en een verbroken geest. Hij treurt wel, maar alleen omdat hij van de hoogte moest afdalen. Er is geen enkel wantrouwen in zichzelf, hij is nòg steeds de grote man die geen zwakheid kent. Als hij nu in de ellende is, komt dit alleen omdat God zijn Vijand is geworden, iets waartoe hij toch geen aanleiding heeft gegeven.

Meer dan veertig maal spreekt hij over ‘ik’ en ‘mij’ en slechts vijf keer over ‘God’. We hebben al eerder opgemerkt, dat het vele ‘ik’ doet denken aan Romeinen 7, waar het ‘ik’ ook de hoofdrol speelt. Maar er is een belangrijk verschil. De ‘ik’ in Romeinen 7 is een ellendig, zwak en onwaardig schepsel in eigen oog als hij tegenover de heilige wet van God staat. Maar in Job 29 is de ‘ik’ een heel belangrijk persoon, met grote invloed op anderen, een middelpunt van mensen en eerbied. De ‘ik’ van Romeinen 7 kan gemakkelijker terecht gebracht worden dan de ‘ik’ van Job 29.

In zijn vroegere woorden tot de drie vrienden, heeft Job steeds zichzelf gerechtvaardigd. Dat hij opkwam tegen de valse beschuldigingen van de vrienden, alsof hij zware zonden begaan had, is te begrijpen. Hoewel hij meer bereikt zou hebben, wanneer hij dit in ootmoed had gedaan. Maar in dit hoofdstuk komt het hoogtepunt van het welbehagen in zichzelf en zijn eigenwaan in het licht. En dat is een andere zaak. Zijn toestand, zijn gezindheid, wordt hier openbaar.

Het komt meer in de Schrift voor, dat, als mensen zich in hun hoogmoed ten hoogste verheven hadden, dan ook hun val nabij was. Toen koning Nebukadnezar zei: “Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb?” (Daniël 4 vers 30), kwam hij op hetzelfde moment ten val. Bij Job kunnen wij hetzelfde opmerken, maar met dit verschil, dat, dankzij de genade van God, niet zijn val, maar zijn herstel nabij was! Een herstel, dat hem er toe zou brengen zichzelf geheel en al te verfoeien.

De woorden van de drie vrienden hebben gewerkt als de ijzeren tanden van een landbouwwerktuig, dat over de akker getrokken wordt om verborgen onkruid te voorschijn te brengen. Vooral in dit hoofdstuk komt dat openbaar. Het hart van Job was als een zee die door een storm in heftige beroering gebracht was en waarbij allerlei nog verborgen dingen op het strand geworpen werden. In zijn verbittering houdt Job zich alleen maar bezig met hoe het vóór die tijd was. Dat God hem door deze beproevingen op een hoger, een beter niveau wil brengen, daarvan heeft hij nog geen flauw besef.

HOOFDSTUK 30

In dit hoofdstuk gaat Job verder met zijn laatste lange toespraak en beschrijft hij zijn huidige ellende. Zij, die hem voorheen zo vereerden, lachen hem nu uit, hoewel zij jonger zijn dan hij. De vaders van deze bespotters vond hij vroeger te min, om bij hem te werken. Wat zou hij aan hen hebben gehad, die niet meer krachtig waren voor de arbeid, stumpers, die door de honger eenzaam en uitgeput waren, die hun voedsel zochten aan de armetierige woestijnstruiken. Zulke mensen waren uit de samenleving verjaagd en men jouwde over hen, als over dieven. Zij woonden nu in de kloven van de dalen, in rotskloven. Zij waren kinderen van de dwazen, hadden geen naam en werden verdreven.

Job was tot het snarenspel van de zonen van deze mensen, die even onwaardig als hun vaders waren, geworden. Zij spraken minachtend over hem en verafschuwden hem. Zij hielden zich op een afstand van hem en spuwden hem in zijn gezicht. Maar eigenlijk was het God die hem, de eens zo machtige, vernederde. Op alle manieren bevorderden deze bespotters zijn ondergang. Men is met verschrikkingen tegen hem gekeerd; iedereen vervolgt als een wind zijn edele ziel en zijn heil is als een wolk voorbijgegaan. Dagen van ellende en pijn zijn nu zijn deel, zijn lichaam is helemaal ontredderd. God heeft hem in het slijk geworpen, hij is als stof en as. Op zijn hulpgeroep antwoordt God niet. Hij staat daar in zijn ellende, maar God let niet op hem. Hij is voor Job veranderd in een wrede en Hij weerstaat hem door de sterkte van Zijn hand. Job weet het wel: God voert hem naar de dood, “tot het huis der samenkomst aller levenden”. Job had het voorheen anders en beter gedaan. Weende hij niet over hem, die het moeilijk had? Was hij niet bekommerd over de nooddruftige? Maar in plaats van het goede dat hij verwachtte, was het kwade gekomen. In plaats van het licht de donkerheid. Het kookte in zijn binnenste en hij komt niet tot rust in deze dagen van verdrukking. Treurend gaan zijn dagen voorbij, hij roept om hulp, maar er is niemand die hem bijstaat. Hij is als een broeder van de draken en een metgezel van de jonge struisen. Zijn huid is zwart geworden en zijn gebeente ontstoken van dorheid. Zijn muziekspel van vroeger is geworden tot een rouwklacht en tot bitter geschrei.

Als wij deze aangrijpende klacht van Job lezen, komen we onwillekeurig tot de verzuchting: ‘Waartoe komt een gelovige, die geen besef meer heeft van de liefde en goedheid van God en die zijn beproevingen, die toch het goede bedoelen, niet met God ondergaat? Wat heeft zo’n gelovige toch veel woorden. Er komt geen einde aan zijn redeneringen.’

Job heeft voor deze slotrede, na alles wat hij eerder al gesproken heeft, nog vijf hoofdstukken met in totaal honderd zevenenveertig verzen nodig.

De minachting voor zijn bespotters, waarvan Job in de verzen 1 tot en met 8 blijk geeft, is hem onwaardig. Dit vloeit voort uit zijn verbittering, niet alleen ten opzichte van God maar ook vanwege de mensen. Er is tot nog toe niemand geweest, die in de ogen van Job goed heeft gestaan tegenover hem en zijn beproeving.

Wat deze bespotters Job aandeden, was zeker streng te veroordelen. Maar hoe kwamen zij daartoe? Had Job door zijn optreden in vroegere dagen hiertoe aanleiding gegeven en hen of hun vaders met minachting behandeld? Wat in de verzen 1 tot en met 8 wordt gezegd geeft wel te denken. Het is ook nog iets anders om zich in het openbaar over een hulpeloze of arme te ontfermen, om daardoor zelf populair te worden, dan dit in het verborgene te doen.

En tot welke ongerijmdheden een gelovige kan komen, blijkt uit de beweringen van Job, dat God hardvochtig is en dat Hij alleen omdat Hij sterker is Job kan bestrijden. Ja, hij meent zelfs dat het de bedoeling van God is hem te doden, hem te verzamelen in de plaats waarheen al wat leeft gaat. Hij, Job, had het voorheen anders en beter gedaan, hij had zich uitgestrekt tot de hulpeloze, hij had geweend met de beproefden, was bekommerd geweest over de armen.

Het is merkwaardig, dat Job na deze zelfprijzing, direct zegt, dat hij het goede verwachtte, maar dat het kwade kwam. Verwachtte hij dan het goede, omdat hij zich zo over de ellendigen had ontfermd? O, wij weten wel, dat de oudtestamentische gelovigen over deze dingen anders dachten, dan nu in het Nieuwe Testament aan de gelovigen wordt voorgehouden. Maar toch, als Job ootmoedig was geweest, had hij veel dingen niet of anders gezegd en had hij zich nergens op laten voorstaan. Ook wat hij in dit hoofdstuk heeft gezegd, behoorde tot de woorden, die hij later, toen hij tot zelfkennis gekomen was, voor God heeft herroepen.

HOOFDSTUK 31

Job heeft dit langste hoofdstuk van het Boek nodig om zijn eigen onschuld te betuigen.

– Indien hij ooit met verkeerde bedoelingen gekeken zou hebben naar een maagd, dan zegt Job hierop, dat hij een verbond met zijn ogen gemaakt had, dit niet te doen, omdat hij beseft, dat God het verderf van de verkeerden heeft bepaald en dat God al de wegen van hem nauwkeurig gadeslaat.

– Indien hij ooit met ijdelheid is omgegaan, of bedrog heeft gepleegd, dan zal God, als Hij Job op een echte weegschaal weegt, zijn onschuld weten.

– Indien Job van de goede weg is afgeweken, als zijn hart zijn ogen is nagevolgd en er een smet aan zijn handen kleeft, dan moge hij zaaien, maar een ander de vrucht opeten; dan mag, wat voor hem gegroeid is, ontworteld worden.

– Indien hij zich heeft laten verlokken door een vrouw, of hij heeft staan loeren aan de deur bij zijn naaste, dan moge zijn vrouw voor een ander malen (koren malen voor de broodbereiding) en een ander haar bezitten. Deze zonde zou door de rechter bestraft worden.

– Indien hij zijn knecht of dienstmaagd onrecht heeft aangedaan, dan zou hij beducht zijn, dat God Zich met deze zaak zou inlaten. En wat zou hij Hem dan moeten antwoorden? God heeft immers zowel Job als de knecht of dienstmaagd gemaakt.

– Indien Job de arme zijn begeerte onthouden had, de ogen van de weduwe had laten versmachten, van zijn voedsel had gegeten, zonder dat een wees mocht mee-eten, dan was de bewering van de eerste twee gevallen niet waar en wat de wees betrof, deze groeide bij hem op als bij een vader.

– Indien hij iemand had zien omkomen omdat die zonder kleding was en dat de nooddruftige geen bedekking had, dan wees hij er op, dat hij gezegend was voor de geboden hulp en dat diegene dankbaar geweest was en verwarmd werd door de vellen van zijn lammeren.

– Indien Job ooit een onrechtvaardig vonnis had geveld over een hulpeloze wees, omdat hij verzekerd was van de instemming van zijn mederechters, dan moge zijn schouder uit het gewricht vallen en zijn arm breken. Want hij was beducht geweest voor de vergelding van God en tegen de hoogheid van God vermocht hij niets.

– Indien hij op goud of vermogen zijn vertrouwen had gesteld,

– indien hij tot afgoderij met het licht (de zon) of maan was gekomen, dan zou dit ook een ongerechtigheid geweest zijn, waarvoor hij moest boeten; hij zou dan God verloochend hebben.

– Indien hij zich verblijd zou hebben in de verdrukking van zijn hater en hij opgewekt zou zijn, toen het kwaad die persoon trof, dan wees Job er op, dat hij niet had toegelaten, dat zijn mond in dezen zondigde.

– Indien men van hem zou zeggen, dat hij gierig was, dan zegt Job, dat zijn tentgenoten er van getuigen verzadigd te zijn geworden door zijn vlees en dat hij altijd gastvrij geweest was.

– Indien Job, evenals Adam, zijn overtreding had bedekt en door eigenliefde zijn misdaad zou hebben verborgen, dan zegt hij, dat als het dan waar zou zijn, dat hij een misdaad of overtreding begaan had, waarover God Zijn vergelding zou laten komen en hij, evenals Adam, die zijn schuld op Eva afwentelde en zijn misdaad geheim gehouden zou hebben, dat God dan maar tussenbeide moest komen en spreken.

– Indien Job de opbrengst van een akker genoten had, zonder die akker te hebben betaald, zodat hij eigenlijk geroofd had en de eigenaars van de akker had bedroefd, dan moge op die akker distels en stinkkruid groeien, in plaats van tarwe en gerst.

Zó rechtvaardigde Job zich. Als hij zei, dat hij niet met verkeerde bedoelingen naar een maagd had gezien, gaf hij als reden voor dat niet-zien, dat hij bang geweest was voor de gevolgen. God heeft immers de ondergang van de verkeerden bepaald. En hij weet, dat God hem nauwkeurig gadeslaat. Hoe veel hoger en beter was het motief van Jozef, die bij een dergelijke verzoeking zei: “Hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!” (Genesis 39 vers 9).

Als wij uitspraken van Job lezen, zoals: “Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af”, dan worden wij herinnerd aan het woord van de Heere Jezus: “Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit de boze” (Mattheüs 5 vers 37).

Dat Job zich rechtvaardigde tegenover mensen, die hem van zonden beschuldigd hadden, was terecht, hoewel hij dat meer in ootmoed had moeten doen. Maar dat hij zich tegenover God rechtvaardigde, was ten onrechte. Hoever zijn eigenwaan ging, wordt wel duidelijk uit zijn woord, dat hij als een vorst tot God zal naderen (vers 37). Hij sommeerde eigenlijk de Almachtige hem te antwoorden. Nu, dat zou ook gebeuren (hoofdstuk 38 vers 1), maar anders dan Job verwachtte. Niet lang daarna zou deze zo zelfbewuste man niet meer spreken, maar in verootmoediging en zelfverfoeiing voor God neervallen.

Met hoofdstuk 31 is er een einde gekomen aan de onvruchtbare gedachtewisseling tussen Job en zijn drie vrienden. Er is niets bereikt, zowel Job als de vrienden hebben hun mening vastgehouden. Alleen de verwijdering is groter geworden. Job deed alles om zichzelf te rechtvaardigen en de vrienden deden alles om hem te beschuldigen. Als er aan beide zijden ootmoed geweest was, dan zou de uitkomst heel anders zijn geweest. Had Job zijn ware toestand als afstammeling van een gevallen Adam voor ogen gehad, zijn nietigheid en onwaardigheid erkend en voor God veroordeeld, dan zouden de vrienden of heel anders gesproken òf juist gezwegen hebben. Maar omdat Job in eigen oog zo hoog stond, werden de vrienden geprikkeld tot tegenspraak. En anderzijds: als de vrienden in een gezindheid van medeleven en ontferming, in tactvolle zachtheid tot de wanhopige Job gesproken hadden, dan zouden zij wellicht het hart van Job hebben bereikt. Het is nog altijd waar, dat als men iemands geweten wil bereiken, men moet beginnen met zijn hart te winnen. Zo handelde de Heere Jezus in volmaaktheid tegenover de Samaritaanse vrouw (Johannes 4).

Aan het einde van al het gepraat van Job en de vrienden stond de zaak er hopelozer voor dan in het begin. Job kon niets verkeerds in zichzelf ontdekken en zij in hem niets goeds. Het begon al toen Job zijn geboortedag vervloekte.

