Christus als de Verworpene
Weinig dingen behoren ons in deze tegenwoordige tijd meer aan het hart te gaan dan de verwerping van Christus. Want zoals de heerlijkheid van Christus in ‘de toekomstige eeuw’ groot zal zijn, zo is Hij in ‘de tegenwoordige, boze eeuw’ de Verworpene.
We vergeten Zijn verwerping maar al te gemakkelijk; iets wat de satan, de god van deze eeuw, graag ziet. Overal probeert de mens het leven op aarde aangenaam en prettig te maken; men probeert maatschappelijke, intellectuele, morele en godsdienstige verbeteringen te bereiken. En dit alles dient uiteindelijk maar één doel: dat wij de Christus, Die niet van deze wereld is, uit het oog verliezen.
Maar het geloof aanschouwt een verworpen Christus en een wereld die onder het oordeel ligt. Het geloof weet dat het huis (de wereld), ook al is het geveegd, opgeruimd en geordend, in werkelijkheid niet van meester en eigenaar is veranderd, ja, dat het daardoor integendeel zelfs des te beter geschikt is voor het doel van de meester, de satan.
Geliefden, het is een ernstige vergissing, als wij menen deze wereld beschaving te moeten bijbrengen en haar te moeten verbeteren voor de Zoon van God!
Bij een bepaalde gelegenheid sloeg David geen acht op Gods gedachten over het dragen van de ark. Maar bij een latere gelegenheid had hij er geen besef van wat Gods gedachten waren ten aanzien van de bouw van een huis van ceders voor de ark. Hij wilde de Heer een vaste woonplaats geven, en dat in een onrein, onbesneden land! Hij maakte hierin dan ook een grote vergissing, omdat hij de ‘reinheid’ van Gods heerlijkheid niet onderkende.
Zo gaat het ook met de mensen die de Naam van de Heer Jezus Christus, de Zoon van God, verbinden met de aarde zoals ze nu is en met de koninkrijken van deze tegenwoordige, boze eeuw. Hoe oprecht hun bedoelingen ook mogen zijn, evenals ook Davids bedoelingen dat waren, toch moeten we opnieuw zeggen dat zij zich ernstig vergissen, omdat zij de heiligheid van de heerlijkheid van de Heer niet kennen.
Dit is een les die wij met meer nadruk zouden moeten leren. De Zoon van God is immers nu nog een Vreemdeling op aarde. En Hij zoekt geen aardse dingen, maar Hij zoekt een volk uit deze wereld. Immers, we lezen: ‘… hoe God in het eerst erop heeft toegezien uit [de] volken een volk aan te nemen voor Zijn Naam’ (Handelingen 15:14); een volk dat nog ‘een tijdlang vreemdeling op aarde is met Hem, te midden van alle ijdelheid en eerzucht waardoor de wereld nu voortdurend gekenmerkt wordt’.
‘U echter bent… een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem Die u uit [de] duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht’ (1 Petrus 2:9).
J.G. Bellett