De Gemeente die in de Naam van de Heer gezag uitoefent
1. De sfeer van het gemeentelijke gezag
De Gemeente als geheel moet zorg dragen voor de verhoudingen tussen de enkelingen. Volgens Mattheüs 18 is de Gemeente de hoogste instantie op aarde tot wie een broeder zijn toevlucht kan nemen als hij door een andere broeder is gekwetst. Die Gemeente kan niet onverschillig zijn ten aanzien van de goede harmonie tussen leden van Christus’ lichaam. De apostel wilde over de gelovigen in Filippi graag horen dat ze vaststonden in één geest, en dat ze één van hart meestreden. Hij zou een ‘volmaakte blijdschap’ hebben als ze eensgezind waren, één van bedoeling en met dezelfde liefde. En om Euodia en Syntyché te smeken eensgezind te zijn in de Heer, maakt hij gebruik van de brief die hij aan de hele gemeente schrijft.
Bovendien moet de Gemeente het praktische leven kennen van ieder die deel uitmaakt van het gemeenschappelijk getuigenis. Ze vormt de kring waarin zij in vrede moeten opgroeien en vrucht dragen. Dat moet gebeuren in de blijdschap van een broederlijke gemeenschap. Maar we weten: dat is heel erg broos en kwetsbaar. Het is nodig om voortdurend aan het herstel ervan te werken. Broederlijk vertrouwen en onderlinge zorg, onder het gezag van de Heer en de onderwerping aan Zijn Woord gaan hand in hand.
Het toelaten van iemand tot het Lichaam van Christus is beslist niet het werk van de Gemeente, in tegenstelling tot wat sommige kerken beweren. Men wordt lid van dit Lichaam door de wedergeboorte. Dat is dus uitdrukkelijk Gods werk, en gebeurt door Zijn Woord en Geest.
En de Gemeente heeft net zomin een taak als het gaat om de doop. We vinden nergens in de Bijbel dat er iemand gedoopt wordt door de Gemeente of in naam van de Gemeente, maar wel door de dienstknechten van de Heer in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
De Gemeente heeft echter het voorrecht te erkennen en te ontvangen hen die door Christus zijn ontvangen, tot heerlijkheid van God (Romeinen 15:7). Ze ontvangt hen aan de Tafel van de Heer, waar de eenheid van het Lichaam wordt uitgedrukt. Dit laatste kunnen we niet te veel herhalen.
Maar de Gemeente heeft tegelijk (zoals we al gezien hebben, maar het is nodig erop terug te komen) wél de verantwoordelijkheid de heiligheid van deze Tafel en de reinheid van het Huis van God te bewaren. En dit zowel voor de heerlijkheid van de Heer, als voor het geestelijk welzijn van de Zijnen. Er is een orde die bewaard moet worden. De zorg daarvoor hoort tot de taak van de Gemeente. Ze moet beslissingen nemen in overeenstemming met de woorden van de Heer Jezus: ‘Voorwaar, Ik zeg u: alles wat u zult binden op de aarde, zal gebonden zijn in [de] hemel; en alles wat u zult ontbinden op de aarde, zal in [de] hemel ontbonden zijn’ (Mattheüs 18:18).
Dit geestelijke beheer of bestuur rust op de hele plaatselijke gemeente. Of beter gezegd, gezien de huidige situatie: deze verantwoordelijkheid rust op de weinige gelovigen die aan de normen van Gods hele Gemeente willen beantwoorden.
Zij die door de Heilige Geest als opzieners zijn gesteld en in meer algemene zin allen die de belangen van Christus in de Gemeente op hun hart dragen, zullen die verantwoordelijkheid ongetwijfeld met een bijzondere toewijding willen dragen. In overeenstemming met de onveranderlijke orde van Gods Woord nemen gerijpte broeders bij dit geestelijke bestuur (door middel van ‘broedervergaderingen’) een eerste verantwoording in die door jongeren en zusters niet kan worden gedragen. Maar de uiteindelijke beslissingen kunnen alleen in de naam van de hele Gemeente genomen worden, dus door de broeders en zusters samen, dus als allen het betreffende geval voor de Heer hebben overwogen.
Het gaat bij dit alles niet om een technische kwestie van een manier van doen of om voorschriften. Het allerbelangrijkste is dat het geweten van de Gemeente voortdurend voor het aangezicht van de Heer geoefend wordt, met als doel dat alles in overeenstemming met Hem en voor Hem gedaan wordt, in de volkomen vrijheid van de Geest.