Dat was natuurlijk helemaal verkeerd. Maar in plaats van te bedenken dat hier een wanhopige, een door lijden overmeesterde Job aan het woord was, vonden de vrienden in deze wanhoopskreet aanleiding om veroordelend en beschuldigend tegen hem te spreken. Daardoor werd Job weer geprikkeld en antwoordde hen op heftige toon.

Feiten, die het geweten van Job zouden hebben kunnen overtuigen, konden de vrienden niet aanvoeren. Zij zochten naar bewijzen voor hun verdenking en meenden die te vinden in de reactie van deze wanhopige, die vaak verkeerd en opstandig was. En toen Elifaz tenslotte enkele dingen noemde, waaraan Job zich schuldig gemaakt zou hebben (hoofdstuk 22 vers 4 tot en met 9), wist Job maar al te goed, dat dit niet waar was.

Er is niets zo grievend voor een gelovige, dan alleen op grond van een vermoeden te worden aangeklaagd. De vrienden hebben, vanuit hun standpunt bekeken, niet gewacht dat God de waarheid aan het licht zou brengen. Er was veel op Job aan te merken, maar de zonden waarop zij zinspeelden, had hij niet bedreven.

Laten wij oppassen voor de principiële fout, dat er tucht zou moeten worden uitgeoefend, persoonlijk of gemeentelijk, zolang de feiten niet onomstotelijk vaststaan. Een vergadering van de Heere moet zich zeer zeker reinigen van het kwaad dat in het midden aanwezig is, door die boze weg te doen (1 Korinthe 5 vers 13). Maar als het nog niet vast staat dat het kwaad werkelijk bedreven is, als er alleen maar vermoedens zijn, dan zal die vergadering niet als verontreinigd gerekend mogen worden, wanneer zij de tucht nog niet toepast, omdat het kwade nog niet met stelligheid kan worden aangetoond. Zij is nog bezig de zaak te behandelen, om onder gebed tot God de waarheid aan het licht te brengen. Hoeveel ellende is er al ontstaan, omdat men dit niet inzag of niet wilde inzien.

Job kon maar niet begrijpen dat God hem zo zwaar liet lijden, omdat hij immers als een rechtvaardige gewandeld had. Het denken van Job, evenals dat van de vrienden, werd beheerst door de theorie: ‘geen leed zonder schuld’. Vandaar dat de ziel van Job heen en weer geslingerd werd. Er is bij hem vertwijfeling en hoop, opstand en vertrouwen. Hij komt er toe God als zijn Vijand te beschouwen. Als Iemand Die hardvochtig en meedogenloos is en Die hem, alleen omdat Hij sterker is dan Job, bestrijden kan. Anderzijds geeft hij soms blijk van een groot geloofsvertrouwen, weet hij dat zijn Verlosser leeft en dat hij zal opstaan en dan in een verheerlijkt lichaam God zal aanschouwen. Maar kort daarop verzinkt hij weer in twijfel aan de rechtvaardigheid van God.

Het is merkwaardig, dat God aan het einde van Jobs beproeving alleen van de vrienden zegt, dat zij niet recht van Hem gesproken hebben. Aan de woorden van Job, die toch ook vaak niet recht waren geweest, ging de Heere voorbij. Ja, er wordt zelfs gezegd, dat Job goed gesproken had (hoofdstuk 42 vers 7 en 8).

Naarmate de gedachtewisseling tussen Job en zijn vrienden verder ging, werd de conclusie van de vrienden volgens hen meer en meer bevestigd door de vaak verkeerde uitingen van Job. En Job verweerde zich heftig tegen hun verdenkingen. Juist die heftigheid deed hem het vertrouwen van de vrienden nog meer verliezen. Later werd Job kalmer en waardiger, maar de innerlijke verwijdering werd groter. Dan zegt Job tegen hen dat zij niet het minste begrip hebben van de toestand, waarin hij verkeerde, dat zij geen goed inzicht hebben in de wegen van God. Ironisch prijst hij Bildad voor zijn goede hulp aan een onmachtige, voor zijn goede raad aan een onwijze. Hij prijst hem voor zijn inzicht, maar vraagt vervolgens met wiens hulp Bildad zo heeft gesproken en wiens geest van hem was uitgegaan. Dat Job zelf ook geen inzicht had in zijn toestand, blijkt echter maar al te vaak.

De grote fout, die hier aan beide zijden gemaakt werd, was de mening, dat uit de aardse omstandigheden van een gelovige het welbehagen of het oordeel van God kon worden afgeleid. Toen er dus een ontzettend lijden over Job kwam, waren de vrienden direct klaar met hun conclusie. En Job, die beter wist, kwam er door in de grootste onzekerheid. Hij lost dit probleem dan op, door te stellen dat God zonder oorzaak zijn Vijand is geworden, waartegen hij, omdat God de sterkste is, niets kan beginnen. Vandaar zijn verbittering.

Als God enerzijds in de hemel tegenover satan tot tweemaal toe een prachtig getuigenis geeft over de godvruchtige wandel van Job en anderzijds tegelijkertijd een verschrikkelijk lijden over hem toelaat, dan is dat schijnbaar een grote tegenstrijdigheid, die de hele theorie van: ‘geen schuld, geen lijden’ omver werpt. (Job noch zijn vrienden wisten echter iets af van dat getuigenis in de hemel.) Maar het is merkwaardig dat als de satan, door het vasthouden van Job aan God, tweemaal is verslagen, de beproevingen van Job niet ophouden, maar maanden lang voortduren. Dat gebeurde, opdat God Zijn doel met Job zou bereiken en niet om hem te straffen, want Hij Zelf had verzekerd, dat er op Job niets viel aan te merken. Het ging er echter om hem zijn toestand van eigengerechtigheid en eigenwaan voor ogen te stellen.

Job begreep niets van deze oorzaak van zijn voortdurend lijden. Dat er een lijden kon wezen, omdat God hem tot inzicht wilde brengen van wat hij in zichzelf was en niet om wat hij gedaan had, dat begreep Job niet.

Wij, die nu het licht van het Nieuwe Testament hebben, weten dat er nog meer oorzaken kunnen zijn van het lijden, dat soms over goed wandelende gelovigen komt. Een lijden om de Naam van de Heere, om het getuigenis; denk maar aan de apostelen, aan Stéfanus en zoveel andere martelaren. Er kan ook een lijden zijn om voor zelfverheffing te bewaren; denk aan Paulus’ doorn. Er kan een lijden zijn waardoor God verheerlijkt wordt; denk aan de ziekte en dood van Lazarus. Een lijden, dat God over de gelovigen zendt of toelaat, opdat zij Zijn heiligheid meer deelachtig zouden worden.

Hoewel het waar is, dat de Heere Jezus met niemand, wie dan ook, vergeleken kan en mag worden, toch is het zo, dat Zijn weg hier op aarde vol van lijden was, omdat Hij de Rechtvaardige was. Zó was de weg van de Vader met de geliefde Zoon. Daar kwam het lijden vanwege de zonden nog bij, maar dat staat niet in verband met ons onderwerp. Als dan de Zoon, de volmaakt Gehoorzame, tijdens Zijn verblijf hier op aarde zo moest lijden, hoeveel te meer is het dan nodig dat zwakke gelovigen, in wie de zonde nog woont, zo nodig door lijden bewaard blijven,

Dit alles was aan Job en de vrienden nog onbekend. De laatsten hadden niet alleen een verkeerde gezindheid, maar ook een verkeerd inzicht. En hoe moeilijk kan het soms ook nu nog zijn, ondanks dat er zoveel meer licht over het lijden is opgegaan. Het is vaak moeilijk om een bepaald geval juist te beoordelen, als wij daartoe geroepen worden. De onkunde speelt daarbij nog het meest een rol. Daarom hebben we te waken voor een eenzijdige voorstelling van de oorzaak voor het lijden. We hebben er voor op te passen, dat de vaststelling van de oorzaak aannemelijk gemaakt wordt door op zichzelf staande waarheden, die zo zonder meer toegepast worden. Want hoeveel misverstand kan er dan ontstaan, met alle gevolgen vandien.

Als wij de regel: ‘geen lijden zonder schuld’, in het voorgaande voor een algemene toepassing terzijde hebben gesteld, dan wil dit niet zeggen, dat deze regel nooit toegepast kan worden. Als de zonde niet in de wereld gekomen was, dan zou er ook geen lijden zijn. Deze aarde is door de zonde een toneel van lijden, moeite en dood geworden. En het is een feit, dat iemand, die in de zonde leeft, niet alleen voor die zonde wordt gestraft, soms al in dit leven en uiteindelijk na dit leven, maar ook door de zonde vergelding ontvangt. Een dronkaard en een zedelijk onreine ondergaan bijvoorbeeld de gevolgen van hun zonde in hun lichaam. Soms is het heel duidelijk, dat de straffende hand van God heeft toegeslagen. De plotselinge dood van Ananias en Saffira was een directe straf op de zonde die zij gedaan hadden. Het is niet alleen voor het toekomende, maar soms ook al voor dit leven waar, dat men maait wat men gezaaid heeft.

Een verkeerd toegepaste waarheid is geen waarheid. Op zich wel natuurlijk, maar niet in de toepassing! De duivel heeft zijn instrumenten om een bijbelse waarheid onjuist toe te passen. Zelf deed hij dit tijdens de verzoeking van de Heere Jezus in de woestijn, toen ook hij met zijn: “er is geschreven” kwam (Mattheüs 4 vers 6). De duivel is behalve “de aanklager onzer broederen… voor onze God” (Openbaring 12 vers 10) ook de bedrieger, de leugenaar van de beginne, de vader van de leugen (Johannes 8 vers 44).

Maar wij zijn niet te verontschuldigen, als wij door de duivel bedrogen worden. Als zelfs de vrienden van Job, ondanks het weinige licht dat zij hadden, niet onschuldig bleven en Job voor hen moest bidden, hoeveel te minder dan wij, die de hele Schrift hebben, waarin ons zoveel licht gegeven is, ook door het Boek Job. Hoe voorzichtig hebben wij dan te zijn met de toepassing van waarheden uit het Woord van God op hen die beproefd worden. Beter geen toepassing, dan een verkeerde!

HOOFDSTUK 32

Nu verschijnt er een nieuwe figuur op het toneel: “Elihu, de zoon van Barácheël, de Buziet, van het geslacht van Ram”. De drie vrienden gaven het op met Job te spreken, omdat hij in eigen ogen zo rechtvaardig was. De toorn van Elihu ontbrandde tegen Job, omdat hij zich rechtvaardig voor God hield. Maar ook tegen de vrienden, omdat zij in gebreke gebleven waren Job het goede antwoord te geven en hem toch schuldig hadden verklaard. Omdat Elihu jonger was dan de vrienden, had hij gewacht Job aan te spreken, maar toen hij zag dat zij door Job verslagen waren, ontstak zijn toorn en nam hij het woord. Hij begint met een verontschuldiging omdat hij jong is. Hij had gedacht: ‘laat eerst de ouderdom spreken’, maar het was wel gebleken, dat bij de ouderdom de wijsheid en het inzicht niet waren. Waar het op aan kwam, was dat de geest, de inblazing van de Almachtige, verstandig maakt. Elihu vraagt nu om naar hem te luisteren. Hij heeft geluisterd naar de woorden en aanmerkingen van de vrienden van Job en heeft gewacht totdat zij het probleem van het lijden juist zouden hebben opgelost. Maar niemand had Job kunnen overreden. De vrienden konden zich echter niet op hun onmacht beroepen en zeggen, dat alleen God Job kon overtuigen. Tegen Elihu had Job nog geen woord gesproken. Elihu was ook niet van plan om Job op dezelfde wijze als de vrienden te antwoorden. De vrienden waren uitgeschakeld, nu is het de beurt aan Elihu. Hij is vol van argumenten en kan niet anders dan zich uiten. Als hij niet zou spreken dan zou hij zijn als wijn, die niet kan stromen en als nieuwe zakken zou hij bersten. Hij zal spreken en daarbij niemand naar de ogen zien, want hij kan niemand vleien. Deed hij dit toch, dan zou zijn Maker hem al snel wegnemen.

Over de persoon van deze Elihu (zijn naam betekent: ‘Mijn God is Hij’), zijn heel wat veronderstellingen gemaakt. Er is aan zijn historiciteit getwijfeld. Men heeft in hem een bovennatuurlijk wezen willen zien, evenals in Melchizédek. Nu is het waar, dat Melchizédek plotseling in de geschiedenis van de Schrift verschijnt en even plotseling verdwijnt. En de vermelding in het Nieuwe Testament, dat hij zonder vader en moeder was, zonder geslachtsrekening en dat hij geen begin van dagen, noch einde van leven had (Hebreeën 7 vers 3), heeft er aan meegewerkt, dat men hem als een bovennatuurlijk wezen heeft beschouwd. Maar al deze vermeldingen betreffen niet de persoon Melchizédek, maar zijn priesterschap. Zoals de Zoon van God Koning en Priester is – terwijl er toch uit het geslacht van Juda, waaruit de Heere als Mens afstamde, geen priesters waren voortgekomen – en er aan het priesterschap van de Heere Jezus geen einde is, zó was het ook met Melchizédek. Als priester had hij geen vader en moeder, geen geslachtsrekening. Vóór hem was er geen sprake van priesters uit zijn geslacht en niemand uit zijn geslacht volgde hem op. In zijn priesterschap is hij een type van Christus. Als mens had hij natuurlijk een vader en moeder, is hij normaal geboren en gestorven.

En wat Elihu betreft, zo is er nog veel minder aanleiding om iets anders in hem te zien, dan een gewoon mens, een vriend van Job of van de drie vrienden. Uit vers 11 blijkt, dat hij vóór zijn spreken al lang als toehoorder aanwezig was. Hij had immers met aandacht het hele ‘debat’ tussen Job en de vrienden gevolgd en geluisterd naar hun aanmerkingen. Dat er niet eerder over hem gesproken wordt is heel goed te verklaren, want hij had immers zelf nog geen woord gezegd.

Toch geeft het moment, waarop hij aan de oplossing van het grote lijdensprobleem gaat deelnemen, en vooral wat hij zegt, wel een aanwijzing om in hem een voorbeeld van Christus te zien. Hij was één van de gelovigen van de oudtestamentische bedeling, in wie de Geest van Christus werkte (vergelijk 1 Petrus 1 vers 11). Dit blijkt uit de wijze waarop hij de waarheid voorstelde, waardoor hij hart en geweten bereikte.

