B Lemkes
<!– wp:paragraph –>
<p>Wat leert Gods Woord ons over
de doop?
B. Lemkes
Inhoud:
0. Inleiding
1. Doop en besnijdenis
2. De christelijke doop
3. De betekenis van de doop
4. Algemene bezwaren tegen de kinderdoop.
Eerder uitgegeven: Apeldoorn, z.j.
INLEIDING
Vele gelovigen kunnen de opvattingen over de doop, zoals die zijn vastgelegd in het doop-
formulier, niet meer als de juiste aanvaarden, omdat ze niet in overeenstemming zijn met
Gods Woord.
De kinderdoop is een oorzaak van veel strijd geweest in de christenheid en is dit vandaag
nog. In dit beknopte werkje willen wij achtereenvolgens iets zeggen over:
1. doop en besnijdenis
2. de christelijke doop
3. de betekenis van de doop
4. algemene bezwaren tegen de kinderdoop.
Het is onze bedoeling slechts de belangrijkste punten aan de hand van de Schrift te
bespreken.
Voor een meer uitvoerige uiteenzetting over dit onderwerp wijzen wij u op het bekende
werkje Gedachten over de doop, dat verkrijgbaar is bij de uitgever van deze brochure. Moge
God velen zegenen bij het lezen van dit geschriftje. Laten allen die bereid zijn zich te buigen
voor het Woord van God, ertoe komen om te onderzoeken ,,of deze dingen alzo zijn’.
De aangehaalde teksten zijn volgens de nieuwe vertaling van het Nederlandsch
Bijbelgenootschap, terwijl hier en daar wordt verwezen naar de Voorhoeve-vertaling.
1. DOOP EN BESNIJDENIS
Het verbond met Abraham
In Gn 17:10 lezen we dat God de besnijdenis heeft ingesteld. God had met Abraham een
verbond gesloten, zoals we lezen in Gn 15:18, en hem en zijn nageslacht vele zegeningen
beloofd, die worden opgesomd in Gn 17:4-8. God eist een teken voor hun deel aan het
verbond en wil dat al wat mannelijk was, besneden zou worden. Als er in het huis van een
Israëliet een zoon geboren werd, moesten de ouders hem op de achtste dag laten besnijden.
Het spreekt vanzelf dat hier geen sprake kan zijn van enig ander motief dan van het feit dat
het kind wegens zijn vleselijke afkomst, zijn geboorte als Israëliet, besneden moest worden.
Het was alleen een kwestie van gehoorzaamheid der ouders. De besnijdenis is een figuurlijke
voorstelling van het oordeel over het vlees, de zondige natuur. Vooraanstaande theologen,
w.o. Calvijn, hebben dit ook zo geleerd. Een in zonde geboren mensenkind kan niet leven in
een verbond met een heilig God.
Daarom gebood God dat de besnijdenis moest plaatsvinden. Het gevolg van de besnijdenis
was dat ieder die besneden werd, deel kreeg aan de zegeningen van het verbond dat God
met Abraham gesloten had. Dat verbond gold alleen Abraham en zijn nageslacht.
Hoewel in Gn 17 zeer duidelijk gesproken wordt over het geslacht van Abraham, leest men
er vaak overheen en past het toe op de gelovigen van deze tijd. Als argument hiervoor
gebruikt men dan Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zo velen als de
Here, onze God, er toe roepen zalze God, er toe roepen zal’.
Het gecursiveerde woord ‘belofte’ gebruikt men dan zeer lichtvaardig, door de in dit vers
genoemde woorden te zien als een verlengstuk van wat God aan Abraham beloofde. Men
meent dat de belofte die aan Abraham gedaan is, door Paulus genoemd in Gl 3:16, dezelfde
is als die waarvan sprake is in Hd 2:39. Het is echter duidelijk dat de belofte waarvan Petrus
spreekt in Hd 2:39, dezelfde is als die de Heer genoemd heeftLuk.
