Christus, ons Leven

De Heer Jezus spreekt met de Vader zó dat wij het kunnen horen. Wij zijn het onderwerp van het gesprek tussen de Vader en de Zoon. Zien we welke plaats we innemen in het hart van de Vader en de Zoon? Bovendien leren we hierdoor wat de plaats is die wij gekregen hebben en hoe wij ons tegenover God mogen gedragen, hoe wij tot Hem kunnen naderen en hoe God tegenover ons staat. Hij zegt: ‘De heerlijkheid die U Mij hebt gegeven, heb Ik hun gegeven’ (vers 22). De heerlijkheid die Hij als God de Zoon van alle eeuwigheid bezat, heeft Hij ons gegeven. Alleen door het brandoffer te worden tot een welriekende reuk voor God kon Hij het doen. Dat is de wonderbare betekenis van dit offer voor ons.

Hij kon ons niet inbrengen in de Godheid. In Johannes 14:11 zegt de Heer Jezus: ‘Gelooft Mij dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is’. Dat wil zeggen: Geloof Mij dat Ik God de Zoon ben, volkomen één met God de Vader.
God kan in een mens zijn. Hij kan in een mens werken. Dat is echter geen één zijn met God. De Zoon was ook in de Vader; Hij in de Vader en de Vader in Hem. Een volkomen eenheid, zoals Kolosse 1:19 zegt: ‘Het behaagde de hele Volheid in Hem te wonen’. Kolosse 2:9 zegt: ‘In Hem woont de hele volheid van de Godheid lichamelijk’. Daarom kon Hij zeggen dat Hij volkomen één was met de Vader.

In Johannes 14:20 vinden we een wonderbaar gevolg ervan. Daar zegt de Heer Jezus: Pas in die dag (de dag wanneer de Heilige Geest op de aarde gekomen zal zijn) zult u erkennen dat Ik in Mijn Vader ben. De Heer Jezus grijpt terug op het feit (vers 11) dat Hij volkomen één met de Vader is. Hij laat erop volgen: ‘En u in Mij en Ik in u’. U in Mij – dus wij in Hem en Hij in ons. Is dat geen volkomen éénmaking? Zo’n volkomen éénmaking met Hem, als Hij volkomen één is met de Vader. Dat kon alleen omdat Hij Mens geworden is. Als God de Zoon kon Hij zich niet één maken met ons, want wij zijn schepselen. Alleen als de Mens Christus Jezus kon Hij Zich één maken met ons. Hij heeft dat gedaan toen Hij naar het kruis ging om daar in onze plaats te sterven.

Tegen die achtergrond begrijpen we veel teksten in het Woord van God. Bijvoorbeeld Efeze 1:3: ‘Gezegend met alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten in Christus Jezus’. Hoe is dat mogelijk? Hoe kunnen wij alle geestelijke zegeningen in de hemel genieten? Dat betekent dat wij deel moeten hebben aan dat wat het genot van de Zoon en de Vader is. De engelen hebben veel geestelijke zegeningen, maar niet alle geestelijke zegeningen.

Is het kindschap van God, het zoonschap geen zegening? Tot de Pinksterdag kende alleen de Zoon het Zoonschap. Hij alleen was de Zoon; Hij alleen was in het Huis van de Vader met de Vader. Hij alleen kende de Vader en Hij alleen wist hoe de Vader de Zoon liefhad. Hij had die zegening, Hij kende haar alleen. Omdat Hij ons tot zonen wilde maken is Hij naar deze aarde gekomen; daarom heeft Hij het Vaderhart geopenbaard.

In Johannes 20:17 zegt de Heer Jezus: ‘Ga heen naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en [naar] Mijn God en uw God’. Daar verklaarde Hij dus, dat Zijn discipelen en wij met hen, Zijn broeders zijn. In Romeinen 8:29 staat dat het Gods raadsbesluit was dat wij veranderd zouden worden om gelijkvormig te zijn aan het beeld van Zijn Zoon, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders. Zo heeft de Heere ons tot Zijn broeders gemaakt en tot kinderen, tot zonen van Zijn Vader.

In Johannes 17:6 zegt de Heer Jezus: ‘Vader, Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen die U Mij uit de wereld gegeven hebt’. Wij moeten weten hoe wij tot onze Vader mogen spreken, tot de Vader van de Heer Jezus, Die onze Vader geworden is, opdat wij weten hoe de verhouding is tussen ons als kinderen van deze Vader.

