Afsnijden uit het lichaam van Christus?

Er is een uitdrukking die wij niet zelden horen van mensen van wie wij meer inzicht zouden verwachten, namelijk “afsnijding van de leden van het Lichaam van Christus”. Zoiets is, God zij gedankt, eveneens onmogelijk. Geen enkel lid van het lichaam van Christus is ooit te scheiden van het Hoofd, of weg te nemen uit de plaats die de Heilige Geest heeft gegeven overeenkomstig het eeuwige voornemen van God, en op grond van de door Jezus Christus volbrachte verzoening.

“Afsnijden van het Lichaam van Christus” wordt namelijk soms gezegd als de tucht uitgeoefend wordt. De uitdrukking is echter helemaal verkeerd. De tucht van de vergadering kan nooit iets afdoen aan de eenheid van het lichaam. Een lid van het lichaam kan in de zonde gaan leven, of dwalen in de leer, zodat de vergadering geroepen is hem van de tafel van de Heer te verwijderen. Dit heeft echter niets te maken met zijn plaats in het lichaam. Men moet dit goed onderscheiden.

De drie Goddelijke Personen zijn eenstemmig: ze staan in voor de eeuwige veiligheid van het allerzwakste lid van het lichaam, en voor de onverbrekelijke eenheid van het geheel. Het is nu nog even waar als toen Paulus Efeze schreef dat er één lichaam is, waarvan Christus het Hoofd is, dat is gevormd door de kracht van de Heilige Geest, en waarvan alle ware gelovigen leden zijn. Dit lichaam is nu op de aarde sinds de Pinksterdag, en zal op de aarde blijven tot het snel naderende ogenblik dat Christus terugkomt om het op te nemen in het Vaderhuis. Het is hetzelfde lichaam waarvan de leden elkaar voortdurend opeenvolgen. We kunnen dit vergelijken met een of ander regiment soldaten dat gevochten heeft in de slag van Waterloo en nu te Aldershot gelegerd is. Hoewel geen man meer in het regiment is die er in de gedenkwaardige slag van 1815 toe behoorde, is het toch nog hetzelfde regiment. Dit is niet zo moeilijk te begrijpen. Het kon echter zijn, dat iemand het wel moeilijk vindt in de tegenwoordige verdeelde en verstrooide toestand van de leden, de ongebroken eenheid van het geheel te erkennen en te belijden. Hij is misschien geneigd Efeze 4:4 te beperken tot de tijd dat de apostel het opschreef, toen de Christenen de eenheid nog openbaarden en men er nog niet aan dacht zich lid te noemen van de een of andere kerk, omdat alle gelovigen leden waren van de ene Gemeente.

In de eerste plaats verzetten wij ons tegen het denkbeeld om de toepassing van het Woord van God te beperken. Welk recht hebben wij om één volzin uit Efeze 4:4-6 te knippen, en te zeggen dat die alleen van toepassing was in de dagen van de apostel? Als men één volzin beperken mag, waarom dan niet allemaal? Is er dan nu niet meer “één Geest, één Heer, één doop, één God en Vader van allen”? Zal iemand dit betwijfelen? Welnu, dan volgt er even zeker uit, dat er “één Lichaam” is. Het is alles zo nauw aan elkaar verbonden; men kan aan het een niets afdoen zonder het andere te schaden. Wij hebben niet méér recht om te ontkennen dat er een lichaam bestaat, dan wij hebben om het bestaan van een God te loochenen, want dezelfde bladzijde die ons van het één verzekert, stelt ook het andere vast.

Sommigen vragen: Waar ziet men dit ene lichaam? Is het niet ongerijmd over zoiets te spreken terwijl er bijna ontelbaar veel sekten zijn in de Christenheid? Het antwoord is dat wij niet van plan zijn de waarheid van God los te laten omdat de mensen er zo duidelijk in zijn tekortgeschoten die waarheid te verwezenlijken. Heeft Israël niet gefaald in het handhaven, belijden en toepassen van de waarheid van de enige God? En hield die heerlijke waarheid door hun falen op waar te zijn? Was het minder waar, dat er één God was, al wemelde het van afgodsaltaren in Jeruzalem en al offerde men op het dak van elk huis wierook voor de godin van de hemel? Het was nog even waar als toen Mozes de hele vergadering deze verheven woorden liet horen: “Luister, Israël! De HEERE, onze God, de HEERE is één!” De waarheid van God hangt gelukkig niet af van de ontrouwe en onzinnige wegen van mensen; ze is onschendbaar Goddelijk en blinkt in hemelse pracht, ondanks de grofste menselijke dwaling. Als het niet zo was, wat moesten wij dan beginnen? Tot wie moesten wij ons wenden? Wat zou er van ons worden? Als we werkelijk de waarheid maar in zoverre mochten geloven als we die praktisch zien verwezenlijkt in de wegen van de mensen, zouden we wanhopig worden en de ellendigste van alle mensen zijn.

