De bron van Bethlehem
2 Samuel 23:15-17
‘David kreeg dorst en zei: Wie geeft mij water te drinken uit de bron van Bethlehem, die bij de poort ligt?’ Aan dit verlangen van David werd dadelijk voldaan door drie helden van de dappere menigte die hem in de grot van Adullam omringde. ‘Toen baanden die drie helden zich een weg door het kamp van de Filistijnen en putten water uit de bron van Bethlehem, die bij de poort ligt, droegen het mee en kwamen bij David’.
David had geen bevel daartoe gegeven. Het was eenvoudig een wens van zijn hart geweest, die hij geuit had, maar hierdoor werd hun de gelegenheid gegeven hun genegenheid en liefde voor hem te tonen. Als aan iemand een bepaald bevel gegeven zou zijn, dan zou er gelegenheid geweest zijn blinde gehoorzaamheid te tonen. Nu er slechts een verlangen te kennen was gegeven, werd hun grote liefde voor David openbaar.
Deze drie helden zullen er zeker niet aan gedacht hebben dat hun daad van innige verknochtheid en liefde in Gods Woord opgetekend zou worden, om door miljoenen gelezen te worden. Hun harten waren met David bezig en zij achtten hun leven niet te dierbaar om hem te verblijden en zijn geest te verkwikken. Hadden zij gehandeld om zich een naam of een plaats te verwerven, dan zou hun daad van alle lieflijkheid beroofd zijn geweest. Maar zo was het niet; zij hadden David lief. Dát was de bron van hun handelen. Zij bewezen dat hij voor hun hart dierbaarder was dan hun eigen leven. Zij vergaten alles in het ene voorwerp dat hen geheel en al bezighield, namelijk David te dienen. De welriekende reuk van hun offerande steeg tot de troon van God omhoog, terwijl de mededeling van hun liefdedaad een plaats in de Bijbel gevonden heeft, om daar zo lang te schitteren als dit Boek bestaan zal.
Werd zo’n gezindheid voor de ware David bij ons toch maar meer gevonden! Wij hebben behoefte aan meer toewijding als vrucht van de liefde van Christus. Er is daarbij volstrekt geen sprake van een beloning, een kroon of eer, hoewel wij er ten volle van overtuigd zijn dat wij loon zullen ontvangen. Als ons oog op het loon gevestigd zou zijn, dan zijn onze motieven niet juist. Een dienst die alleen met het oog op de beloning bewezen wordt, kan slechts zeer gebrekkig zijn. Wij moeten ons met de Heer en met Zijn liefde bezighouden, dan zal die liefde ons dringen om Hem te dienen en voor Hem te leven. De Heer Jezus, Zijn Persoon, moet de eerste en voornaamste plaats in ons hart innemen, dan zullen de goede werken vanzelf volgen. Zij zijn dan een vrucht van de liefde van God, die door de Heilige Geest in ons hart is uitgestort.
Laten wij ons toch geheel ten dienste van de Heer stellen en ons geheel en al, met alles wat wij zijn en hebben, aan Hem overgeven!
Schrijver onbekend.