24:49opstanding, in Lukas 24:49 en Hd 1:4 (zie ook Jh. 14:16, 17 en 26 en Jh. 16:7-14). Het is de Heilige Geest die
uitgestort is, zoals Petrus zegt in Hd 2:33.
De belofte waarvan gesproken wordt in Gl 3:16 (in de verzen 15 en 17 genoemd ‘verbond’ of
‘testament’), slaaGen. 17op het verbond uit Genesis 17. Dat was een verbond van twee zijden.
God de almachtige aan de ene zijde en Abraham en zijn nageslacht, dat is Israël, aan de andere
Galaten 3t woord ‘belofte’ uit Galaten 3 heeft betrekking Gen.
22:18fte die we vinden in Genesis 22:18. Daar geeft God Abraham, na de offerande van Izaäk, de belofte: ‘En met uw
nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden’. (De Statenvertaling heeft voor
nageslacht ‘zaad’.) Volgens Gl 3 wordt met dit nageslacht, het zaad, Christus bedoeld. Wij
zijn geen kinderen van Abraham in de Gen. 17ijke lijn. Het verbond uit Genesis 17 is dus niet
met ons gesloten. Wij moeindien gij nu van Christus
zijt, dan zijt gij zaad van Abrahams
zijt, dan zijt gij zaad van Abraham’ (Gl 3:29). Dan behoren wij tot het geestelijk zaad van
Abraham en zijn op grond daarvan, volgens de belofte, erfgenamen van de geestelijke
zegeningen, die ons in Christus ten deel vallen. Om Abrahams zaad te kunnen zijn, volgens
de betekenis van Gl 3: 29, moet men zich bekeren, wedergeboren worden.
Woordenstrijd over de besnijdenis
In Hd 15:1 lezen we dat sommigen die uit Judea gekomen waren, in Antiochië aan de
broeders leerden dat zij zich moesten laten besnijden, omdat ze anders niet behouden
konden worden.
Paulus en Barnabas hebben zich krachtig tegen deze lering verzet. Indien de doop, zoals dat
helaas veel geleerd wordt, in de plaats van de besnijdenis zou zijn gekomen, zouden Paulus
en Barnabas zeker gezegd hebben: ‘Wij hebben de doop gekregen in plaats van de
besnijdenis’. Dit argument zou voldoende geweest zijn om de tegenstanders de mond te
stoppen. De apostel heeft dit evenwel niet gedaan, omdat besnijdenis en doop twee geheel
verschillende zaken zijn. Trouwens op geen enkele andere plaats in de Schrift wordt
verondersteld dat de doop de besnijdenis heeft vervangen.
Wat is onze besnijdenis?
Velen grijpen Ko 2:11-12 aan als een bewijs van hun stelling dat besnijdenis en doop
hetzelfde zijn. We lezen daar dat wij, de gelovigen, in Christus besneden zijn met een
besnijdenis die geen werk is van mensenhanden, of zoals de vertaling Voorhoeve zegt: ‘een
besnijdenis niet met handen verricht’. Christus is aan het kruis tot zonde gemaakt. Hij heeft
daar de zonde tenietgedaan, en in Hem is het lichaam des vlezes, dat wil zeggen de zonde in het
vlees, de boze natuur van elke verloste zondaar, uitgetrokken, geoordeeld. Hij is besneden in
Hem. Hij was ’,dat Heilige’ en zonder zonde. De zonde in het vlees van allen die geloven, is
daar weggedaan.
Dat de apostel direct daarop spreekt over de doop wil helemaal niet zeggen dat deze in
plaats van de besnijdenis zou gekomen zijn. Dat is reeds duidelijk als wij eraan denken dat de
besnijdenis in Christus wijst op Zijn dood aan het kruis. Maar als het gaat om de doop zegt de
apostel dat dit een beeld is van onze begrafenis met Hem.