In het Evangelie naar Johannes wordt het woord ‘zoon’ niet op ons toegepast; dat gebeurt alleen in de Brieven van Paulus. In Johannes 17 spreekt de Heer Jezus tot de Vader zó dat wij het kunnen horen, opdat wij weten hoe wij tot de Vader mogen spreken. Eén gemaakt met Hem, de Zoon van God, zijn wij kinderen van God. God is Zijn Vader en God is mijn Vader. Als de niet geschapen hemel Zijn Vaderhuis is, waar Hij thuis is, dan is het ook mijn Vaderhuis. Ik ben één gemaakt met Hem en Hij noemt mij Zijn broeder, maar Hij is de Eerstgeborene onder vele broeders (en wij zullen Hem nooit onze broeder noemen). Wij zijn gezegend met alle geestelijke zegeningen, niets uitgezonderd. Alles wat in de eeuwige hemel is, de niet-geschapen hemel, en alles wat in de geschapen hemel is – het is allemaal voor ons; God heeft het voor ons bereid.

Efeze 1 zegt ons dat God ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen, maar God kon dat alleen op een rechtvaardige manier doen. God kan nooit handelen in tegenspraak met wat Hijzelf is. Gods liefde, Gods genade kunnen nooit iets doen wat in tegenspraak is met Zijn gerechtigheid. God moet een rechtvaardige grond hebben voor alles wat Hij doet. In Romeinen 2 wordt dat heel duidelijk bewezen. We zien hier ook dat God alleen op deze manier Zijn voornemen, Zijn raadsbesluit van liefde tot uitvoering kan brengen, doordat de Heer Jezus naar het kruis ging en daar God een rechtvaardige oorzaak gaf op grond waarvan Hij ons kon zegenen.

Ten eerste doordat de Heer Jezus alles wegnam wat een verhindering was; en dat wordt voorgesteld in het zondoffer. Doordat Hij het oordeel over onze zonden op Zich nam, kan God genadig zijn tegenover onze zonden, zoals we in 1 Johannes 2:2 lezen. Doordat Hij tot zonde gemaakt werd en God ons in Hem kon oordelen, zodat God onze boze natuur niet meer ziet, maar God ons nu in het nieuwe leven aanziet. En dat Leven is de Heer Jezus Zelf. Hij is de waarachtige God en het eeuwige Leven. Johannes 5:24: ‘Wie Mijn woord hoort en gelooft Hem Die Mij heeft gezonden, die heeft eeuwig leven en komt niet in [het] oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven’. Kolosse 3:4: ‘Christus, ons leven…’.

Nu we één gemaakt zijn met Hem, kan Hij ons deze plaats geven. De Heer Jezus heeft door het werk dat Hij volbracht heeft, alle verhinderingen voor God weggenomen. Tegelijkertijd gaf Hij God, doordat Hij Hem zo verheerlijkte, een rechtvaardige grondslag waarop God Zijn raadsbesluiten van liefde en genade kan uitvoeren. Dat zijn de raadsbesluiten die we in Efeze 1 gezien hebben en die we hier in Johannes 13 van de praktische kant bezien.

In het Evangelie naar Johannes wordt niet gesproken over vergeving van zonden. Er wordt over leven gesproken. Daarover zegt de Heer Jezus: ‘Wie <in Mij> gelooft heeft eeuwig leven’. Eeuwig leven is zonder begin en zonder eind! Alleen God, de eeuwige God, had geen begin. Dit kan dus alleen betekenen dat Hij mijn leven is (Kolosse 3). De Heer Jezus was het eeuwige leven voor Hij Mens werd (1 Johannes 1). Kan ik in een andere verhouding tot de Vader staan dan Hij, als Christus, de Zoon van God, mijn Leven is? Kan ik dan een vreemdeling zijn voor deze God? Als God de Vader is van mijn leven, is Hij dan mijn Vader niet? Ik heb het leven van de Zoon van God, nee, Hij Zélf is mijn leven. Dat is het karakter van het Evangelie naar Johannes. Wij kunnen niet anders dan deel hebben aan alles wat Hij bezit, omdat Hij ons leven is. Efeze legt ons uit dat dat gebeurt op grond van Gods raadsbesluiten.

H.L. Heijkoop