De grootheid in het handelen van God met Job
VOORWOORD
Hierbij geven wij u een beschouwing in handen over het Boek Job. Het is niet met zekerheid vast te stellen wie de schrijver hiervan is, want het betreft een handgeschreven overdenking. Uit het taalgebruik was enigszins na te gaan dat het enkele tientallen jaren geleden geschreven moet zijn. Dit taalgebruik is in deze gedrukte uitvoering wel iets aangepast, maar u zult merken dat de stijl van schrijven toch iets anders is als tegenwoordig. We wilden echter niet te veel wijzigen aan de inhoud, vandaar dat we het voor het grootste gedeelte zo gelaten hebben.
We geven u deze beschouwing in handen, met het gebed in ons hart dat de Heere Zijn Woord mag zegenen. Dat u nog meer mag gaan beseffen van de grootheid van Zijn handelen met ons nietige schepselen. Een handelen in liefde en genade!
Uitgegeven in februari 2000
INLEIDING
Het Woord van God is de Oorsprong en blijvende Bron van de Waarheid. God kan door dit Woord deze waarheid in al haar kracht en volmaaktheid aan het geweten en het hart van de mensen voorstellen. Daarvoor is het echter wel nodig, dat de verschillende delen van de waarheid in hun Schriftuurlijke verband worden gelaten en het Woord des Heeren als één geheel wordt gezien en gelezen. Het Woord moet Boek voor Boek onderzocht en in verband met het geheel in ogenschouw genomen worden. Schrift moet met Schrift vergeleken worden. Dit is van veel grotere waarde dan alleen bezig te zijn met op zichzelf staande mededelingen van God, hoe kostbaar deze ook mogen zijn.
Wij willen ons nu met het Boek Job bezighouden. Een Boek dat ook in onze tijd vol van praktische aanwijzingen staat voor de levensopenbaring van de gelovige. Immers, dezelfde vraagstukken van het veelal zo onbegrijpelijke lijden, in al de verscheidenheid die er in de dagen van Job waren, zijn er ook nu nog. Niemand ontkomt aan dat lijden. God gebruikte het in Jobs dagen tot zijn bestwil en dat doet Hij nu nog. Job heeft de les van de Heere geleerd en het is ook voor de gelovige van nu van het grootste belang zijn lijden op een Gode welgevallige manier te leren zien. Opdat temidden daarvan de harten en zinnen bewaard worden in de liefde van God.
Het Boek Job werd geschreven in de vroegste tijden van de schriftelijke openbaring des Heeren. Wellicht is het wel het eerst geschreven Boek. Zekerheid hieromtrent geeft de Schrift echter niet. Aan de verschillende gedachten van mensen gaan wij stilzwijgend voorbij. Aangaande de Schrijver (wij spreken hier opzettelijk van ‘Schrijver’, omdat de ware auteur van alle Schrift de Heilige Geest is) deelt de Bijbel ons niets mee.
Het Boek Job behoort tot de dichterlijke boeken van het Oude Testament. De andere dichterlijke Boeken zijn: de Psalmen, de Prediker, het Hooglied van Salomo en de Klaagliederen van Jeremia. In de Hebreeuwse Bijbel worden deze boeken Cethubim genoemd, d.i. de geschriften, of Hagiographa. Kenmerk van deze Hebreeuwse poëzie is niet zoals bij de westerse volken, gelijkluidende klanken, maar gelijke gedachten, parallellisme. Dit kan behalve overeenkomend, ook tegenstellend of aanvullend zijn.
Hoewel het Boek Job een dichterlijk boek is, mogen wij hier niet denken aan gedicht dat verzonnen situaties beschrijft. Job heeft werkelijk geleefd, hij is een geschiedkundige persoon die door andere schrijvers van Bijbelboeken is aangehaald (zie Ezechiël 14 vers 14 en 20, Jakobus 5 vers 15). Uit het Boek zelf kunnen wij afleiden, dat Job heel lang geleefd heeft. Hij was geen jonge man meer toen de beproeving over hem kwam, want hij had toen immers volwassen kinderen. En na de beproeving heeft Job nog honderd en veertig jaar geleefd en zag zijn nakomelingschap tot in het vierde geslacht (hoofdstuk 42 vers 16).
Hieruit kunnen wij afleiden, dat hij vóór Mozes geleefd moet hebben. Uit Psalm 90, een gebed dat door Mozes is geschreven, blijkt immers, dat de leeftijd van de mensen in zijn tijd gelijk was aan die in onze dagen. Mozes zelf en ook Kaleb vormden daarop een uitzondering. Maar ten aanzien van Job spreekt de Schrift niet van een uitzondering.