Deze schriftuurlijke volgorde is zeer merkwaardig. Door het geloof in de Heer Jezus moet ik
eerst weten dat Christus voor mijn zonden en de zonde het oordeel van de dood op het kruis
heeft ondergaan. Dat is mijn besnijdenis. Eerst daarna kan ik begraven worden in de doop.
Als we aannemen dat allen die volgens Hd 2 zich bekeerden, Israëlieten waren, dan waren ze
allemaal besneden, maar daardoor nog niet bekeerd. Omdat zij het woord aannamen en zich
bekeerden, konden zij gedoopt worden (Hd 2:41).
2. De christelijke doop
De doop van Johannes
Er wordt in de Bijbel voor het eerst over de doop geschreven in de Evangeliën. Daar worden
ons enige sobere mededelingen gegeven over de doop van Johannes. De wijze waarop dit
dopen plaatsvond, was kennelijk voor de Joden niets nieuws. Het veroorzaakte tenminste
geen verwondering of opschudding. Het is bekend dat heidenen, als zij zich tot God
bekeerden, vóór hun besnijdenis door de Joden gedoopt werden. Men noemde dit de
proselietendoop. Johannes doopte in de Jordaan. Grote scharen uit Jeruzalem en geheel
Judea kwamen oBekeert u, want het
koninkrijk der hemelen is nabij gekoment het
koninkrijk der hemelen is nabij gekomen’.
De aankondiging van ’het koninkrijk der hemelen’ stond in verband met de komst van de
Messias, als koning van Zijn volk. Maar de toestand van de Joden was zo, dat zij geen
verbinding konden hebben met de Messias. Hun zonden waren daarvoor een belemmering.
Zij die door Johannes gedoopt werden, beleden hun zonden (Mt 3:6). Zij verklaarden
daardoor dat zij tot God waren teruggekeerd, van hun zonden gereinigd waren en nu de
Messias wilden verwachten. Niet ieder, die tot hem kwam, werd door Johannes gedoopt. De
farizeeën en sadduceeën meenden daarop wel recht te hebben, omdat zij nakomelingen
waren van Abraham. Wij kunnen ons indenken dat zij dit meenden, want hun afstamming
van Abraham gaf hun wel recht op de besnijdenis. Maar Johannes zegt tegen hen:
‘Beeldt u niet in, dat gij bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot Vader’ (Mt 3:9). In de
natuurlijke lijn was Abraham inderdaad hun vader, maar vleselijke afkomst geeft nooit recht
op de doop.
De farizeeën en sadduceeën wilden niets weten van de Messias. De geschiedenis bewijst dit.
Dat de doop van Johannes geheel verschillend was van de christelijke doop blijkt heel
duidelijk uit Hd 19. Toen de apostel Paulus in Efeze kwam, vond hij daar twaalf mannen die
onder de gelovigen verkeerden. Uit het gesprek met hen bleek dat zij gedoopt waren met de
doop van Johannes. Daarop zegt Paulus: ‘Johannes doopte een doop van bekering en zei tot
het volk, dat zij moesten geloven in Hem, die na hem kwam, dat is in Jezus’. Inmiddels was
deze Jezus gekomen, gestorven, opgestaan en ten hemel gevaren. De doop van Johannes
had daarom geen waarde meer. Deze twaalf discipelen hebben de naam van de Heer Jezuseten
zich ‘dopen in de naam van de Heer Jezus’.
Instelling van de christelijke doop
In Mt 28:19 geeft de Heer Jezus Zijn discipelen opdracht tot dopen. In Jh. 4:2 lezen we dat de
discipelen reeds gedoopt hadden in het bijzijn van hun Heer. De opdracht die zij in Mt 28
ontvangen, moet dus op een andere doop betrekking hebben. Anders had de Heer tegen Zijn
discipelen kunnen zeggen dat zij op dezelfde wijze moesten voortgaan met dopen. Dat heeft
Hij niet gedaan, maar Hij heeft hun een nieuwe opdracht gegeven. Hoewel in Mk 16:16 niet
direct van de opdracht tot dopen gesproken wordt, lezen we daar dat de Heer Zijn discipelen
erop wijst dat het geloof aan de doop moet voorafgaan. In Hd 2 is opgetekend de rede die
Petrus na de uitstorting van de Heilige Geest tot de Joden uit alle volken onder de hemel
heeft gehouden. Toen zij de woorden van de apostel hoorden, werden zij diep in hun hart
getroffen en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: ‘Wat moeten wij doen, mannen
broeders?’ Het antwoord van Petrus luidt: ‘Bekeert u!’ En nu voegt hij er nWant het koninkrijk der hemelen is nabij gekoment het koninkrijk deEen ieder van u late zich dopen in de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden,
en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangenu zult de gave van de Heilige Geest ontvangen’.
