De God van alle genade
“De God nu van alle genade, Die u heeft geroepen tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus <Jezus>, Hij zal u, nadat u een korte tijd geleden hebt, volmaken, bevestigen, versterken, grondvesten. Hem zij <de heerlijkheid en> de kracht tot in <alle> eeuwigheid! Amen” (1 Petrus 5:10-11).
Hebben wij wel een juist begrip van de genade? Het schijnt voor het menselijk hart bijzonder moeilijk te zijn om te geloven, dat God genadig is. Van nature zijn we meer geneigd te denken, dat God hard is; zoals de man, die in de gelijkenis tot zijn meester zegt: “Heer, ik wist van u dat u een hard mens bent, die maait waar u niet hebt gezaaid” (Mattheüs 25:24).
Genade is niet een door de vingers zien van het kwaad. Integendeel! De genade beschouwt de zonde als iets vreselijks. Wanneer het in de macht van een mens stond, zijn wegen vol ongerechtigheid en zonde te bedekken en zich dermate te verbeteren dat hij voor God kon bestaan, dan zou hij geen genade nodig hebben. Maar juist het feit dat God genadig is, maakt duidelijk dat de zonde zo slecht is. De toestand van de mens, van de zondaar, is algeheel verdorven en zonder enige hoop. Daarom kan hier alleen onvoorwaardelijke genade tussenbeide komen en hulp schenken in overeenstemming met de behoeften van de mens.
We moeten leren inzien wat God voor ons is; echter niet door middel van onze eigen gedachten, maar door middel van de openbaring die God Zelf ons heeft gegeven. Welnu, God heeft Zich aan ons willen openbaren, en wel als de God van alle genade. Zodra ik erken dat ik een zondig mens ben, en dat God Zich juist om die reden tot mij heeft gewend, terwijl Hij de volle omvang en de volkomen hatelijkheid van mijn zonde kende, leer ik ook begrijpen wat genade is. Door het geloof belijd ik dan, dat God groter is dan mijn zonde, maar niet dat mijn zonde groter is dan God! En die God, Die ik zó mocht leren kennen in Zijn Zoon, Die Zijn leven voor mij heeft overgegeven, is Dezelfde met Wie ik elke dag van doen heb. Al Zijn daden en heel Zijn leiding zijn gegrond op de genade. Het grote geheim van geestelijke groei ligt in het zien op de Heer Jezus, Die een genadig Heiland is. Hoe kostbaar en versterkend is het te weten, dat de Heer Jezus mij op dit ogenblik even liefheeft, als toen Hij aan het kruis voor mij stierf!
Deze waarheid dient door ons te worden toegepast in de allergewoonste omstandigheden van ons dagelijkse leven. Stel dat ik slecht gehumeurd ben en dat ik mijn slechte humeur geen meester kan worden, wat heb ik dan te doen? Wel, dan moet ik ermee naar de Heer Jezus! Want van Hem gaat kracht uit voor alles wat wij nodig hebben. In het geloof moet ik handelen tegenover alle verzoekingen. Iedere inspanning in eigen kracht is vergeefs. De bron van de ware kracht is de Heer Zelf, Die genadig is. Altijd weer wil de natuurlijke mens iets anders stellen in de plaats van de Heer Jezus, Die toch de enige Bron van kracht en zegen is.
Nóg een voorbeeld ter verduidelijking: neem aan dat onze ziel de gemeenschap met Hem verloren heeft. Is het natuurlijke hart nu niet onmiddellijk bereid om te redeneren:
“Vóórdat ik tot Christus mag komen, moet alles in orde zijn?” Maar het is juist andersom! Hij is genadig. En in dit bewustzijn moeten wij onmiddellijk, zoals wij zijn, tot Hem terugkeren en ons voor Hem verootmoedigen. Slechts in Hem en van Hem ontvangen wij dat wat onze zielen kan herstellen. Ootmoed in Zijn tegenwoordigheid is de enig ware ootmoed! Als we in Zijn tegenwoordigheid komen juist zoals we zijn, zal Hij ons genade schenken, niets dan genade.
Niet wat wij over en van onszelf denken, schenkt ons blijvend rust. Dat doet de Heer Jezus alleen! Het geloof zal dan ook nooit datgene wat in óns is, als grondslag van de rust beschouwen. Het aanvaardt datgene wat God geopenbaard heeft en wat Hij over Zijn Zoon denkt, in Wie Hij Zelf rust; het geloof waardeert dit en neemt het aan.
