De gemeente die bidt

Bij het in praktijk brengen van deze gemeenschappelijke functies vormen de gemeentelijke samenkomsten tot gebed en tot aanbidding de kern. Wanneer de Gemeente tot God spreekt of Hem iets vraagt (de bidstond) of Hem iets brengt (de eredienst), staan alle broeders op dezelfde lijn en hebben hetzelfde recht, namelijk dat van priesters. Hun priesterschap is – zowel voor de bidstond als voor de eredienst – verbonden aan dat van de verheerlijkte Christus. Iedere broeder kan bidden, een lied opgeven dat iedereen zingt, dankzeggingen uitspreken namens allen. Als het maar gebeurt in afhankelijkheid van de Geest, Die in de Gemeente werkt. Iemand die zijn mond opent, is dan de mond van de gemeente.

Gebeden en dankzeggingen namens de gemeente hebben zeker in alle samenkomsten plaats. Maar de orde die past bij Gods huis houdt in dat sommige samenkomsten bijzonder bestemd zijn voor het gebed en andere om God eer toe te brengen.

Mattheüs 18 verbindt aan het gemeenschappelijk gebed de belofte van de tegenwoordigheid van Jezus verbonden wordt. Daardoor heeft het zo’n waarde. Men kan zich dan ook geen plaatselijke gemeente voorstellen zonder bidstonden of zonder dat de gelovigen persoonlijk bidden. Het zou betekenen dat men weigerde bij de bron te komen. En we kunnen niet genoeg herhalen hoe rampzalig het is dat de samenkomsten tot gebed niet méér en trouwer bezocht worden. En eveneens dat op heel veel plaatsen het merendeel van de broeders en zusters verschijnt zonder er belangstelling voor te tonen, terwijl men de praktische uitvoering ervan (het bidden) ervan aan enkele broeders overlaat.

En het is – helaas – ook maar al te vaak waar dat zij die eraan deelnemen het karakter van deze samenkomsten zo vervalsen dat het gevaar aanwezig is dat mensen erdoor worden tegengehouden in plaats van te worden aangetrokken. We verliezen veel meer dan we denken, als we het gemeenschappelijk gebed terugbrengen tot vage herhalingen of als we eindeloos en overvloedig allerlei geijkte bewoordingen gebruiken; als we graag in de gebeden leerstellingen uiteenzetten, terwijl we God de waarheden van het Woord in herinnering brengen alsof we Hem daarin willen onderwijzen. Vermoeiende gebeden zonder eind, zelfs als ze oprecht zijn, beletten jonge en terughoudende broeders om ook hardop te bidden. Want of men laat hun geen tijd meer of de overvloed van woorden in de andere gebeden zal hen ontmoedigen omdat zij zich niet in staat zien om zulke lange gebeden na te doen. Laten we langer bidden in onze persoonlijke gebeden en korter in de samenkomst! Over dit onderwerp is al zoveel gezegd, maar het schijnt dat we (omdat we in sleur vervallen) het telkens weer vergeten als we in de bidstond neerknielen. Hoe worden we opgefrist als de behoeften die écht op onze harten drukken op een juiste manier – dus kort en vurig – tot uitdrukking worden gebracht!

In werkelijkheid laat de samenkomst tot gebed zich niet improviseren. Daarvoor zijn voorbereide harten nodig! Het is goed om van te voren te overdenken wat men wil vragen. Ja, er is nog meer nodig: een dagelijks leven met de Heer, liefde voor Hem en de Zijnen, en het onderscheidingsvermogen dat alleen verkregen wordt door een voortdurende oefening (Hebr. 5:14). Aan de andere kant houdt zo’n samenkomst overeenstemming tussen broeders in (Matth. 18:19). Zou de bidstond daarom niet juist de gelegenheid moeten zijn waar alles wat in dit opzicht nog niet in orde is geregeld moet worden?

Maar boven alles is de vrije werking van de Heilige Geest nodig. ‘Biddend in de Heilige Geest’, zegt Judas (vers 20; zie ook Ef. 6 :16). Hij is niet alleen de hulp bij onze zwakheden, maar Hij leert ons ook bidden zoals het hoort en geeft vrijmoedigheid om dat in de Naam van de Heer Jezus te doen.

Onverschilligheid ten opzichte van de bidstonden én het veranderen van het karakter ervan zijn wel de meest opvallende bewijzen van verval. Zijn de armoedige samenkomsten tot gebed, of de samenkomsten waar lange gebeden op een kunstmatige manier worden opgeblazen, iets anders dan het bewijs dat er weinig of geen geestelijk leven meer is?

Maar het dient nergens toe om stil te staan bij het klagen over wat niet in orde is. Veel beter is het om ons onderling aan te sporen het zo eenvoudige en zo doelmatige medicijn weer te vinden: ‘Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat we barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden tot tijdige hulp’ (Hebr. 4:16). Wie van ons kan God niet danken, omdat hij in moeilijke ogenblikken de krachtigste bemoediging heeft gevonden in een bidstond? In de ogen van de mensen was het een niets betekenende, misschien wel een verachtelijke samenkomst. En in de ogen van God een bijeenkomen dat was gekenmerkt door al onze zwakheden. Maar het was toch een plaats waar Zijn genade ons Zijn vrede heeft laten ervaren (Fil. 4:7). Want: ‘Hij is getrouw’.

André Gibert