De gebeden van de heiligen
‘En toen Het dat boek had genomen, vielen de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten vóór het Lam neer; zij hadden elk een harp en gouden schalen vol reukwerken, welke zijn de gebeden van de heiligen’ (Openbaring 5:8).
Deze laatste zinsnede is wel heel bijzonder, omdat ze verbonden is met de genade van God. Er zijn dingen waarvoor Zijn volk lijden ondergaat, dingen die Hij nooit vergeet. Al de gebeden van de heiligen worden als een schat voor God weggelegd. Hun tranen worden in Zijn fles gelegd en daar bewaard (Psalm 56:9). Wat? De smarten die ik vergeten ben, heeft God die vastgelegd in Zijn register? Is dat één van de dingen die zullen schitteren? Hij kan alles gebruiken tot Zijn heerlijkheid, maar kunnen ook de gebeden en verzuchtingen van een heilige bewaard worden en een speciale plaats hebben? Kunnen ze een aangename reuk voor God zijn?
De zondaar weet niets van dit alles, maar een arme verbroken gelovige kan zeggen: ‘God denkt niet alleen aan mijn gebeden, maar Hij plaatst ze ook voor Zijn eigen troon, net zoals de kruik met manna, waarvan Hij wilde dat ze ter bewaring vóór Zijn aangezicht gezet zou worden, daar stond als een herinneringsteken van de weg, die Hij met Zijn volk door de woestijn gegaan was’. En zo zullen de gebeden van de heiligen daar spreken van hun bijzondere behoefte aan de aanwezigheid van God hier op aarde.
‘Gouden schalen’. Het goud stelt het Goddelijk karakter voor waardoor de gebeden bewaard worden. Het reukwerk verspreidt zijn aangename geur. Deze geur is altijd hetzelfde. Wordt dat gezegd van de gebeden van de heiligen? Jazeker! Niet één van hun gebeden gaat verloren. De Heer Jezus kent ze allemaal. Ze zijn altijd voor Gods aangezicht.
G.V. Wigram.