Alle dingen
‘Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader’, zo lezen we in Mattheüs 11:27a.
Aanbiddingswaardige Heer en Heiland! Wij mogen het wel uitroepen: Wie is U gelijk!
Vanuit de hemel neergedaald op deze aarde. Vanuit de smetteloos reine sfeer van de heerlijkheid van God, gekomen op het terrein van de zonde, te midden van de zondige mensheid. Hij Die rijk was, is arm geworden. Hij, de Heer en Gebieder van de engelen, is hier beneden gekomen, om te dienen, en Zichzelf te geven tot een losprijs, voor iedereen die in Hem gelooft. Hij kwam, om te zoeken en te behouden wat verloren is. Hij kwam om het hart van de Vader, dat hart vol van liefde, genade, ontferming en barmhartigheid, te openbaren, om de wil van de Vader te volbrengen, en Zijn Naam te verheerlijken. ‘Hij kwam tot het Zijne [de schepping met allen en alles wat tot haar behoort], en de Zijnen [Israël, het volk, tot wie Hij kwam als Koning] hebben Hem niet aangenomen’ (Johannes 1:11).
De Heer Jezus is Jeruzalem en het Joodse land ‘doorgegaan, terwijl Hij goeddeed en allen gezond maakte die door de duivel waren overweldigd’ (Handelingen 10:38). Overal heeft Hij het evangelie van het koninkrijk gepredikt, overal heeft Hij Gods liefde en genade geopenbaard. Zijn pad ging gepaard met enkel zegeningen, Zijn handelingen waren in heiligheid en rechtvaardigheid. Zijn voeten waren volmaakt met de blijde boodschap van vrede geschoeid. Vrede bracht Hij en vrede schonk Hij; vrede voor het verontruste geweten, vrede voor het met zonden beladen hart, vrede voor de vermoeide mens.
In het begin van Mattheüs 11 wordt ons door de Heilige Geest voorgesteld hoe de Heer Jezus Zijn gezegend werk vervolgt, ‘om te leren en te prediken in hun steden’, terwijl de twaalf discipelen hun zendingstocht ondernomen hebben. Maar moet het ons dan niet pijnlijk treffen als we daar lezen dat de Heer in Zijn prediking door het volk niet aangenomen wordt, dat Johannes de Doper, in de gevangenis gezeten, betwijfelt of de Heer wel de Messias is, dat de farizeeën en schriftgeleerden als ‘geweldenaars’ het koninkrijk wegrukken, dat het volk op geen enkele manier naar Hem vraagt, maar alleen onverschilligheid aan de dag legt? De steden Chorazin, Bethsaïda en Kapernaüm, ‘de steden waarin Zijn meeste krachten waren gebeurd’, moesten het ‘wee u’ van Zijn lippen vernemen (verzen 20-21a), omdat zij zich niet bekeerd hadden. Ja, het was in die tijd voor de Heer Jezus ook werkelijkheid, zoals we God in Jesaja 65:12 horen spreken tot Israël: ‘… omdat Ik geroepen heb, maar u niet geantwoord hebt, omdat Ik gesproken heb, maar u niet geluisterd hebt, maar gedaan hebt wat slecht was in Mijn ogen, en gekozen hebt voor wat Mij niet behaagt’ (zie ook Jesaja 66:4; Jeremia 7:13; Spreuken 1:24).
Wat een ontzettend droevige openbaring van ongeloof van de kant van het volk. Wat een donkere en ontmoedigende omstandigheden voor de Heer. En wat lezen we nu? Is de Heer in die tijd ontevreden of klaagde Hij? Nee. Ontevredenheid en geklaag komen voort uit het zondige menselijke hart. De Heer Jezus was wel waarachtig Mens, maar de Mens, volkomen naar de gedachten en de wil van God, de volmaakte Mens, zonder zonde, van Wie God meer dan één keer heeft kunnen getuigen: ‘In Hem heb Ik al Mijn welbehagen gevonden’.
Wat is het aanbiddenswaardig dat we mogen lezen: ‘In die tijd antwoordde Jezus en zei: Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard’ (vers 25). De Heer richt Zijn blik naar boven en neemt Zijn weg en de omstandigheden, met de vele ontmoedigende ervaringen, aan uit de hand van Zijn Vader en ziet in de Vader de Heer van de hemel en de aarde. Hij prijst de Vader dat het Zijn welbehagen is om de verborgenheden van het koninkrijk van God niet aan de wijzen en verstandigen onder de mensen, maar aan de kinderen te openbaren, geheel in overeenstemming met de woorden van God, vijf eeuwen daarvoor door Jesaja, de zoon van Amos, tot Israël al gesproken: ‘Wie kan Hij dan de kennis bijbrengen? Wie kan Hij dan het gehoorde doen begrijpen? Wie net van de moedermelk af zijn, wie net van de borst zijn afgehaald?’ (Jesaja 28:9).
Ja, het wordt aan kinderen geopenbaard – aan de kinderen van de wijsheid, die zichzelf veroordeelden, en God, de Wijsheid, de alleenwijze God, rechtvaardigden. Het zijn degenen van wie we in Johannes 1:12 lezen: ‘Maar allen die Hem hebben aangenomen, hun gaf Hij [het] recht kinderen van God te worden, hun die in Zijn Naam geloven’. Die kinderen vormden slechts, in tegenstelling tot de massa, een ‘kleine kudde’. Het was het welbehagen van de Vader om hun te openbaren wat voor de wijzen en verstandigen verborgen is; het is ook het welbehagen van de Vader om hun het koninkrijk te geven (Lukas 12:32).