Uit deze verzen blijkt duidelijk dat het hier gaat om bekering, de doop in of tot de naam van
Jezus Christus, en het ontvangen van de Heilige Geest.
De apostelen hebben terdege rekening gehouden met de door de Heer gegeven orde: eerst
bekering, dan de doop. We lezen dan ook in Hd 2:41: ‘Zij dan, die zijn woord aanvaardden,
lieten zich dopen’. Doordat zij het woord aanvaardden en zich bekeerden, konden zij
gedoopt worden. Ook in verdere gedeelten van Handelingen lezen we dat de apostelen en
evangelisten niet van deze volgorde zijn afgeweken (zie Hd 8:12 en 36-38; 9:18; 10:47, 48;
16:33-34; 18:8 enz.). De doop kan alleen maar toegepast worden na de wedergeboorte. Dat
houdt dus in dat degene die gedoopt wordt, moet gekomen zijn tot erkenning van zijn eigen
verloren toestand, en dat hij het offer van Christus heeft aanvaard. Het is goed dat wij hen
die zich bekeerd hebben, erop wijzen dat de doop onmiddellijk na de bekering moet worden
toegepast. Dat is de schriftuurlijke weg, die ook praktisch werd gevolgd in de eerste tijd van
de christenen. Men maakt hier wel eens bezwaar tegen met de verontschuldiging dat zij die
zich bekeerd hebben, dit maar uit zichzelf moeten vragen. Dit is, vooral bij jonge mensen,
een grote fout. Zoals men kinderen en jonge mensen moet opvoeden en leren wat zij
moeten doen en nalaten, zo moet men er ook op wijzen dat de Heer wil dat iemand die tot
bekering gekomen is, zich laat dopen.
Hoe moet de doop geschieden?
Het Griekse woord baptizein is vertaald met ‘dopen’ en betekent ‘,indompelen’. In geen
enkele plaats waar van dopen gesproken wordt, komt een ander stamwoord voor.
Besprengen of sprenkelen is geen dopen. Een bewijs dDe priester zal zijn vinger in het bloed dopen en van het bloed zeven maal sprenkelen
voor het aangezicht des Herenmaal sprenkelen
voor het aangezicht des Heren’. In deze tekst worden beide woorden naast elkaar gebruikt,
waardoor het verschil duidelijk tot uiting komt. De doop kan dan ook alleen geschieden door
onderdompeling. Een duidelijk bewijs dat de eerste christenen de doop dooBeiden daalden af in het water, zowel Philippus
als de kamerling, en hij doopte hemPhilippus
als de kamerling, en hij doopte hem’.
Als we straks iets zeggen over de betekenis van de doop blijkt wel dat er voor besprenging
geen plaats is.
