De adelaar en zijn jongen
Zoals een arend zijn nest opwekt, boven zijn jongen zweeft, zijn vleugels uitspreidt, ze pakt en ze draagt op zijn vlerken, zo heeft alleen de HEERE hem geleid.
Deuteronomium 32:11,12
Deze indrukwekkende beschrijving uit de dierenwereld komt uit het lied van Mozes, dat hij kort voor zijn dood maakte. De adelaar, die een goed en aangenaam nest voor zijn jongen maakt, merkt het moment dat deze moeten leren zelf te vliegen en hun voedsel te krijgen. Dan wekt hij zijn nest op, zoals ons vers zegt. Hij maakt het de jonge vogels zo onbehaaglijk, dat ze zich eindelijk in de lucht wagen.
Laat hij ze dan gewoon aan hun lot over? Nee. Hij zweeft boven hen en houdt hun vlucht in de gaten. En als ze moe worden en dreigen naar beneden te vallen, komt hij hun te hulp.
Dit duidelijke, begrijpelijke beeld uit de natuur neemt God om te tonen, hoe Hij met Zijn kinderen omgaat. Hij bespaart ons de moeilijke dagen, de diepe noden en beproevingen niet; Hij laat ons niet in het warme nest zitten. Integendeel: Hij laat het onaangename vaak toe opdat we leren, een stap voorwaarts te doen in het geloof. Daarbij is Zijn oog onafgebroken op ieder van Zijn geliefde kinderen gericht. Ja, Hij laat ons niet over aan de levensomstandigheden. Als we dreigen onder te gaan, neemt Hij ons op en draagt Hij ons. Is het niet aangrijpend, dit handelen van God te zien en te ervaren? Op deze manier wil Hij ons allemaal rijper in het geloof maken.
Uit: ‘Het Goede Zaad’