Archippus

'Aan Archippus, onze medestrijder' (Filémon, vers 2).

'En zegt aan Archippus: Zorg ervoor, dat gij de bediening die gij in de Heer ontvangen hebt, ook vervult' (Kolosse 4:17).

Archippus is één van de dienaren over wie ons in het Nieuwe Testament betrekkelijk weinig wordt meegedeeld. Hij wordt slechts tweemaal genoemd, en wel in de hierboven vermelde Schriftplaatsen. Toch kunnen wij uit dat wat over hem wordt meegedeeld, praktische lessen trekken die tot ons nut dienen.

Allereerst lezen wij iets positiefs over hem. De apostel Paulus spreekt in zijn brief aan Filémon over hem als zijn medestrijder. Wat is het een mooie en eervolle onderscheiding voor een kind van God, wanneer gezegd kan worden dat hij of zij een medestrijder is. Er wordt ons niet gezegd waarin die strijd van Archippus bestond, hoewel het vermoeden voor de hand ligt dat hij met de apostel Paulus gestreden heeft in het evangelie. Deze strijd is er in onze dagen nog steeds, en wij mogen hem samen met andere gelovigen strijden.

Maar we kunnen ook denken aan de strijd voor 'het geloof, dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd' (Judas, vers 3), dat wil zeggen de strijd om de Christelijke geloofswaarheden. Hoezeer worden de waarheden van het Woord van God vandaag de dag in twijfel getrokken en aangevallen! Daarom is ook deze strijd zeer actueel.

Strijden betekent: zich voortdurend inspannen. Ons leven als Christen is geen gemoedelijke wandeling, maar het is met strijd en moeite verbonden. Zijn wij bereid aan deze strijd deel te nemen? Archippus deed het. Hij verbond zich aan de apostel Paulus in diens strijd, en wordt daarom een medestrijder genoemd. Ook wij staan in onze tijd niet alleen; noch in onze inspanningen het evangelie van God te verkondigen, noch in onze moeiten om de waarheden van Gods Woord onwrikbaar te verdedigen. God stelt ons broeders en zusters ter zijde met wie wij gemeenschappelijk mogen optrekken en strijden. Het is een voorrecht een medestrijder te zijn en medestrijders naast zich te hebben.

In de Brief aan de Kolossers wordt Archippus aangespoord: 'Zorg ervoor, dat gij de bediening die gij in de Heer ontvangen hebt, ook vervult'. Daarin ligt een waarschuwing voor hem, die ook tot onze harten spreekt. Zoals Archippus eens zijn dienst van en in de Heer ontvangen had, heeft ook een ieder van ons nu een dienst – dat wil zeggen een opdracht – van de Heer gekregen. Niemand kan zeggen: 'Dat gaat mij niets aan, de Heer kan mij toch niet gebruiken!' De Heer wil graag een ieder van ons gebruiken, de één op de ene manier, de ander op een andere. Onze opdrachten zijn verschillend, maar dat verandert niets aan het feit dat wij allen een taak hebben ontvangen. Zijn wij ons daarvan bewust? Kennen wij eigenlijk de opdracht wel die de Heer ons gegeven heeft? Deze vraag moeten wij – een ieder van ons – allereerst persoonlijk voor de Heer beantwoorden, voordat wij verder nadenken over dat wat tot Archippus wordt gezegd. Hoe zouden wij ooit onze dienst kunnen vervullen, wanneer wij niet eens weten waarin deze dienst bestaat?!

Wanneer we lezen dat Archippus wordt aangespoord toe te zien op de bediening die hij in de Heer ontvangen had, weten we niet precies waar bij hem het zwakke punt lag. De vermaning van de apostel kan verschillende redenen gehad hebben.

Allereerst zou het zo kunnen zijn dat hij met andere dingen bezig was, en daardoor zijn bediening voor de Heer vergat. In dat geval ligt de nadruk op het woord 'bediening'. Ten tweede zou het kunnen zijn dat hij zozeer met de bediening van anderen bezig was, dat hij zijn eigen opdracht verwaarloosde en naliet. De nadruk ligt dan op het woord 'gij'. Ten derde zou het ook denkbaar zijn dat hij weliswaar in zijn bediening werkzaam was, maar deze niet tot het einde toe ten uitvoer bracht. Dan ligt de nadruk op het woord 'vervullen'. Deze drie mogelijkheden bestaan vandaag de dag nog steeds, en zij betekenen een werkelijk gevaar voor ons.

