Calvinisme en arminianisme: de gevaren van eenzijdige theologie
Onlangs ontvingen we een lange brief die een zeer treffend bewijs levert van het verbijsterende effect van eenzijdige theologie. Onze briefschrijver is duidelijk beïnvloed door wat wel het extreem calvinisme genoemd wordt. Daarom ziet hij niet in dat het juist is om onbekeerde mensen op te roepen om te ‘komen’, te ‘horen’, zich te ‘bekeren’, of te ‘geloven’. Voor hem is dat net zoiets als een wilde appelboom voorhouden dat hij wat appels moet voortbrengen zodat hij een appelboom kan worden.
Welnu, wij stemmen er volkomen mee in dat het geloof een gave van God is, en dat het niet voortgebracht wordt door de wil van een mens of door menselijke kracht. Bovendien geloven we dat geen enkele persoon tot Christus komt als hij daar niet door goddelijke genade toe aangetrokken, ja zelfs gedwongen wordt. Allen die behouden zijn, moeten daarvoor dus dank brengen aan de vrije en soevereine genade van God; hun lied is en zal altijd zijn: ‘Niet ons, HEERE, niet ons, maar geef Uw Naam eer, om Uw goedertierenheid, om Uw trouw’ (Psalm 115:1).
En dit geloven we niet als onderdeel van een bepaald leerstellig systeem, maar als de geopenbaarde waarheid van God. Maar aan de andere kant geloven we net zo volkomen in de belangrijke waarheid van de menselijke verantwoordelijkheid, aangezien die duidelijk wordt onderwezen in de Schrift, ook al vinden we haar niet onder wat wel ‘de vijf punten van het geloof van Gods uitverkorenen’ (of: ‘de vijf punten van het calvinisme’) wordt genoemd.
Wij geloven wat deze vijf punten bevatten; maar ze omvatten bij lange na niet het geloof van Gods uitverkorenen. Er zijn belangrijke gebieden van goddelijke openbaring die nog niet eens terloops worden behandeld door dit onvolgroeide en eenzijdige systeem; er wordt zelfs niet op gezinspeeld. Waar vinden wij de hemelse roeping? Waar de kostbare, reinigende hoop van de komst van Christus om de gelovigen tot Zich te nemen? Waar wordt de geweldige reikwijdte van de profetie geopend voor het oog van onze ziel, in dat wat zo hoogdravend ‘het geloof van Gods uitverkorenen’ genoemd wordt? In het hele systeem waartoe onze vriend behoort, is er geen enkel spoor van te vinden.
Zouden we maar een moment kunnen veronderstellen dat de gezegende apostel Paulus als ‘het geloof van Gods uitverkorenen’ een systeem zou aanvaarden dat de heerlijke verborgenheid van de Gemeente waarvan hij een bedienaar was geworden, buiten beschouwing laat? Stel dat iemand Paulus ‘de vijf punten van het calvinisme’ had voorgehouden als een uiteenzetting van de waarheid van God, wat zou hij dan gezegd hebben? Wat?! ‘De hele waarheid van God’; ‘het geloof van Gods uitverkorenen’, ‘alles wat essentieel is om te geloven’, maar geen enkele lettergreep over de werkelijke positie van de Gemeente – haar roeping, haar positie, haar hoop, haar voorrechten!
En geen woord over de toekomst van Israël. Een volkomen veronachtzaming, of op zijn best een diepgaande vervreemding, van de beloften aan Abraham, Izak, Jakob en David! Het geheel van het profetisch onderwijs onderworpen aan een systeem van een ten onrechte zo genoemde vergeestelijking, waarin Israël beroofd wordt van zijn rechtmatig deel en christenen naar een aards niveau worden neergehaald – en dit wordt ons gepresenteerd met de verheven aanspraak: ‘het geloof van Gods uitverkorenen’!