Zelfs gelovige uitleggers van de heilige Schrift hebben Elihu echter voorgesteld als een verwaande, hoogmoedige man, die met zijn theologische kennis pronkte en met welbehagen naar zichzelf luisterde, maar die niet waardig was enig antwoord te ontvangen, hetzij van God, hetzij van Job of de vrienden. Maar zo’n zienswijze miskent het karakter van de heilige Schrift. Dan zou God zes overbodige hoofdstukken in het zo leerzame Boek Job hebben toegelaten. Zeker, er wordt ook aan de verkeerde woorden van de vrienden een grote plaats ingeruimd, maar uit het vervolg blijkt dan waartoe dit dient. Want door Job, maar vooral door Elihu werd aangetoond, waarin de vrienden gedwaald hadden. Uit niets blijkt dan ook dat de toespraak van Elihu uit een verkeerde geest is voortgekomen. Mocht dit wel het geval geweest zijn, dan zou de Heilige Geest daar stellig op gewezen hebben. Alleen ten opzichte van de drie vrienden zegt God later, dat zij niet recht van Hem gesproken hebben. Niet van Elihu!

Als wij gezegd hebben, dat in Elihu een voorbeeld van Christus gezien kan worden, dan is het nodig toch op een belangrijk verschil te wijzen. Hoewel de Heere Jezus op aarde een nederige plaats innam, was Zijn woord toch steeds gezaghebbend. Steeds sprak Hij recht op de man af, wie of wat die persoon ook was. “Niet als de Schriftgeleerden” (Mattheüs 7 vers 29), maar als Eén, Die de woorden van God, dus de alleen Ware en Beslissende, zó sprak Hij. Voor Elihu was een heel andere houding passend en die nam hij dan ook werkelijk in. Hij trad wel op als een man Gods, maar is een mens gelijk aan hen, tegen wie hij sprak. Hij legt er de nadruk op, dat hij zich niet hoger stelt dan de vier mannen tot wie hij zich richt (hoofdstuk 33 vers 6).

Hij verklaart, waarom hij niet eerder gesproken heeft, namelijk uit eerbied voor de ouderdom van de anderen. In die tijd werd deze eerbied heel hoog gehouden. Uit wat hij later zei, bleek dat hij, vergeleken met de drie vrienden, dieper in de gedachten van God was ingeleid dan zij en ook dieper dan Job. Maar zolang deze vier bejaarde mannen nog niet helemaal uitgesproken waren, zweeg Elihu. Pas toen zij op het ‘dode punt’ aangekomen waren, kwam hij naar voren en heeft dan nog een vrij lange inleiding nodig om zich voor zijn spreken te verontschuldigen. Dit alles weerlegt de ‘verklaring’ van sommige uitleggers, dat Elihu een verwaande, hoogmoedige man geweest zou zijn, die trots op zijn kennis was. Hij neemt juist een bescheiden plaats in en schroomt te zeggen, wat hij weet; hij kon wachten en luisteren. En dat is de gezindheid, die door de hele Bijbel heen ook aan ons wordt voorgehouden. De bescheidenen, die niets van zichzelf denken, oefenen altijd een grotere invloed uit dan de welbewusten, de zelfverzekerden.

Het is God welgevallig als jongeren eerbied bewijzen aan de ouderdom. In het algemeen mag van de ouden levenswijsheid verwacht worden vanwege hun lange levenservaring, maar Job en zijn vrienden waren hoogbejaard en spraken desondanks veel dwaasheid. Er zijn oude gelovigen die menen alleen door hun ouderdom een bepaalde plaats te kunnen innemen, waarvoor zij echter geestelijk, zedelijk of wat hun weten betreft, de kracht of de kennis niet bezitten. Ouderdom gaat lang niet altijd gepaard met ware wijsheid.

Dat de besprekingen tussen Job en zijn vrienden op een dood punt aangekomen waren, was eigenlijk verschrikkelijk. Want het ging hier niet om het vinden van een oplossing voor een theoretische kwestie, Het was een afschrikwekkend praktijkprobleem van de zwaarbeproefde en wanhopige Job. Vandaar dat de bij dit probleem betrokken personen er helemaal door in beslag genomen worden. Zij worstelen om de oplossing, spreken hun diepste gevoelens en overtuigingen uit en raadplegen hun lange levenservaring. Zij doen alle moeite elkaar te overtuigen. Negenentwintig hoofdstukken zijn daaraan gewijd, maar er werd niets bereikt. Job is niet te overtuigen, niet uit het veld te slaan en de vrienden hielden star aan hun mening vast. Alleen de onderlinge verwijdering is toegenomen. Had Job de vrienden kunnen overtuigen van hun dwaasheid, dan zou hij nog meer versterkt zijn in zijn eigenwaan en zich geroemd hebben. En als de vrienden er in geslaagd waren Job tot zwijgen te brengen, dan zouden ook zij zich hebben verheven. Dit mogen we de goede kant noemen van het niet tot overeenstemming kunnen komen.

Het verwondert ons misschien, dat als mensen in deze zaak al zoveel tevergeefs gesproken hadden, God het toch zo geleid heeft dat er zich nu toch nog weer een mens met dit probleem gaat bezighouden. Wij zouden geneigd zijn te zeggen: ‘Als nu vier bejaarde en wijze mannen er zich ernstig mee hebben beziggehouden en er niet in geslaagd zijn dit probleem op te lossen, was het dan niet beter geweest dat de pogingen van Elihu achterwege waren gebleven en dat God Zelf de zaak oploste?’ (Iets wat Hij later ook inderdaad gedaan heeft!)

Het eerste antwoord hierop is, dat de gedachten van de Heere anders, hoger en beter zijn dan onze gedachten (Jesaja 55 vers 8 en 9). Ook nu is er soms veel strijd tussen de gelovigen over een of andere kwestie, die maar niet opgelost kan worden ondanks de pogingen elkaar te overtuigen, omdat er aan beide kanten verkeerdheid, eenzijdigheid, eigenliefde en eigenbehoud van positie aanwezig is. Wat ontstaat er dan een verwarring en soms, helaas, nog erger. Men is op het dode punt aangekomen. Hoe dankbaar moeten de gelovigen dan zijn, als God dan een man geeft, die juist weet te onderscheiden, die niet wordt beinvloed door voor- of tegenstanders, die de nodige kennis bezit en in bescheidenheid maar met beslistheid Gods Woord op Gods tijd laat spreken. Dat is ook een gave, die de Heere aan sommigen gegeven heeft. Jakobus was bijvoorbeeld zo iemand die de kwestie, of de gelovigen uit de volken al dan niet besneden moesten worden, oploste met instemming van allen (Handelingen 15 vers 5 tot en met 29). Door zo’n woord worden zij, die elkaar eerst heftig bestreden hebben, weer tot elkaar gebracht. Welnu, zo’n man was Elihu ook. Zijn voornemen om nu te spreken, gaat met grote ernst gepaard. Hij moet nu wel spreken, hij wordt er toe gedrongen. Immers, hij ziet aan de ene kant drie mannen, die in plaats van verootmoedigd te zijn voor God, nog steeds vol dwaling zijn. En die zich nog steeds op eigen ervaring of op die van de vaderen beroepen en in een wettische geest volharden. Aan de andere zijde ziet Elihu een wanhopige Job, die heen en weer geslingerd wordt als een golf in de branding. Iemand die nog steeds niet geleerd heeft om zich aan God te onderwerpen, ook niet in het zware leed dat hem getroffen heeft.

Het tweede antwoord is, dat er toch al iets werkte in het hart van Job. De bemoeienissen van de drie vrienden hebben we al vergeleken met de scherpe ijzeren tanden van een landbouwwerktuig, die al het verborgen onkruid boven de grond brengen. Job had vroeger nooit kunnen denken, dat er nog eens een dag in zijn leven zou komen, waarop hij in zijn hart en met zijn mond zijn geboortedag zou vervloeken. Dat er een dag zou komen, waarop hij openlijk God zijn hardvochtige Vijand zou noemen. Of dat er een dag zou komen, waarop hij met zijn hooggeachte vrienden zó in conflict zou geraken. Kon er dan wellicht bij hem, de grote Job, dan toch iets zijn wat niet goed was? Ditzelfde gold voor de vrienden. Als zij het ontmoedigende resultaat van hun pogingen voor zich zagen, waren zij dan wel goed en juist te werk gegaan? En om deze nog zo zwakke zelfveroordeling verder te doen toenemen, werd een man als Elihu door God gebruikt.

Geen enkele bemoeienis van God met een ziel blijft zonder resultaat. Zelfs niet als de werktuigen verkeerd zijn, zoals deze vrienden. Maar zoals de gezaaide tarwekorrel zich in één of twee dagen niet tot een volle aar ontwikkelt, zo is er ook voor een verootmoediging tijd nodig. Wij zeggen soms na een lang en, in onze ogen, vruchteloos gesprek dat er geen verootmoediging te bespeuren viel. Of dat echter inderdaad het geval is, moet na verloop van tijd blijken. En dan komt soms ook aan het licht, dat juist dat ‘vruchteloze’ gesprek het begin van de verootmoediging is geweest is. Een oude en ervaren broeder heeft eens gezegd: ‘Als u gaat zaaien, dan moet u de hooiwagen thuislaten’.

Als Elihu over “de inblazing van de Almachtige” spreekt (hoofdstuk 32 vers 8; 33 vers 4), dan is dat wat anders, dan wat wij onder inspiratie of ingeving verstaan. Voor het Boek Job zelf geldt “al de Schrift is van God Ingegeven” (2 Timotheüs 3 vers 16). Dat wil zeggen, dat alles wat daarin voorkomt volgens de plannen van God is. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen, dat bijvoorbeeld alles wat Job en zijn vrienden gezegd hebben, in overeenstemming met Gods gedachten was. Ook de woorden van Elihu waren niet volmaakt. Maar hij liet zich wel leiden en voorlichten door de Geest van God en ontleende zijn inzichten aan “de inblazing van de Almachtige”; de Geest van de Heere werkte in de mannen van God van de oude bedeling.

Ook nu nog laten de gelovigen, als het goed met hen is gesteld, zich in woord en geschrift door die Geest leiden. Dit is voor de gelovigen van nu gemakkelijker dan voor de oudtestamentische gelovigen toen. De eersten hebben de volle schriftelijke openbaring van God, de Bijbel, waardoor de Heilige Geest hen leidt. De laatsten hadden of geen, of een niet nog volledige schriftelijke openbaring.

Er is dan ook een groot verschil tussen leiding en inspiratie. Dat komt ook naar voren in de Brief van de apostel Paulus aan de Korinthiërs. Door de inspiratie, ingeving, van de Heilige Geest schreef de apostel de grote heilswaarheden, en wat daarmee in verband staat, onfeilbaar en volmaakt. Een enkele keer geeft Paulus zijn eigen gevoelen weer, maar zegt dit er wel bij (1 Korinthe 7 vers 10, 12, 25 en 40). Dat was dan wel het gevoelen van een man met een rijke levenservaring en een diep inzicht in de gedachten van God! Soms zegt hij dat ook, als hij bij het geven van zijn gevoelen zegt: “ik meen ook de Geest Gods te hebben”. Maar deze uitzonderingen bevestigden, dat al het andere wat hij schreef, was ingegeven. En al waren enkele uitspraken dat niet, toch is het goed dan grote waarde te hechten aan het gevoelen van Paulus, want het waren goede gevoelens, in overeenstemming met de gedachten van God.

Zó is het nu ook met de woorden van Elihu. Van wat hij zegt, kunnen wij veel leren. Het algemene karakter van zijn uitspraken is echter wel dat van een gelovige die, zonder directe inspiratie, zich laat leiden door Gods Geest. Daarin is hij trouw geweest en daarom kon God hem gebruiken om klaarheid te brengen in de zaak, die door Job en zijn vrienden zo vertroebeld was.

Elihu heeft blijk gegeven goed te hebben geluisterd. Dat is een grote kunst en een moeilijke opgave. Hij vat de lange redevoeringen van beide zijden in een paar zinnen samen. Job rechtvaardigde zichzelf in plaats van God te rechtvaardigen en zichzelf te veroordelen. De vrienden veroordeelden Job alleen op grond van vermoedens, in plaats van met zachtheid en tact Job tot erkentenis te brengen. Elihu spreekt niet over de eigen ervaring of die van de vaderen en zijn woorden zijn ook niet wettisch. Maar hij voert God in, stelt Hem voor het hart en geweten van Job.

Het is belangrijk er aan te denken en ons goed te realiseren, dat uit zelfrechtvaardiging een veroordeling van God voortvloeit. En omgekeerd: bij zelfveroordeling wordt God gerechtvaardigd (Romeinen 3 vers 4). Het spreekt vanzelf dat God geen menselijke ervaring nodig heeft en dat een menselijke veroordeling Hem niet deert, Waar het om gaat is de menselijke erkenning van een en ander en die is voor Hem welbehaaglijk. Een ootmoedig hart zal met die erkenning geen moeite hebben. Uiteindelijk zal God de overhand hebben en in aller oog zal Hij gerechtvaardigd worden in al Zijn doen en laten, ook in het oog van hen die nu zichzelf rechtvaardigen. Het is echter ware wijsheid Hem nu al in alles te rechtvaardigen. Beter dan straks daartoe te worden gedwongen, met alle gevolgen vandien.

HOOFDSTUK 33

Aan het slot van het vorige hoofdstuk had Elihu gezegd, dat hij niemand naar de ogen zou zien en niemand zou vleien. Daarom moet Job naar hem luisteren, hij spreekt uit de oprechtheid van zijn hart en geeft dat zuiver weer. De Geest van God heeft hem gemaakt en de adem van de Almachtige heeft hem levend gemaakt. Mocht Job hem nog kunnen antwoorden, laat hij dat dan doen. Voor God is Elihu aan Job gelijk, ook Elihu is immers als pottenbakkersleem gevormd en daarna afgesneden. Job hoeft voor hem niet te schrikken, hij zal hem niet hard behandelen. Over één ding wil Elihu allereerst met Job spreken: Job heeft gezegd, dat hij voor God rein is en zonder overtreding, zuiver en zonder misdaad. Hij heeft ook gezegd dat hij door God als een vijand beschouwd wordt, dat God hem, alleen omdat Hij sterker is dan Job, heeft neergeslagen en machteloos gemaakt. Elihu zegt hierop onomwonden tegen Job, dat hij in al zijn redeneringen fout is. God is immers meer dan een mens en legt andere normen aan dan een mens. Waarom heeft Job tegen God getwist? Hij weet toch, dat Deze Zich niet verantwoordt tegenover een mens! Tot zo’n verkeerde mens spreekt God nog wel op één of twee manieren: in een droom of een nachtgezicht opent Hij het oor en drukt als het ware een zegel, een bevestiging, op de kastijding die al op andere wijze tot zo’n verkeerde werden gericht. Ook door ziekte spreekt God. Het doel daarvan is geen straf, geen vergelding, maar om zo iemand van zijn verkeerde doen of denken af te brengen en zijn hoogmoed weg te doen, opdat hij niet omkomt. Job had een Gezant, een Uitlegger, nodig (Nieuwe vertaling: een engel, een voorspraak), één uit duizend, om hem de rechte weg te verkondigen, een boodschap van genade. Luisterde hij daarnaar, dan zou hij verlost worden. Dat betekent dat er dan een einde zou komen aan zijn beproeving en voor zijn opstandigheid zou er dan verzoening gedaan zijn. De gevolgen zouden heerlijk zijn: hij zou als het ware helemaal vernieuwd en verjongd worden. God zou dan een welbehagen in hem hebben en hij zou zingen dat, hoewel hij gezondigd en het recht verdraaid had, dit hem niet vergolden was en dat God zijn ziel bevrijd had van het graf, dus dat hij in leven was gebleven. Daarom verlustigde hij zich nu in het levenslicht. Zó, zegt Elihu, handelt God met een verkeerde.