3. Betekenis van de doop
Met Hem gestorven en begraven
In Rm 6 wordt vrij uitvoerig geschreven over de betekenis van de doop. In vs.3 van dit
hoofdstuk lezen we dat wij ’,in zijn dood gedoopt zijn’. In het voorgaande hebben we reeds
opgemerkt dat Johannes doopte met het oog op de komst van het koninkrijk der hemelen,
waarvan Christus de koning zou zijn. Maar de Joden hebben hun koning aan het kruis
genageld. Christus is gestorven. De christelijke doop is niet alleen het getuigenis van de dood
van Christus vóór ons, maar hij stelt ons ook voor dat wij met Hem gestorven zijn. Als wij dit
weten, wil de Heer dat wij ook met Hem begraven worden. De dood heeft Christus alléén
ondergaan. Door de doop erkennen wij dat we met Hem gestorven zijn. In Co 2:11 wordt
eveneens duidelijk gesproken van ons sterven en begraven worden met Christus. In het
hoofdstuk ‘Doop en besnijdenis’ hebben we reeds opgemerkt dat wij gestorven zijn met
Christus, door onze besnijdenis in Hem. In vs.12 lezen we dan: ’,daar gij met Hem begraven
zijt in de doop’. Een begrafenis vindt plaats als iemand gestorven is. Zo is het ook met de
gelovige. Zodra hij weet met Christus gestorven te zijn, moet hij gedoopt, dat is met Hem
begraven worden.
Met Christus opgewekt
Wij zijn met Hem begraven door de doop, niet om in de dood te blijven, maar om opgewekt
te worden, zoals Christus opgewekt is, op grond van de majesteit des Vaders. Dan volgt
daarop waartoe deze opwekking dient: ’,opdat wij zouden wandelen in nieuwheid des
levens’ (Rm 6:4). Zo zijn wij door onze opstanding met Hem een nieuw schepsel in Christus
Jezus geworden. We zijn daardoor in staat gesteld een nieuw leven te beginnen. Welk een
genade, welk een verantwoordelijkheid.
Afwassing van zonden
De derde plaats waar iets gezegd wordt over de betekenis van de doop, vinden we in 1 Pt. 3.
In vs.15 worden we vermaand altijd bereid te zijn tot verantwoording aan al wie ons
rekenschap vraagt van de hoop die in ons is. In vs.21 spreekt de apostel over de doop. Hij
zegt dat de doop niet is een afleggen van lichamelijke onreinheid, maar een bede van een
goed geweten tot God. Dat is zeer ernstig. Het leert ons dat iemand die gedoopt wordt, zich
goed bewust moet zijn te staan in de tegenwoordigheid van God. Laten we ons dit goed
realiseren. Hetgeen hier gezegd wordt, komt overeen met de woorden van Ananias die we
leSta op, laat u dopen en uw zonden afwassen,
onder aanroeping van zijn naamnden afwassen,
onder aanroeping van zijn naam’. Al zegt hij die gedoopt wordt, bij deze handeling niets, hij
moet zich er terdege van bewust zijn dat de naam des Heren (Vader, Zoon en Heilige Geest)
over hem aangeroepen wordt. In vs.13 heeft Ananias Saulus reeds broeder genoemd,
waaruit blijkt dat hij hem reeds als zodanig erkent. Hieruit volgt dat de doop niet is een
afwassing van de zonden, maar een zinnebeeldige voorstelling daarvan. In de doop geeft
God aan hem die gedoopt wordt, de verzekering van de vergeving van zijn zonden. Hij zegt
als het ware: ‘Zo zeker als dit water reinigt en afwast, zo zeker is het, dat ge zijt gereinigd en
gewassen van uw zonden door het bloed van Christus’.
4. Algemene bezwaren tegen de kinderdoop
In vele kringen hecht men grote waarde aan het dopen van pasgeboren kinderen. Hiervoor
bestaat gelegenheid als één van de ouders, soms ook de grootouders, lid is van een
kerkgenootschap. Het kindje dat dan gedoopt is, wordt een ‘dooplid’ van de betreffende
kerk genoemd. Het is heel moeilijk te begrijpen wat voor zin dit heeft. Ik hoop en vertrouw
dat niemand zal denken dat ik iemand wil kwetsen of leed doen, omdat ik weet dat vele
ouders het laten dopen van hun kinderen beschouwen als ‘heilig goed’. Het onbegrijpelijke is
dat men zich verkeerd laat voorlichten en dat men niet zelf de Bijbel ter hand neemt en
onderzoekt. God heeft ons een verantwoordelijkheid op de schouders gelegd, om aan de
hand van zijn Woord te onderzoeken wat Zijn gedachten zijn. Dit geldt zeker ook voor de
doop. Gelukkig zijn er de laatste tijd gelovigen, ook onder de predikanten, die het aandurven
te getuigen tegen de onhoudbaarheid van het dogma der kinderdoop.