Wanneer we de Heer Jezus werkelijk kennen als onze kostbaarste schat; wanneer ons oog en hart op Hem zijn gericht, dan zullen we daardoor het meest bewaard worden voor een ons bezighouden met de ijdelheid en zonde rondom ons. Dat zal ons ook de kracht geven tegen de zonde en de verdorvenheid van het eigen hart. Al wat ik in mijzelf ontdek wat niet van Christus is, is zonde. Maar niet het nadenken daarover – over mijn eigen verdorvenheid en zonde – en niet het bezig zijn daarmee verootmoedigt mij in het stof voor Gods aangezicht, maar het zien op de Heer Jezus en het nadenken over Hem, in Wie ik al de voortreffelijkheid aanschouw, die in Hem is. Het is zo goed, wanneer ik met mijzelf heb afgerekend en mij met Hem bezighoud. We hebben onszelf en onze zonden te vergeten, ja alles, wat van onszelf is – maar nooit, geen enkel ogenblik, onze Heer Jezus Christus!
Niets valt onze harten zo zwaar, als het bewust vasthouden aan de genade en het voortdurend praktisch bewustzijn dat we niet onder de wet, maar onder de genade zijn. Dat het hart “gesterkt wordt door genade”, weten we (Hebreeën 13:9). Desondanks is er niets dat ons moeilijker valt, dan de volheid van die genade aan te grijpen; van die “genade waarin wij staan”, om dan in de kracht en het bewustzijn van deze genade te wandelen. Alleen in de tegenwoordigheid van God kunnen we haar erkennen, en het is ons heerlijk voorrecht daar te verkeren. Zodra we ons echter uit die tegenwoordigheid verwijderen, zullen eigen gedachten (en het maakt niet uit welke) zich bij ons doen gelden, en deze eigen gedachten bereiken nooit de hoogte van Gods gedachten over ons, en evenmin de hoogte van Gods genade.
Alles, waarop wij beweren recht te hebben, waarop we enige aanspraak laten gelden, kan onmogelijk reine, vrije genade van God zijn!
Slechts wanneer wij met Hem in gemeenschap zijn, zijn we in staat alles te meten met de maatstaf van Zijn genade. Als wij bewust in Gods tegenwoordigheid verblijven, kan niets (wat het ook mag zijn) ons verschrikken, zelfs niet de treurige toestand van de Christenheid, waarvan wij deel uitmaken. Want dan rekenen wij op God. Dan geven alle dingen er aanleiding toe dat Gods genade werkzaam kan zijn.
De eenvoudigst mogelijke gedachten te hebben over de genade, is de ware bron van onze kracht als Christenen; en het bewust verblijven in de genade en in de tegenwoordigheid van God is het geheim van alle heiligheid, van alle vrede en van de rust van de Geest.
“De genade van God” is zó onbegrensd en zó volkomen, dat wij, wanneer we ook maar een ogenblik uit Gods tegenwoordigheid weggaan, niet het volledig bewustzijn hebben van wat die genade voor ons is, noch de kracht bezitten om haar aan te grijpen. Als wij proberen de genade buiten de tegenwoordigheid van God te vinden, dan veranderen we haar in losbandigheid. In haar ware wezen kent de genade paal noch perk! Ook al zijn we wat we zijn – en we kunnen niet slechter zijn dan we zijn –, God is tegenover ons slechts liefde! Onze vreugde en onze vrede hangen niet af van wat wij voor God zijn, maar wel van wat Hij voor ons is … Welnu, dat is genade!
De genade gaat uit van de gedachte dat de zonde in ons is, dat wil zeggen ze houdt wel degelijk rekening met de aanwezigheid, met het bestaan van het kwade in ons; ze veronderstelt dat dit kwade in ons aanwezig is. Maar de genade is ook het gezegende bewijs, dat al het boze en al die zonde in ons weggedaan zijn door de Heer Jezus.
Eén enkele zonde is in de ogen van God vreselijker dan duizend zonden — wat zeg ik? — dan al de zonden van de hele wereld in onze ogen!
Ondanks dat God volmaakt weet wat wij in Zijn ogen zijn, is alles wat Hij voor ons wilde zijn: liefde, niets dan liefde!