In deze toespraak van Elihu vinden wij de twee grote beginselen van het Nieuwe Testament terug, namelijk genade en waarheid. De Goddelijke genade kan niet bestaan of handelen zonder de waarheid, want dan zou aan de heiligheid en gerechtigheid van God te kort gedaan worden. En de toepassing van alleen waarheid zou de mens slechts veroordelen, als de genade niet tussenbeide kwam (Johannes 1 vers 17).

Elihu gebruikt geen vleitaal, want dat laat de waarheid van God die ieder mens, wie hij ook is, op zijn ware plaats stelt, niet toe. Als het om de verhouding tot God gaat, dan is de mens in zichzelf niets anders dan een ellendig, zondig en verloren schepsel. Hij is in wezen slechts een weinig stof, dat door de hand van God is gevormd, zoals een pottenbakker uit een beetje leem een voorwerp naar zijn gedachten vormt, dat hem voldoet. De mens is, ondanks zijn eigenwaan, in alles van God afhankelijk. Ontneemt de Schepper hem de adem, dan sterft hij. Hij kan zonder God niet leven; als God het voedsel dat de aarde voortbrengt inhoudt, dan geeft hij de geest (hoofdstuk 34 vers 13 tot en met 15).

Het is voor de mens heel nuttig en heilzaam om daar van tijd tot tijd aan herinnerd te worden, omdat hij telkens de neiging heeft zichzelf te verheffen, vooral als hij in de wegen van God heeft gewandeld of iets voor Hem heeft gedaan. Nooit mag worden vergeten, dat God in de hemel en de mens op aarde is (Prediker 5 vers 1). Dat wil zeggen dat God de Almachtige, de Alwetende, de Wijsheid Zelf is. Hoe voorzichtig, hoe eerbiedig, moeten dan de woorden van een mens zijn!

Aan dit besef, dit inzicht, ontbrak het Job nu juist. De oorzaak hiervan was, dat hij zichzelf zag als de grote, de door allen geëerbiedigde Job, die ook tegenover God als de grote man zijn plaats wilde innemen. Dat hij als een vorst tot God wilde naderen en Hem in zelfbewustheid en voldoening van al zijn schreden rekenschap wilde geven (hoofdstuk 31 vers 37). Hij had geen inzicht in zijn geringheid en nietswaardigheid en zijn vrienden hadden hem dit inzicht ook niet kunnen bijbrengen. Zij hadden zich wel op God beroepen, maar alleen om hun woorden over de eigen ervaring of die van de vaderen kracht bij te zetten.

Elihu gaat anders te werk. Vóórdat hij de waarheid van God op het geweten van Job toepast, spreekt hij tot zijn hart. Job hoeft voor hem niet te schrikken, hij is een mens zoals Job. Hij zal deze geslagene niet hard behandelen en deze wanhopige niet zonder meer op grond van zijn verbitterde en opstandige uitingen veroordelen. De drie vrienden hadden dit wél gedaan, hoewel zij de ruïne van Jobs geluk en voorspoed voor ogen hadden. Juist uit die ruïne trokken zij de conclusie, dat er bij Job zonden aanwezig waren. Van de waarheid, dat God de rechtvaardige soms beproeft, hadden zij geen besef. Zij veroordeelden Job zonder hem te kunnen overtuigen, terwijl het toch zeker in een geval als dit nodig was geweest hem eerst te overtuigen, waarop dan een zelfveroordeling zou volgen.

Job had eerder al de verzuchting geslaakt, dat er toch een “scheidsman” (hoofdstuk 9 vers 33) tussen hem en God mocht staan. Hij heeft zich beroepen op zijn “Getuige in de hoogten” (hoofdstuk 16 vers 19) en op zijn “Verlosser” (hoofdstuk 19 vers 25). Hij gevoelde, dat alleen God een ware middelaar tussen hem en God kon zenden. En nu sprak een man als Elihu tegen hem die, zoals wij al gezien hebben, de Geest van Christus vertoonde.

Deze Elihu zegt uit de mond van Job gehoord te hebben, dat hij rein was en zonder overtreding, zuiver en zonder misdaad. Dat God hem als Zijn vijand beschouwde, waartoe hij toch geen aanleiding gegeven had en dat Hij hem ook als vijand behandeld had. Hoewel het waarachtige Licht, Dat, komende in de wereld, ieder mens in het ware licht stelt (Johannes 1 vers 9), nog niet verschenen was, moet deze taal van Job toch wel onze verwondering en bevreemding opwekken, Hij, die zoveel kennis van God en Zijn dingen bezat, hij die zo diep ingeleid was is de gedachten van God. Hoe durfde hij te beweren, dat de rechtvaardige God een rein en onschuldig mens, zoals hij, zou veroordelen en hem als een vijand beschouwde? Eén van beiden: Job had het verkeerd in zelfbedrog, of God was onrechtvaardig. Elihu windt er geen doekjes om en zegt dat Job helemaal fout is; een gevolg van zijn verbittering ten opzichte van God. Hij stelt de fout ook in het licht: Tegenover mensen had Job nog wel kunnen spreken van zijn reinheid en onschuld, maar nooit tegenover God, Die immers meer is dan een mens. Job beoordeelde nu wel, maar God beoordeelde anders, hoger en dieper. Niet de mens maakt uit wat God in het ene of andere geval heeft te doen – wat Job meer dan eens gedaan had – maar God maakt dit Zelf uit, onafhankelijk van welk mens dan ook.

Dat er zich, naar verhouding, zo weinig mensen bekeren, komt omdat de mens blind is voor de verhevenheid en heiligheid van God en omdat men Hem op één lijn stelt met mensen. Job kwam ook zo ver.

Pas wanneer iemand geleerd heeft zich voor de eenvoudige maar ernstige waarheid te buigen, zal hij na kortere of langere tijd begrijpen, waarom God zo met hem handelt., al zal dit inzicht niet altijd aanwezig zijn. Maar ook als het ‘waarom’ of het ‘waartoe’ niet of nog niet begrepen is, zal de ootmoedige bewaard blijven. Job was niet ootmoedig en heeft zich tegen het doen van God verzet, heeft geredeneerd en verbitterd getwist. Het is de genade en het geduld van God dat Hij zo’n betweter niet aan zichzelf overlaat. Soms spreekt Hij nog door een droom of nachtgezicht tot de verkeerde, maar meestal wordt daar niet meer op gelet. Dat spreken op die wijze heeft ten doel, die persoon van zijn doen en denken af te brengen om zijn hoogmoed te doen verdwijnen. Dus: geen straf, geen vergelding, maar ware zegen!

Zolang de hoogmoedige mens zich vergelijkt met anderen, kan hij misschien nog met recht beweren dat er niemand is, die hem heeft overtroffen. Maar als deze hoogmoedige in het alles blootleggende licht van God komt, waar zal hij dan blijven? Hij zal niet alleen verstommen, maar in eigen ogen tot een voorwerp van afkeer worden.

Job besefte echter niet dat God hem zó beproefde om hem dichterbij te brengen, Hij moest zichzelf ten koste van al zijn aardse voorspoed leren kennen in al zijn eigenwaan en vermeende reinheid en onschuld. De Heere had daarom de beproeving nog niet doen ophouden, nadat de satan tot tweemaal toe verslagen was door de vasthoudendheid van Job aan God. Na de satan, had God Zelf nog iets met Job te doen. Had Job hiervan maar iets begrepen, dan zou hem dat voor veel verkeerde gedachten en uitspraken bewaard hebben. Maar in plaats daarvan was hij verbitterd geworden door de lange duur van de beproeving en had hij tegen God, tegen mensen en omstandigheden gestreden. Hij onderging zijn beproeving niet met God. In plaats van God tussen hem en zijn omstandigheden te houden, plaatste hij de moeilijkheden tussen hem en God. Daardoor verloor hij het besef van Gods nabijheid in het leed en raakte hij verward in geestelijke duisternis en verloor hij zijn heilige kalmte en verhevenheid, waarmee hij in het begin zijn beproeving had verdragen.

Dit alles was niet alleen voor Job van het allergrootste belang, maar geldt ook voor ons, gelovigen van nu. Ook wij vergeten maar al te gauw dat God de rechtvaardigen beproeft en dat Hij Zijn ogen niet van de rechtvaardigen afwendt. Wij vergeten vaak, dat Gods kinderen de voorwerpen blijven van de liefde, trouw en genade van de Heere. En tevens wordt vaak uit het oog verloren dat de gelovigen altijd onder de zedelijke regering van God blijven. Hij kent ons door en door. Al onze diepste motieven en gezindheden zijn Hem bekend. En zo verschillend de ene gelovige van de andere is, zo verschillend zijn ook de wegen van God. Soms beproeft Hij om kwaad te voorkomen, soms opdat wij meer onder de indruk van Zijn heiligheid zouden komen, soms opdat Zijn Naam verheerlijkt zou worden. Er zijn nog veel meer aanleidingen tot beproeving, maar altijd hebben ze een zegenrijk doel.

Als ondanks de beproevingen toch in het verkeerde wordt volhard, dan kan het karakter daarvan veranderen in een straf. Ook in de bedeling van de genade is zonde tot de dood mogelijk. Dat wil zeggen dat een bepaalde zonde van een gelovige in de ogen van de Heere zo erg is, dat de lichamelijke dood daarop als een oordeel volgt. Denk bijvoorbeeld maar aan Ananias en Saffira.

HOOFDSTUK 34

In dit hoofdstuk richt Elihu zich zowel tot Job als tot de drie vrienden. Hij spreekt van hen als van verstandigen, maar wil hem op om nu naar hem te luisteren. Naar aanleiding van de grote woorden van Job, die maar steeds aan zijn recht en onschuld vasthield, moeten zij nu gezamenlijk overwegen wat recht en goed is. Job had zondige, oneerbiedige woorden tegen God gesproken, zoals die beweren van ongerechtigheid en goddeloosheid ook doen, zodat Job door zijn spreken op één lijn staat met deze mensen. Elihu verwerpt al deze woorden. God is verre van ongerechtigheid en goddeloosheid, Hij buigt het recht niet en vergeldt de mens naar zijn werk. Wie zou Hem rekenschap kunnen vragen, Hem de machtige Schepper, in Wiens hand alle leven is? Elihu zegt dat God soms, maar lang niet altijd, naar Zijn wijsheid het kwaad straft. Doet Hij dat is soeverein, ook in het beoordelen van mensen. Hij let op alle mensen en kent hun wegen; voor Hem kan niemand zich verbergen. “Gewis, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen gaan.” Hij vermorzelt de geweldigen, dat men het niet doorzoeken kan”, hun macht wordt hen ontnomen. Een onderzoek is hier niet nodig, zonder tijd en middellijk aan de dag. Elihu vraagt aan Job of iemand, die zichzelf hard veroordeeld, het kwade niet meer doet, en ootmoedig om onderwijs vraagt in de kennis van Gods wegen, toch nog volgens Job vergolden moet worden. Verstandige mensen zouden van Jobs uitingen zeggen, dat hij niet zonder verstand gesproken had. Daarom wenste Elihu de beproeving van Job tot het uiterste zou voortduren, opdat Hij niet meer zou toenemen in spreken tegen God.

In hoofdstuk 33 had Elihu gesproken over de bemoeienissen, die God met verkeerde heeft, door bijvoorbeeld in een droom tegen hen te spreken. Nu zegt niet, dat Job een onrechtvaardige of goddeloze is, wat alle vrienden wel hadden beweerd. Elihu laat het aan Job zelf over om uit zijn woorden gevolgtrekkingen te maken, ten aanzien van zijn houding tijdens de beproeving. Job kan zich nu afvragen of het inderdaad de bedoeling van God was hem door de beproeving zegen te bereiden.

In hoofdstuk 34 ontvouwt Elihu de waarheid verder. Dat was zowel voor Job als de vrienden nodig. Hij had woorden van genade gesproken en dat moesten zij ook doen. En hoe konden zij dat in genade doen zonder woorden altijd in genade moeten zijn, hoewel “met zout besprengd” (Kolossensen 4 vers 6). Dus niet in genade spreken ten koste van de waarheid. Daarin had Elihu een voorbeeld gegeven. In de woorden van Elihu ontbrak het ‘zout’ niet; hij spaarde Job niet.

Elihu vervalt ook niet in de fout van de vrienden. Hij spreekt niet van Job als van een onrechtvaardige Hij daalt niet af in beschouwingen over zijn vroegere leven, maar houdt zich alleen bezig met wat duidelijk openbaar is geworden, namelijk de verstrikking en opstandige woorden die Job had uitgesproken. Iemand, die zo plotseling tegen de Godheid te spreken, brandt gemakkelijk in de lijn met onrechtvaardigen en goddelozen. Het was waar dat de vrienden hem hadden getart, maar door wat te zeggen? Ook uit deze woorden van Job, om tegenover hen te rechtvaardigen, was hij in zeer bedenkelijke mate van onrechtvaardigheid te beschuldigen. Hij had zelfs gezegd, dat ook een wandel in de wegen van God niets baatte, niets opbracht. Zo’n wandel vrijwaarde iemand niet voor beproevingen. Asaf, die ook in beproeving verkeerde, had een groter besef van God dan Job. Asaf had wel even overwogen om als een onrechtvaardige te spreken, maar het besef dat hij dan een afvallige zou zijn had hem weerhouden (Psalm 73 vers 15). Maar Job durfde het wel openlijk te verkondigen. De vrienden hadden als regel: ‘God vergeldt altijd de verkeerden en beloont de goeden’. Daartegenover had Job, in bitterheid en lichtvaardigheid, gewezen op de voorspoed van zoveel goddelozen. Maar zowel de vrienden als Job waren in hun beweringen hoogst eenzijdig geweest.