Het dopen van zuigelingen was in de eerste eeuwen van de geschiedenis der christelijke kerk
niet gebruikelijk, ja, zelfs geheel onbekend. Prof. Bakhuizen v.d. Brink zegt in het Handboek
der Ned. Herv. kerk dat men tot Irenaeus (2e en 3e eeuw) van niets anders verneemt dan
van de doop van volwassenen. De grootste voorstanders van de kinderdoop hebben moeten
toegeven dat deze onbekend was bij de eerste christenen.
Wij hebben reeds aangetoond dat een beroep op de besnijdenis niet opgaat. We erkennen
dat de kinderen heilig zijn door hun gelovige ouders, maar ze zijn toch in zonde ontvangen.
Het is duidelijk dat met ‘,heilig’ slechts een uiterlijke afzondering wordt bedoeld. Van
bekering en geloof is geen sprake. ‘Wat uit het vlees geboren is, is vlees’, is de duidelijke
Johannes 3:6n de Heer Jezus tot Nicodemus in Johannes 3:6.
Weer anderen voeren aan dat in de Handelingen wordt medegedeeld dat hele gezinnen
gedoopt werden. Wel, veronderstelt men, dan waren daar ook kinderen bij. Men wijst dan
vooral op Hd 16:15, waar sprake is van Lydia en haar huis; op Hd 16:34, waar gesproken
wordt van de doop van de stokbewaarder en zijn huis, en op 1 Ko 1:16, waar we lezen dat
Paulus het gezin van Stephanas gedoopt heeft.
Nu wordt ons nergens gezegd, en we kunnen het ook nergens uit afleiden, dat tot deze
gezinnen onbekeerde kinderen behoorden. Deze bewering is dus louter op
veronderstellingen gebaseerd. Van de stokbewaarder wordt zelfs uitdrukkelijk gezegd dat
allen in zijn huis geloofden. Daarom konden zij, daarom moesten ze worden gedoopt.
Helaas beroepen velen zich bij hun verdediging van de kinderdoop op het doopformulier.
Zolang men dit formulier als grondslag wil gebruiken, zal de duisternis niet worden
weggenomen. In een rapport van de generale synode der Ned. Herv. kerk wordt erkend dat
het doopformulier zich ter verdediging van de kinderdoop niet of bijna niet en in elk geval
zeer zwak beroept op Schriftgegevens. In het formulier voor de doop voor volwassenen is
dat anders.
Als men probeert de kinderdoop te verdedigen op grond van Gods Woord, zal men bij een
eerlijk onderzoek moeten erkennen dat elk wapen uit de hand wordt geslagen. Men vindt in
de gehele Bijbel niet één woord over het dopen van kinderen, noch pro, noch contra. Kan
men zich indenken dat, als het Gods wil zou zijn de kinderen te dopen, Hij ons hieromtrent
geheel onkundig zou hebben gelaten? We brengen dan nog niet eens in het geding dat, zoals
we hebben aangetoond, ‘,besprenging’ niet hetzelfde is als ‘dopen’. De Heer heeft ons in de
doop zulke betekenisvolle dingen gegeven. Hij heeft op tal van plaatsen door Zijn Geest, in
Zijn Woord ons daarover willen onderwijzen. Laten wij er dan niet iets anders van maken en
daardoor handelen in strijd met Zijn gedachten. Dat is tot droefheid van de Heer en tot
schade voor onszelf. God geve ons beslistheid om in gehoorzaamheid aan Zijn Woord te
handelen. Ook al kost het ons strijd en vijandschap.</p>
<!– /wp:paragraph –>