Dank God, dat dit niet zo is. Hij, gezegend zij zijn naam, heeft Zichzelf niet opgesloten binnen de nauwe begrenzingen van het een of andere leerstellige systeem – extreem of gematigd, of iets ertussenin. Hij heeft Zichzelf geopenbaard. Hij heeft ons de diepe en kostbare geheimen van zijn hart meegedeeld. Hij heeft zijn eeuwige raadsbesluiten ontvouwd met betrekking tot de Gemeente, tot Israël, de heidenen en de gehele schepping. Evenmin als mensen de oceaan kunnen opsluiten in zelfgevormde emmers, kunnen ze het uitgestrekte gebied van de goddelijke openbaring insluiten binnen de zwakke omheining van menselijke leerstellige systemen. Dit is niet mogelijk, en het mag niet geprobeerd worden. Het is veel beter om de theologiesystemen aan de kant te zetten en als een klein kind tot de eeuwige fontein van de heilige Schrift te komen, om daar het levend onderwijs van Gods Geest in te drinken.
Niets is gevaarlijker voor de waarheid van God, of doet de ziel meer wegkwijnen, of is ondermijnender voor alle geestelijke groei en vooruitgang dan louter theologie, extreem of gematigd – calvinistisch of arminiaans. De ziel kan onmogelijk vooruitgang ondervinden onder de begrenzingen van het systeem waartoe hij behoort. Als mij onderwezen wordt dat ik de ‘vijf punten’ moet beschouwen als ‘het geloof van Gods uitverkorenen’, dan zal ik er niet aan denken om verder te kijken dan dat; en dan wordt een prachtig gebied van hemelse waarheid onttrokken aan het oog van mijn ziel. Ik ben onvolgroeid, beperkt, eenzijdig, en ik loop gevaar om in de harde, dorre staat van de ziel te geraken die voortkomt uit het bezig zijn met alleen maar leerstellige punten in plaats van met Christus.
Een aanhanger van het extreem calvinisme zal niet horen over een wereldwijd evangelie, over Gods liefde voor de wereld, over goed nieuws voor elk schepsel onder de hemel. Hij heeft alleen maar een evangelie voor de uitverkorenen.
Aan de andere kant zal een aanhanger van het arminianisme niet horen over de eeuwige zekerheid van Gods kinderen. Hun behoudenis hangt ten dele af van Christus, en ten dele van henzelf. Volgens dit systeem moet het lied van de verlosten veranderd worden; in plaats van alleen ‘Waardig is het Lam’ te zingen, zouden we eraan toe moeten voegen: ‘en waardig zijn wij’. We zijn vandaag misschien wel gered, maar morgen verloren. Dit alles is tot oneer van God en berooft de gelovige van alle ware vrede.
We schrijven dit niet om de lezer te beledigen. Verre van dat. Het gaat ons niet om personen, maar om leerstellige en theologische systemen, en we smeken onze geliefde lezers om die onmiddellijk, en voor altijd, te verlaten. Niet een ervan bevat de volledige, gehele waarheid van God. Ze bevatten allemaal bepaalde elementen van waarheid, maar het effect van de waarheid wordt vaak tenietgedaan door de dwaling. En zelfs als we een systeem konden vinden dat, zover als het zich uitstrekt, alleen maar waarheid bevat, dan nog is het effect ervan op de ziel schadelijk wanneer het niet de volledige waarheid bevat. Want het brengt iemand ertoe zich erop te laten voorstaan dat hij de waarheid van God heeft, terwijl hij in werkelijkheid alleen maar een eenzijdig menselijk systeem volgt.
Bovendien vinden we zelden een pure aanhanger van welk leerstellig systeem dan ook die de Schrift als één geheel kan beschouwen. Er worden favoriete teksten geciteerd en voortdurend herhaald; maar een groot deel van de Schrift wordt bijna volkomen terzijde gelaten. Neem bijvoorbeeld de volgende gedeelten: ‘(…) beveelt God nu aan de mensen, dat zij zich moeten bekeren’ (Handelingen 17:30). ‘(…) die wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van [de] waarheid komen’ (1 Timotheüs 2:4). ‘[De] Heer … is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen’ (2 Petrus 3:9). En helemaal aan het einde van het Nieuwe Testament lezen we: ‘Laat hij die wil, [het] levenswater nemen om niet’ (Openbaring 22:17).
Moeten we deze gedeelten nemen zoals ze er staan, of moeten we beperkende of afzwakkende woorden invoeren om ze in ons systeem te laten passen? Het feit is dat zij de grootheid van Gods hart laten zien, het genadig handelen van zijn karakter, het wijde bereik van zijn liefde. Het is niet in overeenstemming met het liefdevolle hart van God dat een van zijn schepselen verloren zou gaan. Nergens in de Schrift vinden we zoiets als een besluit van God om een bepaald aantal mensen over te geven aan de eeuwige verdoemenis1.