Elihu komt tegen beide eenzijdigheden op. Het is onmogelijk, dat God onrechtvaardig zou zijn en uiterst zondig te beweren dat het wel zo is. Het is zeker waar, dat God soms de goddelozen vergeldt. Schijnbaar komt dit overeen met de bewering van de vrienden. Die waren klaar in de leer, klaar met hun oordeel. Maar het verschil is, dat zij alles zonder meer op Job toepasten, terwijl Elihu zich van zo’n toepassing onthield en alleen opkwam tegen dat wat openbaar was geworden bij Job, namelijk dat zijn verkeerde woorden over God, de ontoelaatbaar waren. Een nietig mens mag God niet voorschrijven hoe Hij Heeft te doen; God soms de bozen wederkerig aan hen nog aardse voorspoed geeft, als Hij Hiaretegen de rechtvaardigen soms beproeft door zwaar leed – dat niet het karakter van straf, maar van zegen heeft – wie zal dan voor Hem gaan staan en zeggen: ‘Wat doet Gij?’

In de verzen 31 tot en met 33 legt Elihu vraag voor aan Job: ‘Als iemand zichzelf had veroordeeld vanwege het door hem begane kwaad en dat kwade voortaan niet meer deed, moet God dan die man ook nog eens vernederen in wat voor God welbehaaglijk was, moest God dan toch zo iemand naar het bedrijven kwaad vergelden?’ Een antwoord hierop lezen wij niet.

Elihu komt niet tot de slotsom, zoals de vrienden wel, dat Job een leven van schijnvroomheid en heimelijke zonde heeft geleid. Verstandige mensen zouden met Elihu instemmen, dat de overigens zo wijze Job nu de woorden zonder verstand en inzicht gesproken heeft. En daarom wenst Elihu dat Job tot het uiterste beproefd mag worden, opdat hij tot het inzicht komt, hoe verkeerd, onverstandig en verwerpelijk hij tegen God heeft gesproken.

Het is zeer zeker ook voor de gelovigen van nu van het allergrootste belang, dat de waarheid van God, zoals die nu in het Woord van God is geopenbaard, goed door hen wordt gekend en begrepen. Daarin kan men altijd nog toenemen. Steeds kunnen zij in de waarheid nog verder worden onderwezen. Daarbij speelt het geestelijk verstand een grote rol. Hij, die zich in de dingen van het geloof alleen door zijn gevoel laat leiden, wordt gemakkelijk een prooi van dwaalleer. In de Brief aan de Romeinen dringt de apostel op de ‘redelijke godsdienst’ (Romeinen 12 vers 1). Dat is zeer zeker een geestelijk verstand van dingen. Waar het het gevoel, maar alleen kennis gepaard gaat met een levende en warme gemeenschap met God, zal de gelovige ook in staat zijn zich een juist oordeel te vormen over allerlei zaken die zich voordoen. Het nodige licht zal hem worden geschonken.

HOOFDSTUK 35

Elihu vraagt in het begin van dit hoofdstuk aan Job het recht in zijn ogen, dat hij gezegd heeft te verkrijgen, ondanks dat hij in de wegen van de Heere gewandeld had. De beproevingen waren immers toch over hem gekomen. Noemde Job dat zijn gerechtigheid tegenover God? Een gerechtigheid, die alleen maar betracht werd ter wille van aardse voorspoed? Elihu zal Job en de vrienden van antwoord dienen. Laat hij dan de hemel en de wolken aanschouwen, waarboven de Almachtige troont. Als hij zondigt, wordt God dan daardoor benadeeld? En als hij rechtvaardige daden doet, wat voor voordeel bezorgt hij dan God daarmee? Wat kan God uit de handen van een mens ontvangen? De goddeloosheid of gerechtigheid van Job hebben slechts gevolgen voor mensen, niet voor God. Wat wel geroepen over de grootheid van de verdrukkingen, en om schreeuwen om uitkomst, maar God wordt in de verdrukking niet ingevoerd, men ondergaat het lijden niet met Hem. In al het meest eigenlijk wat er zijn, zondigt de mens van God het verstand gekregen heeft, in tegenstelling tot de dieren. Nochtans wordt niet op het geroep in de hoogmoedige bozen, Hij luistert niet naar hun geroep. Als dit in het algemeen al zo is, hoeveel te meer dan gaat de hoogmoedige Job, die zegt God niet te zien, en dat zijn rechtszaak wel bij God ligt, maar dat hij nog steeds wacht of God hem recht zal verschaffen. Omdat er geen oordeel gevolgd was op de grote woorden van Job en God zich schijnbaar niet al te veel bekommert om zijn overtreding, daarom spreekt Job zijn mond in ijdelheid en spreekt hij veel onverstandige woorden. Maar tevergeefs!

Elihu komt telkens met feiten. Niet met vermoedens, zoals de vrienden gedaan hadden. Ook in dit hoofdstuk hield hij de woorden van Job zelf aan, om hem op grond daarvan te bestraffen.

Wat voor een gerechtigheid was dat van Job, als hij die alleen betrachte om aardse voorspoed te verkrijgen? Een soort ruilhandel? Als Job zich voor God op zo’n minderwaardige gerechtigheid had beroepen, was het geen wonder dat God niet naar hem hoorde. Hij weerlegt de kronkelredenering van Job. God wordt niet benadeeld door de zonde van Job, en de mensen benadelen wel Job geeft Hem geen werkelijk voordeel. Door zijn zonde benadeelde ook slechts mensen en van zijn rechtvaardigheid hebben eveneens slechts de mensen voordeel. Het zijn wij die zijn zegening van God als de mensen wil schenken. Aha! Godvrezendheid, alle goede wandel, alle eer, lof en aanbidding, door de mens gebracht, is tenslotte niets anders dan tot God, in Wiens hij het geheel toekomt. Als er geen Godvrezendheid, geen Hem verheerlijkende wandel is, als een mens God niet eert, niet looft, niet aanbidt, dat hij daarvoor ook God zij goddeloze wandel. Iemand in de vreze Gods, dan zal hij daarvan zeker de heerlijkste gevolgen ervaren. Alleen bestaan de gevolgen niet steeds uit alleen maar aardse voorspoed.

HOOFDSTUK 36

Elihu heeft nog meer tegen Job te zeggen; er is immers zoveel over het doen en laten van God te vertellen. Al de gevoelens die Elihu daarvan heeft, wil hij mededelen. Hij komt op voor de gerechtigheid van zijn Schepper, zijn woorden zullen geen holle klanken zijn, maar zullen betekenis hebben. God is zeer groot, “geweldig is Hij in kracht des harten”. En toch aderzijds “versmaadt Hij niet”. Hij laat de goddelozen niet in leven en verschaft recht aan verdrukten, houdt Zijn oog op hen gericht en verhoogt hen op een plaats van eer. Als deze rechtvaardigen echter verkeerd zijn en door zonde beheerst worden, dan spreekt Hij daar op vele manieren met hen over en “openbaart het voor hun oor tot tucht”. Dan zegt Hij, dat zij zich van de ongerechtigheid bekeren moeten. Luisteren zij naar Zijn tucht en dienen zij Hem, dan zal voorspoed hun deel zijn. Luisteren zij echter niet, dan komen zij om zonder kennis. De huichelachtigen hopen toorn voor zich op en ondervinden de gevolgen daarvan. Maar zij, die horen, worden juist door de rechtvaardige, waarin zij zich bevinden, bevrijd van zoveel wat bij hen niet goed is. Zo is het ook ten aanzien van Job. Hij heeft de tucht van God ten volle verdiend door zijn hoogmoedige woorden, die een gevolg waren van de eigenwaan in zijn hart. Laat Job nu maar later verdrietd zijn, opdat Hij hem misschien niet met een slag wegstoot. Laat het zware leed, dat hem getroffen heeft, hem niet verder van de goede weg af brengen. Elihu vergelijkt dat leed met een grote losprijs, die voor een gevangene betaald moet worden.

Nu kan het wel duidelijk zijn voor Job, dat zijn positie, rijkdom en machtsinvloed God niet had overwogen om hem tegemoet te komen. Let hij niet naar de nacht, de dood, verlangen. Laat hij zich van zijn ongerechtigheid, zijn hoogmoed en eigengerechtigheid afwenden, want in verband hiermee is God rechtvaardig. Laat hij aan de grootheid van God denken, de verhoogd door Zijn kracht. Wie is een Leraar, gelijk God? Wie zou zich vermeten om Hem voor te schrijven wat en hoe Hij zal moeten doen? Sterker nog: wie zou het zover durven drijven God van onrecht te beschuldigen? Laat Job liever het werk van God grootmaken. Immers, God is groot en wij begrijpen Hem niet. Hij is de Eeuwige, machtig zijn scheppingswerken, waarvan de mens nog maar zo bitter weinig begrijpt. Hij geeft aan alle te eten, maar in de strijd is Hij vreselijk.

Elihu komt met heilige ijver op voor de rechtvaardigheid van God, maar wordt tegelijkertijd gedreven door het verlangen Job te overtuigen. Hij wijst nog eens op onrechtvaardigen, die tot goddelozen worden, maar ook over rechtvaardigen, die van de goede weg afdwalen zijn, en daarom onder de tucht van God gekomen zijn. Doel van de tucht is: terechtbrenging. De bemoeienissen van deze afgewekenen zijn in strijd met de bedelingen hiernaast. Wat Elihu, die leefde in de vroegste dagen van Gods openbaring, hier zegt, namelijk dat een afgeweken rechtvaardige naar de vermaningen moet horen, opdat hij op de goede weg terugkomt. Het verlietterd worden, zich van het verkeerde afwenden, en van wandt ook nu nog tot afgeweken gelovigen gezegd. Het is waar, dat het Nieuwe Testament hierover veel meer licht geeft, dan de gelovigen van de oudtestamentische bedeling hadden, maar de grote zedelijke beginselen van Gods openbaring zijn dit opzicht waren in de bedelingen hetzelfde.

Deze beginselen worden door Elíhu op Job toegepast, wie en wat Job ook was. Zou hij naar de Goddelijke Leraar luisteren, of wilde hij wijzer zijn dan God?

HOOFDSTUK 37

Bij de gedachte, die aan het slot van het vorige hoofdstuk uitgesproken is, dat God in toorn tegen het onrecht optreedt, beeft het hart van Elihu. Hij spreekt dan verder over de majesteit en almacht van God. Wekt Job op om te luisteren naar de daverende stem van God in de donder, die onder de hele hemel gehoord wordt. Zijn lichtende bliksemflitsen worden gezien tot de einden der aarde. De grote dingen die God doet, worden door de mensen niet begrepen. Hij gebiedt de sneeuw en de regen. Hij verzegelt de hand van alle mensen, opdat het meer de hand op de mond is te zeggen, als Hij spreekt in majesteit en verhevenheid. Zelfs de dieren zijn dan vol ontzag verbergen zich in de holen. Als God Zijn binnenkamer opent, komt de wervelstorm. Kou komt door de “verstrooiende winden”, zoals de koude wateren verstijven. Hij maakt de wolken zwaar van water en “verstrooit de wolk van Zijn licht”. Hij schittert in de natuur staan onder Zijn bevel om te doen wat Hij wil. Of tot bestraffing van de mensen, of om aan hen juist goedertierenheid te bewijzen.

Laat Job dit toch ter ore nemen, laat hij het zichzelf inkeren en op de wonderen van God letten. Begrijpt hij, hoe God aan die geweldige krachten opdracht geeft om te doen wat Hij wil? Begrijpt hij van de wolken zijn, hoe de dikke wolken, zwaar van water, zo kunnen zweven? Begrijpt hij hoe de enorme hitte wordt opgewekt, die zijn kleren zo warm maken? Kan Job de wolken tot een aaneengesloten uitspansel maken? Aangaande al die dingen zal door ons niets verklaren over de oorsprong van al die verschijnselen kunnen. Ten opzichte daarvan verkeert de mens in duisternis. Zou iemand zover komen in eigenwaan gaan spreken, dan zou hij verslonden worden. Want bij God is een vreselijke majesteit. Hij is groot van kracht, maar verdrukt niet ten gerichte en grote gerechtigheid. Daarom vrezen de mensen Hem. Maar de wijzen van hart, zij die eigenwijs zijn, ziet Hij niet aan.

Uit heel deze bewijsvoering van Elihu komt duidelijk naar voren, dat hij leefde in de eerste tijd van Gods openbaring aan de mens. Wij spreken tegen afgeweken gelovigen, dan zullen wij zeker niet nalaten om te wijzen op de grootheid, majesteit en macht van God, die in de schepping openbaard wordt. Maar nu God Zich veel verder heeft geopenbaard in en door Christus, de Zoon van God, maar tevens waarachtig Mens en door middel van heilige Schriften, bezitten wij zeer zoveel hogere openbaring, zodat wij, hoewel wij God ook in Zijn volmaakte en betrouwbare Boon geopenbaard heeft aan de natuur, de andere door middel van de wet (het Woord) des Heeren. Laat spreek God door de dienst van de profeten, “in het laatst der dagen” gesproken door Zijn Zoon (Hebreeën 1 vers 1).

Hiermee wordt natuurlijk niet gezegd dat de mensen, die alleen een openbaring van God bezaten door middel van de schepping, niet verantwoordelijk geweest zouden zijn voor het doen van het goede en het kwade. Dat zij wel degelijk verantwoordelijk waren, ook in grond van hun geweten, blijkt uit het hele Boek Job. Verantwoordelijk, niet alleen voor hun openlijke daden, maar ook voor het verkeerde, wat zij in hun hart toelieten. Uiterlijk was er op Job niets aan te merken; de Heere gaf een prachtig getuigenis van hem. Maar omdat Job de hoogmoed in zijn hart had toegelaten, kwam hij toch onder de tuchtigende hand van God.