Het is goed op een ander belangrijk punt te wijzen. Job behoorde tot een heidens volk, omdat hij niet tot het uitverkoren volk behoorde, dat later door God uit Egypte zou worden geroepen. In zijn dagen was deze roeping niet meer ver in de toekomst. In het Boek Genesis lezen wij dat alles hiertoe werd voorbereid. En juist in die tijd zien wij, dat God de meest ingrijpende bemoeienis heeft met een enkel mens, die ‘niet uit de aartsvaders was voortgekomen; een bemoeienis die zelfs Abraham niet ten deel is gevallen. Juist daar zien wij dat God alles in het werk stelt, in de hemel en op de aarde, om één enkele ziel tot het besef van zijn eigengerechtigheid te brengen.
Israël heeft later slechts verachting gekoesterd voor allen, die niet tot het volk van God behoorden en ze als honden beschouwd. Zeker, het was waar, dat door Mozes de wet alleen aan het volk Israël gegeven was. De apostel Paulus noemt als één van de negen voorrechten die aan Israël gegeven zijn: de wetgeving (Romeinen 9 vers 4), terwijl hij het als een voorrecht van de Joden beschouwt, dat aan hen de woorden van God zijn toevertrouwd (Romeinen 3 vers 7). De heidenen stonden daarbuiten.
Maar voorafgaande aan het tijdstip van de wetgeving, had God juist bemoeienis met een heiden. Tegenover de latere verachting van de heidenen door Israël plaatste God al van tevoren het feit, dat Hij het grootste belang stelt in één enkele mensenziel. Niet om die enkeling tot rijkdom en eer te brengen. God bemoeide Zich met deze enkeling vanwege een verkeerde gezindheid bij die mens, namelijk de eigengerechtigheid, waarvan hij zich bewust moest worden. En in die dagen deed God een Boek samenstellen, dat zou worden opgenomen in de Heilige Schrift. Hij maakte Job tot een bewaarder van de kennis van God, evenals ook een Melchizédek.
In Gods bestel van Zijn wegen met Israël zou de dag komen, dat dit volk de bevoorrechte plaats zou verliezen en tijdelijk geheel terzijde zou worden gesteld. En dan zou de tijd van de genade aanbreken, waarin de genade niet alleen meer betrekking zou hebben op één bepaald volk, maar op de gehele mensenwereld. De openbaring van die genade kon niet aan een Mozes of wie ook worden toevertrouwd, maar zou worden bewerkt door de Heere Jezus Christus, de Zoon van God, Die als waarachtig Mens op deze aarde zou komen. Wie anders dan Hij, die Zelf God was, kon deze Goddelijke volheid van genade openbaren?
En dan zou het Boek Job daar zijn om aan te tonen dat deze genade niet een achteraf door God opgevatte gedachte was. Dit was het Boek, waarin men de genade, buiten Israël om, duidelijk kon waarnemen. Konden de Joden, met het Boek Job vóór zich, het nog wagen te zeggen dat God de heidenen als niets achtte? Over wie van de aartsvaders had God zó verheven en zó uitvoerig gesproken als over Job? Aan wie uit Israël was ooit zulk een Boek van tweeënveertig hoofdstukken gewijd, met als doel om Job terecht te brengen?
Er komt nog iets bij. Job was niet alleen uit de heidenen, die buiten de zegeningen van Israël stond, maar hij woonde ook in een landstreek die onder de Israëlieten slecht bekend stond. Het land Uz wordt door de profeet Jeremia genoemd als de woonplaats van Edom, de nakomelingen van Ezau (Klaagliederen 4 vers 21). Dit feit alleen al kwam een Israëliet zeer verdacht voor. Van de vroegste tijden af is er haat en vijandschap geweest tussen Israël en Edom en die is er nu nog. Wij zeggen hiermee niet, dat Job een Edomiet was, maar voor de Joden, die onmiddellijk in vuur en vlam staan bij alles wat de bijzondere plaats van het uitverkoren volk in de weg stond, was het land Uz de streek waaruit niets goeds kon voortkomen, zoals dit later gezegd werd van Nazareth (Johannes 1 vers 47).
Het verstarde moderne Jodendom, vijandig aan Gods openbaring in Christus, beweert dat Job niet werkelijk bestaan kan hebben, omdat het onmogelijk is dat God Zich zó met een gelovige uit de heidenen zou hebben beziggehouden. Maar dat is juist de prachtige kerngedachte van het Boek Job! Het ging om een mens die echt leefde. ZÓ spreken de profeet Ezechiël en de apostel Jakobus er over, zoals wij al gezien hebben. Weliswaar een mens die buiten het uitverkoren volk stond, maar toch een mens aan wie en in wie Gods rijke genade werkte tot lof van de Heere en tot beschaming van satan. De zware beproeving, die Job moest ondergaan, was uiteindelijk een zegen voorhem.
