Al Gods baren
Psalm 42:8
Het brullende bruisen van de zee, het huizenhoog verheffen van de golven, het wilde wassen van het water – hoe spreekt het van het onrustige van de levenszee, van levensleed, van zorgen en zonden.
Wat is het geweest, toen de afgrond riep tot de afgrond bij het gedruis van Gods watervloed, toen al Zijn baren en golven heengingen over de Heer Jezus! Zoals een hert verlangt naar water, zo dorstte Hij, het Leven Zelf, naar de levende God. Zijn ziel stortte Hij uit, Zijn tranen waren Hem tot spijs, Zijn leven lang bij het rusteloos ruisen van de zondige schare, om Hem en tegen Hem. Hij vestigde Zijn hoop op Hem, Die Hij nog zou ‘loven voor de verlossingen van Zijn aangezicht’.
Maar wat was al die onrust bij die laatste uren van Zijn leven, toen, als oorzaak van al het leed van het leven, van alle zorgen en zonden, het oordeel van God door Hem gedragen werd! De zee kwam op Hem aan, de watervloed stroomde, stormde over Hem heen. De ene afgrond riep, bij het gedruis van de watervloed, de andere afgrond op zich óók over Hem te werpen. En niet één golf bleef achter. Alle golven gingen over Hem heen. En het waren Gods baren die Hem bedekten!
Mijn God, wat is Uw liefde groot, dat om mij die machtige golven over Uw Geliefde kwamen! Want Uw toorn, die op mij rustte, was op Hem! Hoe is het rusteloos ruisen van de zee, het brullen van Uw baren daardoor voor mij veranderd in een zee van liefde, omdat ik door Uw genade geloofd heb in de Heer Jezus ten eeuwigen leven (vergelijk 1 Timotheus 1:16).
Wat zijn de redders van de zee vergeleken met Hem Die streed tegen duivel en dood. Hij Die niet alleen Zijn leven waagde in de golven, maar die er Zijn leven in liet, en dat om de zonde teniet te doen, om van hen die Hij redden wilde, de zonden te dragen. Iedereen kan deze daad van Zijn liefde begrijpen en vereren. Dat allen dit ook mogen doen.
J.N. Voorhoeve