Dat de mensen in de vroegste tijd van Gods openbaring toch verantwoordelijk waren, blijkt ook uit de Brief aan de Romeinen. Omdat hetgeen van God te kennen was, zijn grootheid en almacht, hun in het openbaar was en omdat zij een geweten bezaten, kon men deze verantwoordelijkheid opgelegd worden (Romeinen 1 vers 19 en 20; 2 vers 15). Van de vroegste tijden af hebben de mensen God kunnen kennen. Voor de zondvloed wordt in de Schrift niet over de afgodendienst gesproken, maar wel over de gewelddadige boosheid, en periode van ongeveer 1600 jaar, is het al getuigenis van God geweest.

Dit getuigenis betrof vooral de grootheid en almacht van God in de schepping. Daarom wordt in het Boek Job zoveel over de schepping gesproken; op een verheven wijze en in prachtige taal. Dat deed Elihu ook tegenover Job. En zo heeft ook de Heere Zelf gesproken. Hij plaatste Job, die zich zelf een eigenwaan was, in zijn nietigheid voor Hem. Bovendien had Elihu gesproken over het grote beginsel, dat God tucht over de Zijnen uitoefent, een beginsel voor alle tijden en bedelingen.

Met dit hoofdstuk eindigt de dienst van Elihu. Even plotseling als hij in het Boek Job op het toneel verschijnt, verdwijnt hij ook weer. Hij had zijn taak in getrouwheid volbracht, hij was werkelijk een uitlegger, een uit duizend, een gezant van God. Wij mogen veronderstellen, dat hij door God is gebruikt om de afgedwaalde Job te onderwijzen en om de onjuiste gedachten over God en zichzelf uit het hart van Job weg te nemen. Nu is het ogenblik gekomen, dat de Heere Zelf het woord tot Job zal richten.

HOOFDSTUK 38

In de hoofdstukken 38 tot en met 41 spreekt tenslotte de Heere Zelf tegen Job. In hoofdstuk 39 plaatst Hij Job tegenover Zijn grootheid en almacht in de natuur. Hij spreekt over de groeivesting van de aarde (vers 4 tot en met 7), over de macht en de kracht van de zee (vers 8 tot en met 11), over een morgenstond, waarin oordeel over goddelozen wordt uitgeoefend (vers 12 tot en met 15). Hij vraagt aan Job of hij doorgedrongen is tot in de oorsprongen, de geheimen van de diepten van de zee (vers 16) en of Job kennis heeft van het geheimzinnige dodenrijk (vers 17). Laat hij het maar vertellen, als hij dit alles weet (vers 18). In vers 19 tot en met 21 spreekt de Heere over de woning van het licht en de verblijfplaats van de duisternis. Ironisch wordt dan gezegd dat job als oude bekend moet zijn met deze wetten, want toen was hij immers al geboren en nu is hij heel oud. (De bedoeling is natuurlijk tegenovergesteld, namelijk: ‘u was nog niet eens geboren, toen ik onderscheid maakte tussen de dag en de nacht, tussen licht en duisternis, hoe kunt u dan van dingen van vóór uw geboorte?’) In vers 22 tot en met 38 spreekt God dan over de wonderen van de sneeuw, hagel, wind, regen, ijs, sterren, wolken en onweer.

Wij stellen ons voor, dat gedurende de laatste toespraak van Elihu, toen hij sprak over de grootheid en majesteit van God in de natuur (hoofdstuk 37) er onweer is komen opzetten. (De nieuwe vertaling van het N.B.G. spreekt van een storm, maar vele andere vertalingen van onweer.) Een storm kan zeker een bepaalde indruk geven van de grootheid en majesteit van God, maar bij onweer is dat nog veel sterker. En Elihu had juist tevoren over het donderen van de stem van God gesproken en had daarmee als het ware het openbaar worden van de Heere tijdens een onweer voorbereid. Bij Gods openbaring aan de profeet Elia op Horeb was er eerst een storm, daarna een aardbeving en vervolgens een vuur (bliksem bij onweer; 1 Koningen 19 vers 11 en 12). En als tot schande van Israël op de Karmel moest worden aangetoond wie er eigenlijk God was, Jehova of Baäl, dan daalt de bliksem op het door Elia toebereide offer neer en verteert het (1 Koningen 18 vers 38). Ook de wetgeving op de Sinaï ging vergezeld van donder en bliksem (Exodus 19 vers 18 en 19).

Job heeft geen antwoord op de woorden van Elihu in de hoofdstukken 32 tot en met 37 en ook de drie vrienden zwegen. Alleen zijn door de woorden van Elihu tot een vraag beseft gekomen, dat het toch nog wel eens anders kon wezen dan zij, ieder van zijn standpunt bezien, zo vurig betoogd hadden.

Inmiddels trok het onweer dus samen. En dan wordt de stem van de Heere, van Jehova, vernomen, Die Zich voornamelijk tot Job richt. Hoe die toespraken gebeurde weten wij niet. Maar het is zeker dat de Heere op een duidelijk verstaanbare wijze heeft gesproken. Job en de drie vrienden hoefden voor de oplossing van hun problemen of voor een correctie van hun opvattingen, niet te wachten tot de eeuwigheid, waar zulke problemen niet meer zullen bestaan. De Heere gaf in dit geval in dit leven al de ware oplossing. Hoe door hun verstand te openen, maar doordat zij inzicht kregen in hun eigen nietigheid tegenover de grootheid van de Schepper. Als gevolg daarvan zou er ootmoed bij hen komen. En het is een feit, dat een ootmoedige heel anders tegenover het lijden staat dan iemand die verbitterd en opstandig is, of als de vrienden die alles zo goed wisten.

Ook voor ons, de gelovigen van nu, is dit van belang. Wij hebben geen directe openbaringen van God meer te verwachten. God heeft gesproken door Zijn Woord en dat is op een nog duidelijker en uitgebreider manier dan tot Job. In dat Woord vinden wij aanwijzingen, waardoor op de donkerste en moeilijkste wegen van ons leven het heldere en vertroostende licht van God valt. Maar dan moet vanzelfsprekend dat Woord door ons gelezen en er naar geluisterd worden. Helaas zijn er wij ook velen die dat niet zo spreken als de opstandige Job. In zijn levensraadselen, waarover in dit hoofdstuk sprake is, is dat egaal. Iemand die ootmoedig is, zal in zo’n geval bereid blijven door het besef van de liefde van God en door de geloofszekerheid dat het doen van God goed en nodig is. Laten we toch niet in duisternis verkeren, als gevolg van onkunde van of gebrek aan belangstelling in het Woord van de Heere. Want dan hebben we die duisternis wel aan ons zelf te wijten!

Het is belangrijk om op te merken, dat niet de Schepper van hemel en aarde, niet de Almachtige, niet de Allerhoogste, maar de Heere, Jehova, de Eeuwig Getrouwe, Job uit een onweer aansprak. Onder deze laatste Naam heeft God Zich later aan Israël openbaard (Exodus 3 vers 15). Daarvóór was Hij onder andere Namen bekend geweest, waarvan de oudste en meest voorkomende was: God, de Almachtige. Zo spreken Job en de vrienden ook van Hem. Behalve in de hoofdstukken 1 en 2 en 38 tot en met 42 wordt in het Boek Job maar één keer meer van ‘Heere‘ gesproken in (hoofdstuk 12 vers 9). De onbekende schrijver van het Boek kende God als Jehova. Maar het Boek is overigens vol van gedachten aan de schepping ontleend en van God, als de Almachtige.

De tijd, waarop de Heere tot Job sprak, is heel leerrijk. Hem zijn talrijke dingen van tevoren bekend. Hij was nooit onzichtbaar, aanwezig geweest bij alle gesprekken tussen Job en de vrienden en hoorde alles wat er in en over Hem gezegd werd. Dus ook al die Hem onwaardige uitspraken en al die onjuiste gevolg trekkingen. Mensen komen altijd te vroeg voor zichzelf op als er iets verkeerds over hen wordt gezegd. Maar de Heere had bij dat vele verkeerde juist gezwegen in verheven rust en wijsheid. Ook nu de drie vrienden helemaal uitspraken, opdat alles wat in hun harten leefde, openbaar zou worden.

Toen zij aan het einde van hun woorden waren gekomen, zonder dat er iets goeds was bereikt, zond God een man als Elihu. Een juiste uitlegger, die tot hun beschaming op de juiste manier over God sprak. Die hen niet gunstig en, duidelijk maakte, dat God niet altijd een verkeerde straft en de goede beloont. Hij handelt niet willekeurig zoals met menselijke despoot zou handelen. Wel handelt Hij naar Zijn wijsheid met de ene mens op deze en met de andere mens op een andere wijze. Soms gaat het er om ook de ongelovige door het leed te vertroostigen, opdat zijn ziel zou worden gered. Een andere keer heeft de beproeving ten doel de gelovige van verkeerde dingen te reinigen. Maar het is ook waar, dat het karakter van straf, van vergelding, heeft. En soms is er beproeving, om iemand voor het zondige te bewaren.

Elihu had van God gezegd, dat Hij altijd in al Zijn doen en laten gerechtvaardigd wordt. Hij kent ieder mens in het bijzonder en bepaalt naar Zijn wijsheid hoe met die mens te handelen. De woorden van Elihu maakten nog meer openbaar, wat in Job leefde. Elihu beschuldigde Job niet, zoals de vrienden wel gedaan hadden, maar bestrafte hem wegens de bij hem openbaar geworden eigengerechtigheid, hoogmoed, ongeduld en oneerbiedigheid. De wanhopige Job had telkens weer toegegeven aan zijn gevoelens en aan onbeheerste en heftige woorden uitgesproken. Voor een groot deel was de schuld van de vrienden, die hem hadden getart. Elihu had heel anders gesproken, hij had God ingevoerd en de aandacht er op gevestigd, dat Hij tenminste door aanleiding leed over iemand doet komen.

Als dan tenslotte de Heere Zelf spreekt, bevestigt Hij de woorden van Elihu. Wat moet het voor Job en de drie vrienden geweest zijn, in midden van donder en bliksem een duidelijk hoorbare stem te vernemen, die op dezelfde wijze als Elihu sprak. Job had om Goddelijke tussenkomst gesmeekt. Ernst had hij gevraagd om een man, een scheidsman, die tussen hem en God zou kunnen staan (hoofdstuk 9 vers 33). Later had hij de onmiddellijke tussenkomst van God Zelf ingeroepen (hoofdstuk 31 vers 35 tot en met 37). Hoewel de gezindheid waarin de kern van ander vraag niet goed was en vooral zijn hoogmoed openbaar werd hij zeer dat hij in het twistgesprek met de Almachtige Hem als niets zag zou naderen, toch bleek uit dit verlangen wat hem zeer diep in ware verlangens dat alles tussen hem en God in orde zou komen. En het is treffend, dat God in beide gevallen Job heeft verhoord. Hem eerst kwam Hemzelf als de Heere Zelf, waardoor Job volkomen tot inkeer kwam en zichzelf verfoeide.

Als de Heere tegen Job spreekt, maakt Hij hem geen verwijten, dat hij zo dat Hij vraagt, wie toch de man is, die de raad des Heeren “verduistert met woorden zonder wetenschap”? Maar de Heere geeft Job ook geen uitlegging van Zijn wegen en spreekt met geen woord over de bespreking, het verdriet en de ellende van Job, ook niet over zijn vermetelheid en dwaasheid. Nog minder rechtvaardigt Hij Zichzelf voor Job. Dat is Hem ernaardig niet nodig Hij Zich niet in het ‘debat’ tussen Job en de vrienden en heeft niet waarin deze mannen gefaald hebben en waarin Job verkeerd heeft gesproken.

Het is merkwaardig, dat God niet in het geheel niet antwoordt op de kernvraag van dit Boek: “Waarom moeten de goddelozen, de rechtvaardigen, zoveel lijden in dit leven?” Hij geeft geen oplossing voor het probleem. Critici van de heilige Schrift hebben hierin een aanleiding gevonden om de echtheid van de hoofdstukken 38 tot en met 41 te ontkennen. Zij beschouwen deze hoofdstukken als latere verandering en menen dat al de Jehova oorspronkelijk wel de oplossing van het lijdensprobleem heeft gegeven. Zij konden zich niet voorstellen dat de Heere zo dicht bij alles beheersende probleem zou zijn voorbij gegaan. Daarom verwijzen zij het antwoord van de Heere, zoals ons dit in de hoofdstukken 38 tot en met 41 gegeven is. In plaats van dit spreken van de Heere in het geloof aan te nemen, te overdenken en tot een oplossing te komen door vergelijking met andere Schriftgedeelten. Is dit in Gods Woord, wat mensen zich altijd op vroom voorstellen, onecht zou zijn, dan zou er al gauw niet veel meer van dat Woord overblijven; het zou dan werkelijk niet meer een menselijk Boek geworden zijn.

Maar waarom sprak de Heere niet met Job over het lijdensprobleem? Om dit te kunnen begrijpen, moeten wij het volgende goed in het oog houden. Job is een tot ver grote betekenis, dat na het verslagen worden van de satan door het vaststaande van Job en Job (zoals dat in de hoofdstukken 1 en 2 beschreven wordt) de Heere toch de beproeving van Job liet voortduren. Hij kende het hart van Job en zag daarin alle eigenwaan, hoogmoed en ongerechtigheid, die hem er later toe zou brengen, om openlijk zo vermetel en dwaas van God te spreken. De hoogmoed, die tot dusver verborgen was gebleven in het binnenste van Job, moest voor hemzelf en anderen openbaar worden en daarom duurde zijn beproeving voort. Het was niet denkbeeldig dat Job, als de beproeving direct na zijn vasthouden aan God was geëindigd, zichzelf over zijn trouw aan God geroemd had en trots was geworden op zijn ‘beginselvastheid’. Zijn hoogmoed zou daardoor nog meer toegenomen zijn.

Het was dus allereerst nodig, dat Job zijn hoogmoed goed zou zien en zichzelf zou leren kennen in al zijn nietigheid. Daarom stelde de Heere Zich aan hem voor in kracht en majesteit, als Schepper van hemel en aarde, als de Almachtige. Job moest neergeworpen worden van de hoogte waarop hij zich had geplaatst; hij moest tot het besef komen van zijn eigen nietigheid en onwaardigheid en dat God meer is dan een mens. Als hij eenmaal terecht was gebracht door Jehova, dan mocht Job niet kunnen zeggen dat hij, nà het Goddelijk antwoord van zijn lijden, alles begrepen had en zich er nu wel bij neer kon leggen. Dan zou Job nog Job gebleven zijn. Maar hij moest komen tot een zelfverfoeling, tot berouw over zijn vermetele en oneerbiedige uitspraken, tot een openlijk herroepen van al zijn woorden. In het kort gezegd: niet het verstand, niet het inzicht van Job moest worden terechtgebracht, maar zijn hart. Als hij eenmaal, na het wegdoen van zijn eigenwaan, in ootmoed voor God wandelde, dan zou hij niet alleen de oorzaak van zijn beproeving kennen, maar God ook rechtvaardigen, dat Hij zo met hem had gehandeld. Dan zou het hem duidelijk zijn, dat zijn afwijking niet was voortgekomen uit een tekort aan verstand, maar uit zijn zondige toestand van hoogmoed en eigengerechtigheid.