De naam Job betekent: ‘vervolgde, verdrukte’. Voor een groot deel van zijn leven werd deze betekenis niet aan hem vervuld. In die dagen was Job de grootste en de machtigste van de herdersvorsten in het oosten. Dit verzwaarde zijn beproevingen nog meer. Hij was een oprechte, trouwe man die God vreesde en afweek van het kwade. Dit getuigenis wordt verschillende keren door de Heere van hem gegeven. In zijn gezinsleven was hij zeer gezegend, hij was gehuwd, had zeven zonen en drie dochters. Maatschappelijk ging het hem buitengewoon goed, zijn bezittingen waren zo groot, dat hij de rijkste was van alle bewoners van het oosten.
Job was echter geen ‘vreemdeling en bijwoner’. In dit karakter had God wél de aartsvaders van Israël geroepen, maar Job niet. Hij stond buiten het verbond met Abraham. Met de zegening van de aartsvaders was de genade van God echter niet ten einde. Deze ging verder en strekte zich ook uit tot Job. De soevereine genade van God ging verder dan de verbondsbelofte aan Abraham, die te zijner tijd volledig aan Israël zal worden vervuld; iets wat de gehele wereld zal kunnen zien. Maar toch, de genade van God is vrijmachtig en laat zich niet opsluiten binnen de grenzen van een bepaald volk, behoudt zich haar eigen werking voor om uit te gaan ver boven de beloften aan Israël.
De genade, geopenbaard aan de gelovigen in Christus – aan ieder persoonlijk en aan allen tezamen als Gemeente van de Heere – gaat nog veel verder dan die aan Israël en bijvoorbeeld Job. Daarom zou het geestelijk peil van de gelovigen in Christus en van de Gemeente veel hoger moeten zijn, dan dat in Israël. Maar helaas is het toch zo dat men tot dat peil van Israël is afgezakt en dat de wet bijvoorbeeld tot zegel voor het christelijk leven gemaakt wordt. Over het algemeen heeft men geen oog voor de rijke hemelse en geestelijke zegeningen, waarvan het Nieuwe Testament en dan vooral de Brieven van Paulus spreken. Zegeningen, die niets met de aardse beloften van het Oude Testament te maken hebben. Maar al te vaak wordt over het hoofd gezien, dat de Gemeente van Christus in de oudtestamentische bedeling en ook nog gedurende het aardse leven van de Heere Jezus een verborgenheid was (Romeinen 16 vers 25 en26;Efeze 3 vers 3 tot en met 6; Kolosse 1 vers 26).
Wat deze, in het Nieuwe Testament geopenbaarde genade, bracht was iets geheel nieuws, buiten de beloften van God aan Abraham, Izaäk en Jakob om. Zij was ook niet geopenbaard tijdens Gods handelingen met het volk Israël en de profeten spreken er niet van. Eerst moest de Christus lijden en sterven, verzoening en verlossing bewerken, en aan de rechterhand van God zijn verheerlijkt. Pas daarna kon de Heilige Geest van de hemel komen om Joden en heidenen, gelovigen in Christus, tot één Lichaam te vormen. In het einde van de tijden zal het blijken dat er een genade van God is geweest, die aardse heerlijkheid tot gevolg heeft gehad. Joden en heidenen zullen het voorwerp van die genade zijn. Maar ook zal het blijken, dat er een genade van God is geweest, die hemelse heerlijkheid tot gevolg heeft gehad. De gelovigen in Christus, leden van Zijn Gemeente, zijn daarvan het voorwerp.
Het grote probleem van het lijden van gelovigen hier op aarde wordt door het Boek Job verklaard, voor zover het op aarde mogelijk is dit geheim van het lijden te verklaren. Waarom lijden de Godzalige, Godvruchtige en rechtvaardige kinderen van God? Als God liefde is, en dat is werkelijk het geval, waarom hebben ze dan zoveel tegenspoed?
Hoe is het met de rechtvaardigheid van God in overeenstemming te brengen, dat Hij rechtvaardigen op duizend manieren laat lijden? Het antwoord, dat het Boek Job geeft op deze vragen is tweeledig.