Wel worden sommigen van Godswege overgegeven aan verblinding, omdat ze doelbewust het licht afwijzen (zie Romeinen 9:17; Hebreeën 6:4-6; 10:26-27; 2 Thessalonika 2:11-12; 1 Petrus 2:8). Maar allen die verloren gaan, hebben dat alleen aan zichzelf te wijten. Allen die de hemel bereiken, hebben dat aan God te danken en moeten Hem daarvoor eer brengen.
Als we ons willen laten onderwijzen door de Schrift, moeten we geloven dat elk mens verantwoordelijk is om te leven naar het licht dat hij heeft. De heiden is ervoor verantwoordelijk te luisteren naar de stem van de schepping. De Jood is verantwoordelijk op grond van de wet. De christen is verantwoordelijk op basis van de volledig afgeronde openbaring die besloten ligt in het gehele Woord van God. Als God alle mensen overal beveelt zich te bekeren, bedoelt Hij dan wat Hij zegt, of heeft Hij het alleen over de uitverkorenen? Welk recht hebben wij om aan het Woord van God iets toe te voegen, iets ervan te wijzigen, te verwijderen of aan te passen? Geen enkel recht!
Laten we de Schrift aanvaarden zoals die tot ons komt, en alles afwijzen wat de toets niet kan doorstaan. We kunnen met recht de gezondheid in twijfel trekken van een systeem dat geen recht doet aan de volle kracht van het Woord van God als een geheel. Als gedeelten van de Schrift tegenstrijdig lijken te zijn, is dat alleen vanwege onze onwetendheid.
Laten we dit nederig erkennen en God vragen om ons meer licht te schenken. Dat is beslist een veilige morele basis. Laten we, in plaats van ons in te spannen om schijnbare tegenstrijdigheden met elkaar in overeenstemming te brengen, neerknielen aan de voeten van de Meester en recht doen aan alles wat Hij zegt. Dan zullen we een oogst van zegen binnenhalen en groeien in de kennis van God en zijn Woord als een geheel. Een paar dagen later gaf een vriend ons een preek die onlangs gehouden werd door een gerespecteerde predikant die behoort tot het extreem calvinisme. In deze preek ontdekten we, net als in de brief van onze briefschrijver, de effecten van eenzijdige theologie. Als deze prediker het heeft over de prachtige uitspraak van Johannes de Doper in Johannes 1:29, citeert hij deze als volgt: ‘Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld van Gods uitverkorenen wegneemt.’
Maar in dit gedeelte is nergens sprake van ‘Gods uitverkorenen’. De tekst heeft betrekking op het verzoenend werk van Christus, op grond waarvan elk spoor van zonde nog uitgewist zal worden uit de hele schepping van God. De volle vervulling van deze heerlijke tekst zullen we pas zien in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waar gerechtigheid zal wonen. Dit beperken tot de zonde van Gods uitverkorenen kan slechts beschouwd worden als de vrucht van een theologisch vooroordeel.
C.H. Mackintosh
1 Het is zeer interessant om te kijken naar de manier waarop de Schrift zich hoedt voor het weerzinwekkend dogma van verwerping. Kijk bijvoorbeeld naar Mattheüs 25:34 en 41. Hier zegt de Koning tegen de mensen aan zijn rechterhand: ‘Komt, gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van [de] grondlegging van [de] wereld af’.
Vergelijk dit met de uitspraak tegen de mensen aan zijn linkerhand: ‘Gaat weg van Mij, vervloekten [Hij zegt niet: “van mijn Vader”], in het eeuwige vuur dat [niet voor u, maar] voor de duivel en zijn engelen is bereid’. Ditzelfde vinden we in Romeinen 9:22-23. Van de ‘vaten van [de] toorn’ wordt gezegd dat ze ‘tot [het] verderf toebereid’ zijn – beslist niet door God, maar door henzelf. Maar wanneer het gaat om de ‘vaten van de barmhartigheid’ wordt gezegd: ‘die Hij tevoren tot heerlijkheid heeft bereid’. De geweldige waarheid van de uitverkiezing wordt ten volle bevestigd; de weerzinwekkende dwaling van de verwerping angstvallig vermeden.