2. Toelating aan de Tafel van de Heer
Alleen de bezorgdheid voor de eer en heerlijkheid van de Heer moet de toelating van iemand aan de Tafel van de Heer beheersen. Men erkent iemand als een kind van God, wat niet alleen door zijn woorden bewezen wordt. Hij ‘belijdt met zijn mond Jezus als Heer’ en gelooft ‘met zijn hart dat God Hem uit de doden heeft opgewekt’ (Romeinen 10:9), maar dat blijkt ook in zijn hele levenshouding. We mogen nooit een soort praktische volmaaktheid eisen, maar wel een onberispelijke levenswandel waarbij die persoon leeft in zelfoordeel. In praktische zin dus een eerbare wandel die vrij is van immoraliteit (zie bijvoorbeeld 1 Korinthe 5), terwijl men op geen enkele manier leringen aanhangt die de Persoon van Christus aantasten (2 Johannes 9-10). Evenmin mag degene die wil deelnemen met zulke immoraliteit, valse leringen of ongerechtigheid verbonden zijn (zie 2 Timotheüs 2:19 en volgende verzen).
Dit is niet een kwestie van meer of minder kennis of nauwkeurig besef van de leer. Het is ook geen examen dat we iemand laten afleggen. Maar de Gemeente moet de zekerheid hebben dat de nieuwkomer gezond is in zijn of haar geloof, en dat zijn of haar leven in overeenstemming is met de geloofswaarheid.
Het hoeft nauwelijks gezegd te worden dat de noodzaak toeneemt om waakzaam te zijn bij het toelaten tot de Tafel van de Heer, nu er hoe langer hoe meer valse leringen in de Christenheid gevonden worden. Laten gelovigen die hun broeders bespotten door hen ‘bekrompen’ en ‘gesloten’ te noemen, er wel aan denken dat deze broeders en zusters de deur niet voor alle soort van kwaad willen openen. Waarom niet? Alleen vanwege hun absolute overtuiging de rechten van hun Meester te moeten verdedigen. En helaas hebben ze maar al te vaak niet voldoende op die rechten gelet!
3. De tucht
De tucht van de Gemeente ten opzichte van ‘hen die binnen zijn’, zoals de apostel het noemt, is net zo goed onmisbaar (1 Korinthe 5:12). Die bestaat uit het raadgeven, waarschuwen en vermanen als het nodig is, voordat men in sommige gevallen (waar het een treurige plicht is) zover komt dat men moet ‘oordelen’ (1 Korinthe 5:12). Een gelovige die het essentiële zelfoordelen niet toepast en langzamerhand van de weg afdwaalt, loopt het gevaar een diepe val te maken die niet alleen zijn eigen getuigenis zal bezoedelen maar ook dat van de hele Gemeente.
In dat geval moet de broederlijke liefde vrij werken om zo iemand ‘terug te brengen’. Hij zal dan een ‘menigte van zonden’ bedekken (Jakobus 5:19-20; 1 Petrus 4:8; Galaten 6:1; 2 Thessalonika 3:14-15, enzovoort). Een nederige geest die door de tekortkomingen bedroefd wordt, en de voetwassing waarvan de Heer Jezus ons een voorbeeld heeft gelaten … dat zal in de meeste gevallen meer doen dan ernstig met woorden vermanen. Moge God ons meer herders geven die zowel wijsheid als geestelijke kracht bezitten om tucht te kunnen uitoefenen. Herders die ten aanzien van het kwaad niet toegeeflijk zijn, maar tegelijk zachtmoedig en barmhartig zijn tegenover een gelovige die tekortschiet.
Maar het is de Gemeente, en niet alleen een broeder persoonlijk, die de plicht heeft zich bezig te houden met hen ‘die ongeregeld wandelen’. Dat kan ze alleen op een gezonde manier doen als ze er verdriet van heeft (1 Korinthe 5), zich vernedert en de zonde van één van haar leden tot haar eigen zonde maakt, in plaats van zich zakelijk en koud op te werpen als handhaafster van het recht.
Heeft de tucht geen uitwerking en openbaart zich het karakter van een ‘boze’, dan moet de Gemeente de boze uit haar midden weg doen, want ‘God oordeelt’ (1 Korinthe 5:13) hem die zich niet heeft laten terugbrengen. Door ‘de boze uit haar midden weg te doen’ reinigt ze zichzelf in vernedering en verdriet. Tegenover een gelovige die zo van haar wordt afgescheiden, heeft ze gehandeld met het oog op zijn herstel; ten opzichte van haarzelf oordeelt zij zich voor het aangezicht van de Heer. Net zoals Nehemia eens zei dat ‘wij’ gezondigd hebben en ‘wij’ verkeerd en boos hebben gehandeld.
4. De algemene waarde van de beslissingen die de Gemeente neemt
De beslissingen die door de Gemeente in de tegenwoordigheid van de Heer zijn genomen, worden door Zijn gezag gekenmerkt. Daarom heeft alles wat in een plaatselijke gemeente is beslist waarde voor de hele Gemeente over de hele aarde. Met andere woorden: voor alle plaatselijke gemeenten. Vandaar ook het gebruik van aanbevelingsbrieven waardoor een plaatselijke gemeente er zeker van is dat een nieuwkomer die ze niet kent, wel in gemeenschap is in een andere plaats. De gelovige die in gemeenschap is, is er door zo’n brief zeker van dat hij wordt ontvangen waar hij ook komt (Romeinen 16:1; 2 Korinthe 3:1).
André Gibert