Als tweede voorbeeld, dat de Heere steeds handelt naar de ware behoefte van de ziel, is het goed te wijzen op de profeet Elia. Hij was in zijn dienst onder Israël teleurgesteld en moedeloos geworden en had Israël bij God aangeklaagd. Op Horeb maakte de Heere hem echter duidelijk dat zijn dienst nog niet afgelopen was en maakte hem beschaamd door de mededeling, dat er in Israël nog zevenduizend waren overgebleven, die hun knie niet voor Baäl gebogen hadden. De moedeloze Elia werd gesterkt en vertroost, hoewel de vermaning niet ontbrak, die bestond uit de vraag, die verschillende keren herhaald werd: “Wat maakt gij hier, Elia?” (1 Koningen 19 vers 9 en 13).

Als wij nu nog een poosje stilstaan bij hoofdstuk 38, dan lezen wij dat de Heere begint te vragen: “Wie is hij, die de raad verduistert met woorden zonder wetenschap?” Daarmee werd Job bedoeld. Wat had deze opstandige lijder veel gesproken uit de volheid van zijn hart en uit de benauwdheid van zijn geest. Geklaagd in de bitterheid van zijn ziel (hoofdstuk 7 vers 11). Het eerste teken van zijn verbittering was openbaar geworden, toen hij zijn geboortedag vervloekte (hoofdstuk 3 vers 1). Daarvóór was Job in dezelfde beproeving een voorbeeld geweest van berusting, waardoor God verheerlijkt en de satan verslagen werd. Maar toen de beproeving voortduurde van dag tot dag, van nacht tot nacht, toen kwam hij er toe om God de schuld te geven van zijn mislukte leven. Toen nam hij aan, dat God zonder oorzaak zijn Vijand geworden was, Die, alleen omdat Hij sterker was, hem zo onrechtvaardig kon behandelen. Met dit gevolg, dat Job hoe langer hoe meer in de war raakte, ook door toedoen van zijn drie vrienden. Het was echter de bedoeling van God, dat Job door zijn beproeving zichzelf zou leren kennen. Maar Job had door zijn opstand deze raad, die eigenlijk voor hem een ware zegen zou zijn, verduisterd. Er wordt niet gezegd: ‘verijdeld’ of ‘onmogelijk gemaakt’, want God bereikt immers altijd Zijn raad altijd. Nee, Job heeft die raad ‘verduisterd’, vertroebeld. Dit geeft ook ons te denken! Wat een waarschuwing voor ons in tijden van tegenspoed!

God riep Job op om Hem nu als een man te woord te staan. Weliswaar had Job vroeger gezegd: “Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?” (hoofdstuk 7 vers 17), maar dat had hem er toch niet van weerhouden om God ter verantwoording te roepen (hoofdstuk 31 vers 35 tot en met 37). Daarom wordt hij nu opgeroepen om op de vragen van de Heere antwoord te geven.

Waar was Job, toen de Heere de aarde grondde? Met deze vraag wordt het schepsel geplaatst tegenover de almachtige Schepper. Op deze en ook op de vele nog volgende vragen, moest Job het antwoord schuldig blijven. Hij was toen nog niet eens geboren en al zou dit wel het geval geweest zijn, dan had hij nog geen antwoord kunnen geven op de vragen die God hem stelde. Zijn nietigheid kwam duidelijk in het licht. Job was immers maar één mens onder de velen, een schepsel, een onzegbaar klein iets temidden van de zo grote en wonderbare schepping. Als hele volken worden vergeleken met één druppel water, die nog in een emmer is overgebleven en met een stofje op een weegschaal, hoe groot is dan de nietigheid van één enkele mens! (Jesaja 40 vers 15). Maar afgezien van het niet kunnen antwoorden, heeft Job ook niet dùrven antwoorden.

Zolang de Heere Zich niet aan hem openbaarde, had hij een grote mond opgezet (hoofdstuk 35 vers 16), maar nu God te midden van donder en bliksem met hem sprak, is Job verstomd. Mensen spreken niet meer, als zij ter verantwoording voor God gesteld worden.

Wij moeten echter goed bedenken, dat het niet de bedoeling van God was om Job bij de scheppingswerken zelf te bepalen. Die worden alleen voorgesteld, om Job de grootheid van Hem, Die ze tot stand gebracht had, te doen beseffen. Geplaatst tegenover de Almachtige moest Job wel elke gedachte aan eigen hoogheid en voortreffelijkheid loslaten en zich in ootmoed voor God neerbuigen.

Als de mens al voor veel vragen komt te staan met betrekking tot de zichtbare wereld, van planten, dieren, lucht, regen, sneeuw, hagel, ijs, donder en bliksem, wolken en sterren, hoeveel te meer zullen dan die vragen nog zijn ten opzichte van de onzichtbare wereld, die van de ziel en de geest. Dit is een heel belangrijke gedachte voor zoveel geleerden, die in ongeloof Gods Woord verwerpen, omdat er zoveel in voorkomt dat zij niet begrijpen en wat zij niet als wonderen willen erkennen. Zij zien over het hoofd, dat ook zij in de natuur zoveel geheimen tegenkomen. Zoveel schijnbare tegenstrijdigheden, die zelfs na zesduizend jaar van ijverig onderzoek nog steeds niet kunnen worden opgelost, ondanks de perfecte middelen, die de mens nu ter beschikking staan om dit alles te onderzoeken.

Omdat hij op zoveel vragen geen enkel antwoord kon geven, heeft Job begrepen dat hij nog minder in staat zou zijn de wegen van God met een mens te beoordelen. Want bij die wegen is, behalve de almacht van God, ook Zijn liefde, trouw, genade, barmhartigheid, gerechtigheid, en nog veel meer in het spel. En dit gaat nog veel dieper dan het toch al ondoorgrondelijke scheppingswerk. In de schepping worden de macht en de wijsheid van God gezien, maar in het bestuur van de Heere over de mensen wordt Zijn hart zichtbaar.

God weet wel, dat de gelovige slechts bestaat uit zoveel gram stof en ook dat de duivel zich steeds tegen de gelovigen keert. Maar toch wil Hij in die zwakke mensen Zijn hoogste bedoelingen verwezenlijken, die veel verder gaan dan de schepping. God zal eenmaal op het hoogst verheerlijkt worden. Zeer zeker ook door de vrijgemaakte schepping, door het vrolijk zingen van de morgensterren, door het juichen van de engelen (hoofdstuk 38 vers 7), maar toch vooral in Zijn verheerlijkte heiligen (1 Thessalonika 1 vers 10).

Als we dus in gedachten houden dat het in de prachtige hoofdstukken 38 tot en met 41 niet de bedoeling is om de aandacht bij de scheppingswerken zelf te bepalen, maar dat het er om gaat om tot een besef, of tot een groter besef, te komen van de grootheid en almacht van de Schepper, dan zal nog meer van de pracht en wijsheid van deze Goddelijke beschrijving genoten kunnen worden. Helaas hebben veel mensen deze bedoeling niet begrepen en zijn voornamelijk bezig geweest met het doorgronden van die wonderbare werken. Met als gevolg, dat zij verward zijn geraakt in eigen theorie, of die van een ander en dat zij niet dichter bij God, maar juist verder van Hem af zijn gekomen. Job is uiteindelijk zeker niet terechtgekomen doordat hij de wonderwerken van God heeft begrepen, maar juist door het overweldigende besef van de grootheid van de Heere en van zijn eigen nietigheid.

HOOFDSTUK 39

In dit hoofdstuk spreekt God over de aard van verschillende dieren en vogels, zoals Hij in deze beesten gelegd heeft en die door mensen niet veranderd kan worden. De Heere stelt dan telkens vragen aan Job, niet in de verwachting dat hij daarop zal kunnen antwoorden, maar om hem zijn onmacht en nietigheid te doen inzien. Hij die in zijn vermetelheid God had beoordeeld.

Zou Job het aandurven voor een oude leeuw en gretige jonge leeuwen een prooi te jagen? Het gevaar zou immers groot zijn, dat hij door het moederdier, dat gevaar ziet voor haar jongen, zou worden verslonden. Wie zorgt er nu eigenlijk voor het voedsel van de raven? Job? Weet hij de tijd, waarop de in het wild levende steengeiten jongen werpen? Hij komt immers nooit in de woeste en verborgen plaatsen, hoog in de bergen. Was hij aanwezig bij de arbeid (het jongen) van de hinden? En wie heeft in de wilde ezel de drang naar vrijheid gelegd? Zou Job een eenhoorn (of: woudos) kunnen gebruiken voor landbouwwerkzaamheden? Wie heeft de eigenaardige aard van een struisvogel bepaald, die zijn eieren verlaat en ze warm laat worden in het woestijnzand, en er zich niet over bekommert dat die eieren kunnen worden vertrapt? God heeft aan hen die wijsheid onthouden. Maar zij kan wel sneller lopen dan een paard. Kan Job kracht geven aan het paard en de nek met donder (manen) bekleden? Wie heeft aan het paard het vermogen gegeven om te kunnen springen? Wie heeft dat dier zo geschikt gemaakt voor de oorlog? Het verslindt de afstanden door zijn snelle loop. Bepaalt Job de vlucht van een sperwer naar het zuiden? Heeft hij aan de gier zijn roofzuchtige aard en scherp gezichtsvermogen gegeven?

Op al deze vragen geeft Job geen antwoord. Dan roept de Heere hem opnieuw ter verantwoording. Wil Job twisten met de Almachtige? Hem de weg voorschrijven? En dan blijkt, dat de Heere niet tevergeefs gesproken heeft, want Job antwoordt dat hij te gering is en niet in staat om op al die vragen te antwoorden en daarom de hand op de mond legt. Had hij dat maar eerder gedaan! Hij erkent eerder wel verschillende malen gesproken te hebben, maar hij zal dat niet meer doen.

Dit is tenminste een begin. Maar Job moet nog verder komen.

HOOFDSTUK 40

Job had al erkend dat hij eerder verschillende keren niet goed gesproken had van God (hoofdstuk 39 vers 37 en 38). Maar God wilde, dat hij nog ‘dieper zou graven’. Het was niet genoeg dat Job zijn onvermogen erkende om de vragen van de Heere te beantwoorden. En niet genoeg dat hij gezegd had niet weer zo vermetel tegen God te zullen spreken. Hij moest nog komen tot de belijdenis dat hij gezondigd had en moest hierover berouw tonen.

Daartoe herinnerde de Heere Job aan zijn hoogmoedige en vermetele uitspraken, die hij over God en zijn rechtvaardigheid had gedaan. Ten koste van alles had Job gelijk willen hebben, zelfs al zou hij daardoor God in het ongelijk stellen. Hiermee had hij zich eigenlijk boven God gesteld. Dan had Job, zo wordt verder ironisch gevraagd, zeker ook zo’n sterke arm als God. Kon hij soms ook donderen met een stem, zoals God dit doet? Als een en ander zo is, dan moet Job zich ook versieren met voortreffelijkheden: hoogheid, majesteit en heerlijkheid. Laat hij dan ook zijn verbolgenheid uitstrooien over de goddelozen. Als Job dat alles kon doen, dan zal God hem loven, omdat Jobs rechterhand hem de overwinning had gegeven.

Hoever gaat toch deze Goddelijke gevolgtrekking. Het is mogelijk dat Job voor wat de Heere hier tegen hem zei, met ontzetting is teruggedeinsd. Dat zou goed en heilzaam voor hem zijn geweest.

Om Job nu goed te doordringen van zijn hoogmoedige vermetelheid, herinnert de Heere hem aan twee van Zijn schepselen, aan de Behémoth en de Leviathan. Dieren die natuurlijk helemaal afhankelijk zijn van God, maar die toch in hun voorkomen en kracht de meerdere van de mens zal zijn, als het tussen hen tot een strijd mocht komen. Van hoofdstuk 40 vers 10 tot en met hoofdstuk 41 vinden wij een beschrijving van deze twee ‘geweldenaars’, die ons met ontzag vervullen. (In de NBG-vertaling staat er voor Behémoth ‘nijlpaard’ en voor Leviathan ‘krokodil’. Het is echter de vraag of deze dieren bedoeld worden. Het is niet zonder reden dat de Statenvertalers deze woorden onvertaald hebben laten staan. Misschien gaat het om dieren die wij inmiddels niet meer kennen. In beide Bijbelvertalingen wordt de Leviathan trouwens in Jesaja 27 vers 1 vertaald met ‘slang’. Hoe het ook zij, het is duidelijk dat het om twee geweldig sterke dieren ging.)

Het was ook hier niet de bedoeling van God, dat Job lang zou stilstaan bij de bijzonderheden van deze dieren, maar wel dat hij ernstig zou nadenken over de vragen, die de Heere hem had gesteld. Wat zou Job kunnen beginnen tegen deze geweldige krachten? Bij een strijd met deze dieren zou hij zeker het onderspit delven. Job zou dit moeten toegeven. Als er bij deze twee schepselen van God dan al sprake is van een onderwerping en nederlaag, hoe is Job dan zo vermetel en dwaas geweest om de strijd tegen de levende God op te nemen? Dat was de les die God hier aan Job gaf.

HOOFDSTUK 41

In dit hoofdstuk wordt de Leviathan nog verder beschreven. Wie zou zo’n sterk dier kunnen overwinnen? En de toepassing voor Job was: wie zou dan tegenover God kunnen standhouden? Wie zou Hem tegemoet kunnen treden voor de strijd en niet worden geslagen?

Het is ook in onze dagen heel goed om in voorkomende gevallen de aandacht te vestigen op de macht en wijsheid van God in de natuur, zowel in het grote als in het kleine. Laten de gelovigen in ieder geval de eerbied in acht nemen, die passend is voor de grote en almachtige Schepper. Vooral omdat de mens steeds meer in de geheimen van het heelal en van de natuur indringt. Wat de mens hierin bereikt, hetzij op of boven de aarde, of in de diepten van de zee, wordt meestal het eerst en het meest gebruikt tot verderf, zedelijk, lichamelijk, of door de oorlog. En het schepsel wordt verheerlijkt, in plaats van de Schepper. Een Europees staatshoofd heeft eens gezegd dat, hoewel zijn astronauten zo ongeveer het hele heelal hadden onderzocht, zij geen spoor van God hadden kunnen ontdekken.