De minderheid van nu zal in de toekomst de meerderheid worden, als Christus zal regeren. En ook daarheen richtte de Heer Jezus Zijn oog, waar alles en allen zich in ongeloof en verwerping van Hem openbaarden. Het was Herodes gelukt om Johannes de Doper, de voorloper, de wegbereider van Christus, de Koning, in de gevangenis te werpen. God liet het toe dat de schriftgeleerden en farizeeën het koninkrijk wegrukten, dat de Heer Jezus, Zijn veelgeliefde Zoon, daar stond als ‘Een Die de hele dag Zijn handen uitgespreid had naar een opstandig volk’ (Jesaja 65:2; Romeinen 10:21). De mens meende alles in zijn macht te hebben en te zullen zegevieren.
En te midden van die allen en dat alles wat zich tegen Christus verhief, vernemen wij dat de Heer zegt: ‘Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader’ (vers 27). Hoe mooi maar ook hoe bemoedigend voor ons! Alle dingen overgegeven door de Vader, Die de Heer van de hemel en de aarde is. Alle dingen overgegeven aan de Zoon des mensen.
De Heer Jezus, Die door de wijzen en verstandigen niet gekend is geworden, Hij Die op aarde gesmaad, miskend, bespot, uitgeworpen en tot de dood aan het kruis, aan het vloekhout, veroordeeld werd, de Heer Die gezegd heeft: ‘Zij hebben … aan hem [Johannes de Doper] gedaan alles wat zij wilden; zo zal ook de Zoon des mensen door hen lijden’ (Mattheüs 17:12), ja, de Heiland gaf Zich Zélf in de handen van zondige mensen, liet Zich binden, geselen en, zoals een schaap naar de slachtbank geleid wordt, zo geheel overgegeven heeft Hij Zich aan het kruis laten spijkeren. Aan het kruis heeft Hij ‘door de eeuwige Geest Zichzelf vlekkeloos aan God geofferd’ (Hebreeën 9:14) en voor de vijanden van God, voor verloren zondaren, een eeuwige verlossing aangebracht. Zijn verlossingswerk heeft Hij volbracht aan het kruis, waar Hij, de Rechtvaardige, als de Plaatsvervanger voor ons schuldigen het loon van de zonde, de dood, ondergaan heeft.
Maar God heeft de Heer Jezus uit de doden opgewekt, Hem in Zijn heerlijkheid opgenomen en Hem met eer en heerlijkheid gekroond. Nu kan de Heilige Geest tot ons zeggen wat wij niet en wat wij wel zien. ‘Maar nu zien wij nog niet alles aan Hem onderworpen; maar wij zien Jezus, Die een weinig minder dan [de] engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond, opdat Hij door [de] genade van God voor alles [de] dood smaakte’ (Hebreeën 2:8-9).
Nu mogen ook wij, door het geloof, onze blik naar boven richten en onze Heer zien, bekleed met eer en heerlijkheid, ‘Die aan Gods rechterhand is, heengegaan naar [de] hemel, terwijl engelen, machten en krachten Hem onderworpen zijn’ (1 Petrus 3:22). Nu mogen we weten, op grond van Gods onfeilbaar getuigenis, dat Christus eenmaal geopenbaard zal worden als de verheerlijkte Zoon des mensen, aan Wie God het toekomstige aardrijk onderwerpen zal (Hebreeën 2:5). Daarop zag de Heer in de moeilijke omstandigheden. O, dat ook wij die Hem toebehoren, ons oog naar boven richten, naar Hem aan Wie alle macht gegeven is in de hemel en op aarde (Mattheüs 28:18).
O, dat wij onze gezegende en liefdevolle Heiland bekleed en aangegord met macht en majesteit mogen zien. En dát niet alleen – nee, Hij Die uitermate verhoogd is en Die een naam ontvangen heeft, die boven alle naam is (Filippi 2:9), Hij is ook Degene Die vol van tedere liefde en zorg voor ons is. Hij roept ook ons nog toe, zoals Hij het de schare die Hem op aarde omringde, liet horen: ‘Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven’ (vers 28). Vermoeid en met zonden beladen – ja, zeer zeker. Maar dat niet alleen. Wij kunnen, nadat wij van de last van onze zonden bevrijd zijn, ook nog door veel verschillende dingen vermoeid worden: de zorgen van het leven, het vele lijden van sommigen, zich verontrust voelen over velen van hen die met de bloedband aan ons verbonden zijn en die nog niet voor de eeuwigheid behouden zijn, het toenemend ongeloof en de openbaring van de zonde en ongerechtigheid, enzovoort. Nietwaar? De rechtvaardige Lot heeft zijn rechtvaardige ziel gekweld, door het dag aan dag zien en horen van de zondige werken in Sodom (2 Petrus 2:8).
Wij mogen met allen en met alles tot de Heer gaan, tot Hem, de Enige Die kan zeggen: ‘Ik zal u rust geven’. Met Hem, onder Zijn juk lopend en werkend, in Zijn gemeenschap verkerend, zullen wij van Hem leren dat Hij zachtmoedig is en nederig van hart. De kostelijke vrucht, het zegenrijke gevolg hiervan is dat wij rust vinden voor onze zielen, want het juk van de Heer Jezus is zacht en Zijn last is licht (vers 30).
Laten wij toch elke dag ons oog op Hem richten en overdenken wat de Heer voor ons is en wil zijn, en wat wij straks bij Zijn openbaring in heerlijkheid zullen genieten. Laten Zíjn woorden ons sterken en bemoedigen:
‘Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader’.
Bij Hem is rust, bij Hem zijn krachten,
van Hem mag ieder heil verwachten!
(naar Lied 79:3 uit ‘Geestelijke Liederen / Lofzangen en Geestelijke Liederen’)
D. Rot