De afgezonderde onder zijn broeders
De zegeningen zullen zijn op het hoofd van Jozef, ja, op de schedel
van de gewijde onder zijn broers.
Genesis 49:26
Niet alleen in de zegen van Jakob werd Jozef als de afgezonderde of gewijde onder zijn broers getypeerd. Ook Mozes herhaalt deze beschrijving in zijn zegen (Deuteronomium 33:16). Dat doet ons aan onze Verlosser denken. Hoezeer was de Heer Jezus toegewijd aan God, toen Hij hier leefde!
De aarde, die Hij als Mens geworden Zoon van God betrad, was vol geweld en zonde. Daar verscheen Hij, als de Reine en Heilige. Hij was en bleef volkomen gescheiden van de zonde. Hij kende geen zonde, deed geen zonde en er was geen zonde in Hem. Zo heeft Hij onder zondige mensen geleefd, met hen gesproken en met hen gegeten.
Maar nooit hebben de kwade handelingen van Zijn schepselen een negatieve invloed op Hem gehad. Hij vervulde wat in het spijsoffer figuurlijk werd uitgebeeld: meelbloem (Zijn volkomen mensheid), gemengd met olie (Zijn goddelijke natuur). Een Bijbeluitlegger beschreef dit als volgt: ‘Zijn genade bracht Hem heel dichtbij ons in al onze nood, maar Zijn heiligheid hield Hem volledig gescheiden van al onze zonden. Hij was de hemelse Vreemdeling op deze aarde’.
En toch heeft de Heer Jezus eronder geleden de gevolgen van de zonde te moeten zien. Hij had waargenomen dat Zijn medemensen zulke grote zondaren waren, en getuigde daarvan. Hij zei van de wereld: ‘Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig dat haar werken boos zijn’ (Johannes 7:7). In het gebed tot Zijn Vader in Johannes 17 zien we, hoe Hij ook met Hem over de wereld en haar haat heeft gepraat. Hij nam alles waar, maar bleef rein.