Het eerste gevaar: de bediening vergeten

Wij zijn zozeer met andere dingen bezig, dat wij daardoor onze bediening of onze dienst voor de Heer vergeten. Hoe actueel is dit probleem! De tijd waarin wij leven, wordt gekenmerkt door een toenemend aantal activiteiten en bezigheden. Beroep, gezin en vrije tijd nemen ons volledig in beslag, zodat – wanneer we niet ontzettend goed oppassen – het ons inderdaad aan de tijd ontbreekt voor de dingen en de belangen van de Heer. De vele activiteiten en bezigheden op zichzelf zijn mogelijk niet eens zondig, maar ze ontnemen ons toch de tijd om onze dienst voor de Heer zodanig uit te oefenen zoals Hij het graag wil.

Het is duidelijk dat wij tijd voor ons gezin nodig hebben. En het is niet minder duidelijk dat wij ons voor onze dagelijkse taak terdege hebben in te zetten, hetzij in ons beroep, hetzij voor onze opleiding, of op school of thuis. De Heer heeft er ongetwijfeld ook begrip voor dat wij een tijd van ontspanning en rust nodig hebben (Markus 6:31). De vraag is alleen, welke dingen bij ons op de eerste plaats komen. Wanneer we werkelijk de wil hebben om tijd voor onze dienst aan de Heer te vinden, zullen we Hem deze tijd ook ter beschikking kunnen stellen. Wanneer andere dingen echter belangrijker voor ons zijn, zullen we steeds weer geloofwaardig lijkende uitvluchten proberen te vinden waarom wij onze dienst nalaten. Laten we ons daarom vandaag afvragen of onze maatstaven in ons dagelijks leven juist zijn, óf dat wij mogelijk iets moeten veranderen.

Het tweede gevaar: de eigen bediening verwaarlozen en nalaten

Wij houden ons zozeer bezig met de bediening of de dienst van anderen, dat we daardoor onze eigen bediening of dienst veronachtzamen. Wij hebben er reeds aan gedacht dat de taken die de Heer aan een ieder van ons geeft, verschillend zijn. Misschien heeft de Heer aan onze broeder of zuster een opdracht gegeven die ons veel belangrijker toeschijnt dan onze eigen taak. Hoe gemakkelijk gebeurt het dan dat wij (mogelijk zelfs met jaloersheid, of juist vol bewondering) naar de dienst van die andere gelovige kijken en onze eigen taak zó gering achten alsof zij nauwelijks de moeite waard zou zijn.

Het is goed dat we er dan aan denken dat de Heer de dienst van de Zijnen anders beoordeelt dan wij. Zijn maatstaf voor beoordeling is anders dan de onze. Voor Hem is het beslissend met welke trouw wij onze taak vervullen. Een dienst die in onze eigen ogen gering is, kan voor de Heer van grote betekenis zijn, wanneer wij haar in getrouwheid vervullen. Laten we de Heer wel van harte dankbaar zijn voor dat wat Hij in onze medegelovigen kan bewerken, maar anderzijds is het niet goed wanneer wij onszelf altijd te gering achten om welke kleine dienst dan ook voor onze Heer te verrichten. Wanneer de Heer ons een opdracht geeft – ook al is die in onze ogen nog zo klein en onbetekenend -, dan is die taak voor Hem altijd de moeite waard. Laten we tenslotte nooit vergeten, dat Hij de Opdrachtgever is, en niet een mens.

Het derde gevaar: de bediening niet voleindigen

Mogelijk doen we weliswaar de dienst die de Heer ons geeft, maar wij voleindigen hem niet, we vervullen hem niet tot het einde toe. Wij allen kennen ongetwijfeld zulke situaties: de Heer toont ons een taak, en we beginnen er met ijver en enthousiasme aan. In de loop van de tijd echter wordt onze ijver minder, we worden moe en verliezen onze interesse voor deze dienst. Andere dingen schijnen ons plotseling belangrijker toe… en we staan al op het punt onze dienst op te geven! Soms stelt God ons volharden in de dienst op de proef. Hij wil graag dat wij een werk waaraan we met Hem zijn begonnen, ook tot het einde toe vervullen. Hoe is de Heer Jezus Zelf ook hierin ons volmaakte Voorbeeld. Hij kon het immers tot Zijn Vader zeggen: 'Ik heb het werk voleindigd dat Gij Mij te doen hebt gegeven' (Johannes 17:4). Laten we ons daarom vandaag laten aansporen om de taken die we eens op ons hebben genomen, ook in getrouwheid tot het einde toe te vervullen.

Of Archippus de waarschuwing die tot hem werd gericht op de juiste manier ter harte genomen heeft, weten we niet. Dat is voor ons ook niet van belang. Wat voor ons beslissend is, is de vraag of wij bereid zijn van Archippus te leren en hieruit eventueel consequenties te trekken voor ons eigen leven.

Een dienst voor de Heer is immers uiteindelijk geen doel op zichzelf, maar moet altijd tot Zijn verheerlijking strekken.

E.-A. Bremicker