In Romeinen 7 wordt ons de toestand beschreven van een aan zichzelf ontdekt mens; en wel van iemand die zélf het middelpunt is van al zijn gedachten. Daar vinden we een ziel die nét voor de genade stopt. Ze ziet niet dat God liefde, louter liefde voor de zondaar is, hoe verdorven hij ook is. In plaats van op God te zien, is voor deze mens alles slechts: “ik…, ik…, ik…”. Hij ziet op zichzelf, maar de genade laat juist zien op God en hoe God Zich in genade geopenbaard heeft. En – zo zou ik willen vragen — ben ik zelf of is mijn toestand wel ooit het voorwerp van het geloof? Nooit! Het geloof houdt zich niet bezig met wat er in mijn hart is, maar wel met Gods openbaring in genade! De genade staat in betrekking tot dat wat God is, en niet tot dat wat wij zijn; slechts met deze éne uitzondering, dat de grootte van onze zondenschuld juist de grootheid van Gods genade des te heerlijker aan het licht brengt. Wij moeten ook niet vergeten, wat het eigenlijke doel en de vereiste werkzaamheid van de genade is. De genade moet onze zielen in gemeenschap met God brengen. Ze moet ons daarvoor heiligen. De ziel moet daarheen geleid worden: God te kennen en lief te hebben. Vandaar dan ook, dat de kennis van de genade de enig ware bron van heiligmaking is.
De grootste overwinning heeft Gods genade gekend, toen de Heer Jezus door de vijandschap van de mens werd verworpen, en de liefde van God juist daardoor de behoudenis bewerkte. Ja, bewerkte dat Christus verzoening aanbracht voor de zonde van hen die Hem verworpen hadden! Tegenover de vreselijkste openbaring van de zonde van de mens aanschouwt het geloof de meest wonderbare ontvouwing van de Goddelijke genade … O, wat een genade!
Hoe ver ben ik van de genade van God verwijderd, wanneer ik ook maar de geringste twijfel aan Gods liefde in mijn hart toelaat; als ik redeneer: “Ik ben ongelukkig, omdat ik niet ben wat ik graag zou willen zijn”. Maar daarom gaat het in het geheel niet. De grote vraag is of God is zoals ik het nodig heb dat Hij is; en of de Heer Jezus alles is wat wij maar wensen kunnen, dat Hij zou zijn. Als het bewustzijn van wat wij zijn of van wat wij in onszelf vinden (hoewel het reden is ons te verootmoedigen), een andere uitwerking heeft dan dat onze aanbidding van wat en Wie God is er groter door wordt, dan hebben we de bodem van de loutere genade al verlaten …
Wanneer u gedachten hebt die u kwellen, of er wantrouwen in uw hart is, denk dan eens goed na of de oorzaak daarvan niet is dat u Gods genade uit het oog bent verloren en u het steeds maar weer uitroept: “ik…, ik…, ik…”.
Het is inderdaad beter te overdenken wat God is, dan erover na te denken wat wij zijn. Dat zien op onszelf is in de grond van de zaak hoogmoed, want het ontbreekt ons dan aan het duidelijke bewustzijn dat wij tot niets goeds in staat zijn. Zolang wij dat niet hebben erkend, zullen we ook niet geheel en al afzien van onszelf en op God zien. Zien wij echter op Christus, dan is het ons voorrecht om onszelf te vergeten.
Ware ootmoed bestaat namelijk niet zozeer daarin dat wij slecht van onszelf denken, als wel daarin dat wij helemaal niet aan onszelf denken. Ik ben in mijzelf zó slecht, dat ik het niet eens waard ben dat ik aan mijzelf denk.
Wat wij nodig hebben is onszelf totaal te vergeten en het oog op God te richten. Hij is het werkelijk waard dat al onze gedachten alleen op Hem zijn gericht. En als het dan óók nodig is dat we verootmoedigd worden, welnu, laten wij er dan zeker van zijn, dat het zich bezighouden met God juist de diepste en de grondigste verootmoediging bewerkt.
Geliefden! Wanneer wij kunnen zeggen, zoals het in Romeinen 7 staat: “Ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont” (vers 18), dan hebben we lang genoeg over onszelf nagedacht. Laten we dan liever aan Hem denken, Die gedachten ten goede en niet ten kwade over ons had, al lang voordat wij ook maar aan onszelf kónden denken! Laten we overdenken wat Gods gedachten in genade over ons zijn en dan de woorden van het geloof in ons hart vastleggen: “Als God vóór ons is, wie zou tegen ons zijn?” (Romeinen 8:31).
J.N. Darby
Lof, prijs, aanbidding zij alom
U toegebracht in ’t heiligdom,
gezegend God en Vader.
U gaf ons van Uw hemeltroon
Uw eigen, veelgeliefde Zoon,
eerbiedig treên we U nader.
O, God bekleed met majesteit,
hoe groot is Uw barmhartigheid;
U schonk ons eeuwig leven.
U ziet ons thans in Christus aan,
hebt ons met goedheid overlaân.
U willen we ere geven.
(Lied 161:1 uit ‘Geestelijke Liederen / Lofzangen en Geestelijke Liederen’)