Ten eerste dient het aan de gelovigen gezonden of toegelaten lijden tot verheerlijking van God. Dit zeggen ons vooral de eerste twee hoofdstukken van het Boek Job. Niettegenstaande de vreselijke beproeving die Job is overkomen, bleef hij aan God vast houden, zondigde hij niet met zijn mond en schreef God niets ongerijmds toe. Wel sprak hij zijn historisch woord, dat duizenden gelovigen in de loop van de tijden hem nagezegd of gefluisterd hebben: “De Heere heeft gegeven, deHeere heeft genomen, de Naam desHeeren zij geloofd!” (hoofdstuk 1 vers 21). God werd daardoor verheerlijkt en satan beschaamd gemaakt. Ten aanzien van het lijden, de ziekte van Lazarus, heeft de Heer Jezus uitdrukkelijk verklaard, dat deze ziekte van Zijn vriend niet de dood tot gevolg zou hebben, maar dat God er door verheerlijkt zou worden, evenals de Zoon van God (Johannes 11 vers 4).
Ten tweede dient het aan de gelovigen gezonden of toegelaten lijden tot heil van de rechtvaardigen. Job werd er door gelouterd; de apostel Paulus kwam er door zijn “doorn” in het vlees toe om in zijn zwakheden te roemen. De beproeving heeft Job de rijkste en beste ervaringen gegeven. Toen hij geleerd en ingezien had, wat de Heere hem daardoor wilde leren, ontving hij grotere zegeningen dan voorheen.
Een wandklok wordt in beweging gehouden door het zware gewicht dat er aan bevestigd is. Wordt dat weggenomen, dan blijft het uurwerk stilstaan. Zó is het ook met de gelovigen, met de rechtvaardigen. Indien de Heere naar Zijn wijsheid en diepste kennis van ieder van Zijn kinderen, geen lijden over hen deed komen of over hen zou toelaten, hen niet bezwaarde met een ‘gewicht’, dan zou hun geestelijk leven ‘stilstaan’, worden geschaad. Het is een vaste waarheid, dat de Heere bij de Zijnen meer bereikt door het lijden, dan door voorspoed.
Twee dingen kunnen de gelovigen bekend zijn en het is gelukkig als die met het hart worden beseft. Ten eerste: “dat hun, die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede” (Romeinen 8 vers 28). Het is hier niet: ‘hen, die door God worden geliefd’, maar het ten goede meewerken hangt af van het feit of de gelovige God liefheeft. Hij, die God liefheeft, beschouwt het lijden heel anders dan de natuurlijke mens.
Ten tweede: “…God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen” (1 Korinthe 10 vers 13).
Zolang het bewustzijn van de liefde van God in het hart gevonden wordt, is de gelovige veilig en zal hij niet alleen niets ongerijmds aan God toe schrijven, maar ook ervaren dat het lijden een bron van ware geestelijke zegening wordt.
HOOFDSTUK 1
In deze verzen zien wij allereerst wie Job is: een oprechte, vrome, Godvrezende man, die afwijkt van en geen gehoor geeft aan het kwade. Vervolgens wat Job bezit: veel vee, veel slaven en een groot gezin. Daarna wat Job doet: hij offert nauwgezet voor zijn kinderen, telkens als hij denkt, dat dezen tegen God hebben gezondigd, hoewel hij daarvan niet zekerwas.
Het is goed voor het verstaan van het Boek Job, dat wij al direct bij het begin van de beschouwing van dit Boek, ons een juiste Schriftuurlijke voorstelling van Job vormen.
Dat Job ook voor zichzelf offerde lezen wij niet. Hieruit ontdekken wij al direct, maar dat blijkt nog meer uit Jobs latere woorden, dat Job, ook al was hij werkelijk Godvrezend, zichzelf niet kende en een groot vertrouwen had in zijn eigen gerechtigheid. Dat vertrouwen op het ‘eigen ik’ heeft God moeten verbreken. Job moest tot de erkenning worden gebracht van eigen verdorvenheid. Gelukkig dat hij hiertoe gekomen is, al heeft het lang geduurd voor hij zo ver kwam dat hij zichzelf verfoeide en berouw toonde (hoofdstuk 42 vers 5 en 6).
Job was zeker een oprechte gelovige in God, een levend gemaakte ziel, een wedergeboren mens. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Het getuigenis over hem in het eerste vers wordt later verschillende keren door de Heere Zelf bevestigd. Maar hoewel Job dit was, had hij zichzelf nog nooit goed leren kennen, stond hij vreemd tegenover zijn toestand als natuurlijke mens, als afstammeling van een in de zonde gevallen Adam. De Schriftuurlijke gedachte: “Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont” (Romeinen 7 vers 18), was niet door Job doorleefd.
Als bewijs hiervoor hoeven wij maarhoofdstuk 29 te lezen, waarin Job klaagt over het voorbijgegane licht en de verdwenen grootheid van de vorige jaren. Het laat ons zien, welk een diepe wortel van zelfbehagen er in het hart van de Godvrezende Job aanwezig was en hoe dit welbehagen werd gevoed door de zegeningen, die de Heere over hem had uitgestort. Tevergeefs zoeken wij