Wat is de vooruitgang die de mens boekt echter maar gering, in vergelijking met de grootheid van de schepping. Wat zouden de mensen van onze tijd kunnen antwoorden op de vragen, die God duizenden jaren geleden aan Job stelde? De geleerden, die het diepst in de geheimen en wonderen van de natuur zijn ingedrongen, zullen, als zij eerlijk en niet door eigenwaan bevangen zijn, de eersten zijn om toe te geven, dat zij God hier geen antwoord op zouden kunnen geven, evenmin als Job dat kon.

Maar veel mensen die helemaal niet tot de natuurgeleerden behoren, zijn in onze dagen bevangen door de waan dat er langzamerhand niets meer voor de mens is verborgen. Dat de mens het in zijn macht heeft om de krachten van de natuur aan zich te onderwerpen. En door de eigenwaan, die hiervan het gevolg is, wordt steeds duidelijker merkbaar dat de mens zich tegen God keert. Totdat God weer eens door één of andere grote of kleine ramp tot de mensen spreekt en misschien weer velen omkomen. En dat deze wereld tenslotte ten onder zal gaan, is voor haar verborgen. (Het oordeel komt niet door de kennis van de mens, maar bij “de openbaring van de Heere Jezus”, om “met vlammend vuur wraak” te doen; zie 2 Thessalonika 1 vers 7 en 8). Nu al zijn miljoenen mensen banger voor de atoomgevaren, dan voor het naderend oordeel van God (Openbaring 16 vers 8).

HOOFDSTUK 42

De betogen van de drie vrienden hadden niet de minste goede uitwerking op Job. Integendeel, de verwijdering was groot geworden. Wederzijds was men op het dode punt aangekomen. Ook na de woorden van Elihu lezen wij geen enkele reactie van Job. Toch geloven we dat de woorden van Elihu het hart en geweten van Job bereikt hebben. En tenslotte had de Heere Zelf gesproken en bereikte het gewenste resultaat. En we mogen blij en dankbaar zijn dat God altijd Zijn doel bereikt. Dat God ook in het geval van Job nog weer goed maakte, wat de drie vrienden bedorven hadden. Het is overigens ontroerend als we er aan denken, dat de bemoeiingen van de vrienden, van Elihu en de Heere Zelf ten doel hadden één gelovige, één ziel weer terecht te brengen. Wat wordt de waarde van één ziel door God toch hoog aangeslagen!

De oplossing van vele en diep ingrijpende vragen werd niet gevonden in leerstellingen die niet te weerleggen zijn, maar kwam tot stand in het verootmoedigde hart van Job. Wij hebben vroeger al opgemerkt dat een ootmoedig iemand heel anders tegenover het lijden staat, dan iemand die verbitterd en opstandig is en alles zo goed weet. Toen Job zijn eigenwaan, vermetelheid en dwaasheid, waarmee hij tegen God het woord had opgenomen, inzag en erkende, begreep hij ook de oorzaak van zijn beproeving. Zelfs zonder dat de Heere hem dit op één of andere manier heel duidelijk aantoonde.

Er is geen tijd verlopen tussen het einde van het spreken van de Heere en de korte maar veelzeggende belijdenis van Job. Het woordje ‘toen’, waar dit hoofdstuk mee begint, geeft dat duidelijk aan. Hoe verblijdend is de erkenning: “ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden”. En dat kwam uit hetzelfde hart en dezelfde mond, waaruit eerst zoveel verkeerde uitspraken voortgekomen waren. Nu was Job echter tot rust gekomen, tot een stil zijn in de wegen van de Heere.

In vers 3 en 4 haalt Job, zij het ook niet woordelijk, twee uitspraken van de Heere aan, tegen hem gericht waren, toen hij door de Heere ter verantwoording werd geroepen. De eerste uitspraak was: “Wie is hij…, die de raad verbergt zonder wetenschap?” (vergelijk hoofdstuk 38 vers 2). En dan belijdt hij: ‘die man ben ik, ik heb dingen verkondigd, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet begreep, ik heb gesproken zonder inzicht’. Al zijn vorige beweringen ten aan zien van God en Zijn wegen, noemt hij nu ‘woorden zonder inzicht’; dwaas en zondig.

Ja, er moet meestal veel gebeuren, voordat een mens tot zo’n erkenning, tot zo’n zelfvernedering en zelfveroordeling komt. De aartsvader Jakob leerde zijn zwakheid, verkeerdheid en onwaardigheid pas kennen, toen zijn heup werd ontwricht. Job moest een langdurige, zware beproeving doorstaan. Maar hoe belangrijk zijn zulke dingen in de geschiedenis van een mens. In heel het verdere leven oefenen zij een invloed ten goede uit op het zedelijk bestaan en het karakter.

Job had nu juiste gedachten met betrekking tot God. En dat is het begin om alle andere dingen op de juiste wijze te zien. Als een mens dwaalt ten opzichte van God, dwaalt hij ook ten opzichte van zichzelf en z’n medemensen, ja, van alle dingen.

De tweede uitspraak van de Heere die Job aanhaalt, is in de N.B.G.-vertaling: “Hoor nu, en Ik zal spreken; Ik wil u ondervragen, opdat gij Mij onderricht” (vergelijk hoofdstuk 38 vers 3). In de Statenvertaling staat er in vers 4: “Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij”. Deze vertaling stelt het dus voor alsof Job de Heere om onderricht vraagt. Maar dan sluit het antwoord van Job in vers 5 daar niet op aan en doet eigenlijk niet ter zake. Bovendien had de Heere Job al onderwezen, waardoor hij tot zelfveroordeling was gekomen. Wij menen, dat beide uitspraken van de Heere Job in het bijzonder hebben getroffen en hij ze daarom in zijn belijdenis aanhaalt.

Uit vers 5 blijkt, dat Job nu dichter bij God is gebracht. Voorheen had hij slechts van horen zeggen; door mondelinge overlevering van God vernomen. (Er was toen nog geen schriftelijke openbaring van God.) Maar nu had hij God met zijn geestelijk oog aanschouwd. Bij het besef, dat hij voorheen zonder inzicht gesproken had (vers 3), kwam nu nog de innerlijke aanschouwing van de Heere (vers 5).

En omdat deze beide dingen nu aanwezig waren, kon het niet anders, dan dat hij zichzelf in het ware licht zag. Ja, tot de uitspraak kwam, dat hij al het verkeerde dat hij over God heeft gesproken herroept, onder boete, berouw en in stof en as. Hij veroordeelt dus zichzelf en toont berouw. Twee uitingen, die altijd bij iemand die werkelijk verootmoedigd is, gevonden zullen worden. Wat is het een zegen voor Job geweest, dat hij al in dit leven tot deze herroeping is gekomen. En dat hij daartoe niet in de opstanding gedwongen zou worden. Als een mens nu tegenover God geplaatst wordt, roemt hij niet meer in zichzelf en ziet hij zijn eigen nietigheid, verkeerdheid en onwaardigheid.

Zodra een mens tot deze erkenning is gekomen, staat God klaar om hem te zegenen. Job ontving dubbele aardse voorspoed. Als de profeet Jesaja over zichzelf het “wee mij” uitroept, bij het aanschouwen van de heiligheid van de Heere, omdat hij een man van onreine lippen was, dan wordt hij onmiddellijk verzoend (Jesaja 6 vers 5 tot en met 7).

In de gelijkenis heeft de verloren zoon nog maar nauwelijks aan zijn vader beleden dat hij gezondigd heeft, of de vader laat hem het beste kleed geven en laat hem aanzitten aan een feestmaaltijd.

Job stond nu op een heel andere grondslag voor God. Hij heeft daarvoor veel tijd nodig gehad, maar is toch zover gekomen. Dit alles is ook voor de gelovigen van nu van groot belang. Terecht kunnen we zeggen, dat alle mensen diepbedorven zijn, onwaardigen voor God. Maar het is nog iets heel anders, als dit op grond van eigen ervaring en dit met een verslagen hart en een verbroken geest van zichzelf betuigt!

Voordat er nu gesproken wordt over de hernieuwde zegening van Job wordt door de Heere tegen Elifaz, als oudste van de drie vrienden, gezegd, dat de toorn van de Heere tegen hem en zijn beide vrienden is ontstoken, omdat zij niet recht van Hem gesproken hebben zoals Zijn knecht Job.

Wij hebben lange tijd niets meer van de drie vrienden gehoord. Na de laatste toespraak van Job en na alle woorden van Elihu, en ook na de machtige toespraak van de Almachtige, hebben zij gezwegen. Dat er ook bij hen iets ten goede zou zijn veranderd, is niet aan te nemen. Dan zou de Heere hier immers niet gezegd hebben dat Zijn toorn tegen hen ontstoken was. Wellicht hebben zij in de woorden van de Heere tegen Job nog wel een bevestiging van hun eigen theorieën gezien. Schijnbaar stemden Gods woorden met de hunne overeen. Maar het grote verschil lag hierin, dat zij Job zonden toeschreven, waaraan hij zich niet schuldig had gemaakt, terwijl de Heere gesproken had over de uitingen van Jobs verkeerde gezindheid, bijvoorbeeld doordat hij God van onrechtvaardigheid beschuldigd had. De drie vrienden hadden dus ernstig gefaald in de toepassing van de waarheid, voor zover die toen bekend was. Er wordt soms meer kwaad aangericht door een waarheid, die verkeerd wordt toegepast, dan door een bepaalde onjuistheid. Want een verkeerd toegepaste waarheid heeft de schijn van Goddelijk gezag. Toen dan ook ten opzicht van Job, die een bijzonder voorwerp van de bemoeiingen van God was, de waarheid helemaal verkeerd werd toegepast, waardoor Job zedelijk vernietigd zou zijn geworden, was dit in de ogen van de Heere een heel ernstige zonde.

Merkwaardig is het woord van de Heere, dat Job recht van Hem gesproken had. Onwillekeurig vraagt men zich af, waarin dat rechte spreken van Job dan gelegen is? Had hij eigenlijk niet nog meer onjuiste en ongepaste woorden over God gesproken dan de drie vrienden? Natuurlijk mogen wij de door Job gemaakte fouten niet goed praten, maar het is goed er rekening mee te houden dat hij zich toen in een zware beproeving bevond. Voor de vrienden, die zelf niet in het lijden waren, was het maar wat gemakkelijk om fouten te ontdekken in de uitspraken van deze wanhopige ziel. God houdt daar veel meer rekening mee, dan wij denken.

Maar behalve verkeerde, had Job toch ook vele goede woorden gesproken. Denk bijvoorbeeld maar aan de prachtige uitspraak: “De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd!” (hoofdstuk 1 vers 21). In zijn omstandigheden was dat een geloofsuitspraak. En behalve dit, heeft hij later ook nog veel goede woorden uitgesproken, die van zijn geloof getuigden. Door bijvoorbeeld over zijn Verlosser te spreken. God vergeet niets!

Bovendien was het nu zo dat Job, nu hij voor zijn verkeerde woorden door de Heere bestraft was, zichzelf had veroordeeld en vergeving had ontvangen. Als Job niet tot belijdenis en erkenning was gekomen, dan zou de Heere ook niet tegen de drie vrienden gezegd hebben, dat hij goed van Hem had gesproken.

Elifaz moest nu zeven varren en zeven rammen nemen en die bij Job brengen, opdat hij daarvan een brandoffer zou offeren en voor de drie vrienden zou bidden. Want de Heere zou alleen naar Job luisteren.

Het is opmerkelijk dat hier van een brandoffer wordt gesproken. We zouden kunnen denken dat een zondoffer hier meer op zijn plaats zou zijn geweest. We moeten echter bedenken dat Job en de vrienden leefden vóór de wetgeving. En vóór de wetgeving vinden wij nog niet de verschillende soorten offers, zoals die later verordend zijn (Genesis 8 vers 20; 22 vers 2). Er was toen alleen sprake van brandoffers. Maar de omstandigheden waaronder de Heere het brengen van een brandoffer door de vrienden beveelt, wijzen er op, dat dit offer was bedoeld als een plechtige belijdenis van zonden. Dit blijkt wel uit de woorden die de Heere er aan toevoegt: “…opdat ik aan u niet doe naar uw dwaasheid…”. Dus, dat zij niet gestraft zouden worden. Dit is dan ook niet gebeurd, doordat de Heere Job ter wille was.

Nu Job in de juiste toestand voor God gekomen was, is er in zijn hart ook niets meer tegen de vrienden. Toen kon hij bidden voor hen, die hij kort tevoren nog moeilijke vertroosters en nietige medicijnmeesters had genoemd. Nu kon hij bidden voor hen, met wie hij zo lang onverzettelijk en heftig gestreden had.

Tenslotte wordt in de verzen 10 tot en met 17 gesproken over de hernieuwde aardse voorspoed van Job. De Heere gaf hem zoveel zegen, dat hij al gauw het dubbele bezat van eerder. Job heeft deze dubbele zegen niet toegeschreven aan zijn verdubbelde ijver na de beproeving of aan zijn dubbel verstandig beheer. Zijn hart bevond zich nu in een heel andere toestand en daarom schreef hij alles ootmoedig toe aan de zegen van de Heere.

God vergat niet, dat Job in het begin van zijn beproeving aan Hem had vastgehouden, zodat zelfs de satan beschaamd en verslagen werd. Of Job dit laatste later wel of niet heeft geweten, doet hier niets ter zake. Het door Job gelovig en berustend aanvaarden van het leed uit de hand van de Heere bleef voor God z’n waarde behouden. Maar Job had nu begrepen, dat zijn vasthouden aan God een gevolg was van het feit dat God hém niet had los gelaten!

Zo is het nu ook nog! Wanneer gelovigen in de vreze van de Heere wandelen en daarin blijven, is het de genade van God die hen hiertoe in staat stelt. In alle dingen en verhoudingen daarom alleen aan God de eer!

De tijd van de beproeving leek Job misschien eindeloos lang, maar daarna heeft hij nog honderd veertig jaar in aardse voorspoed geleefd. Hij heeft ondervonden dat de toorn van de Heere maar voor een ogenblik is, maar dat Zijn goedgunstigheid een leven lang duurt! (Psalm 30 vers 6).

Toch, hoe ouder Job werd hoe meer oog hij kreeg voor de betrekkelijkheid van dit leven. En het Boek Job eindigt dan ook met de vermelding dat Job stierf, “oud en der dagen zat”.