En hoe moeten we de waarheid van het ene Lichaam praktisch verwezenlijken? Door te weigeren elk ander beginsel van Christelijke gemeenschap, elke andere grond van vergaderen te erkennen. Alle ware gelovigen behoren te vergaderen op die grondslag alleen – en op geen andere – dat zij leden zijn van het lichaam van Christus. Ze horen op de eerste dag van de week aan de tafel van de Heer bijeen te komen en brood te breken als leden van het ene Lichaam, zoals we lezen in 1 Korinthe 10:17: ‘Want wij, de velen, zijn één brood, één Lichaam; want wij allen nemen deel aan één brood’. Dit geldt nu evenzeer en is nu even praktisch als toen de apostel de gemeente te Korinthe toesprak. Wel waren er scheuringen in Korinthe, zoals er nu scheuringen zijn in de Christenheid, maar dit deed niet in het minst iets af aan de waarheid van God. De apostel bestraft hen over de scheuringen en noemde hen vleselijk.

Hij voelde niets voor het armzalige lage idee dat men soms hoort verdedigen, dat scheuringen goed zijn, omdat ze tot grotere activiteit aanleiding geven. Hij wist dat scheuringen slecht zijn, omdat ze de vrucht zijn van het vlees en het werk van satan. Evenmin zou de apostel iets gevoeld hebben voor de populaire voorstelling dat scheuringen in de Gemeente zijn als regimenten in het leger, met een verschillende taak, maar allen samen strijdend onder dezelfde opperbevelhebber. Deze vergelijking gaat niet op en is niets dan een onbeschaamde ontkenning van de duidelijke, nadrukkelijke verklaring dat er niet meer is dan “één Lichaam”.

Laten we die heerlijke waarheid diep overdenken, en de Christenheid bezien in dat licht. Laten we onze eigen plaats en onze eigen wegen eraan toetsen. Handelen wij in overeenstemming met die waarheid? Geven wij op elke eerste dag van de week uitdrukking aan die waarheid aan de tafel van de Heer? Wees er zeker van dat dit zowel onze heilige plicht als ons gezegend voorrecht is. Zeg niet dat er zoveel bezwaren zijn, zoveel struikelblokken op de weg, dat er zoveel is dat ons ontmoedigt in het gedrag van hen die belijden bijeen te komen op die grondslag waarover we spreken. Dit alles is jammer genoeg maar al te waar. We moeten daar van tevoren op rekenen. De duivel zal geen moeite sparen om ons te verblinden, opdat we de gezegende weg die God voor Zijn volk heeft, niet zien. We moeten echter niet letten op wat de duivel ons inblaast en ons niet door zijn listen laten vangen. Er zijn altijd moeilijkheden geweest, en die zullen er altijd zijn, als we de kostelijke waarheid van God in praktijk brengen. Misschien is een van de grootste moeilijkheden wel het inconsequente gedrag van hen die hebben beleden ernaar te handelen.

We moeten echter onderscheid maken tussen de waarheid en hen die de waarheid belijden, tussen de grondslag en hen die op de grondslag staan. Natuurlijk hoort daar overeenstemming tussen te zijn, maar is die er niet, dan is het onze roeping te oordelen of het gedrag klopt met het standpunt en niet het standpunt met het gedrag. Als we zien dat een boer moderne landbouwmethoden geheel verkeerd toepast doordat hij zijn vak niet verstaat, wat doen we dan? We keuren de manier van werken natuurlijk af, maar aan de goede methode houden we vast. Zo is het ook met betrekking tot de besproken waarheid. Er waren in Korinthe scheuringen, dwalingen en allerlei verkeerde dingen. Moest nu de waarheid van God worden prijsgegeven als een mythe, of als iets geheel onuitvoerbaars? Moesten de Korinthiërs gaan samenkomen op een heel andere grondslag? Moesten ze een nieuwe regeling treffen of om een ander middelpunt vergaderen? Nee, dank zij God! Zijn waarheid mochten ze geen ogenblik loslaten, al was Korinthe door duizend sekten verscheurd en de atmosfeer door duizend ketterijen bedorven. Het lichaam van Christus was één, en de apostel stelt hen eenvoudig deze heerlijke waarheid voor: “U bent [het] lichaam van Christus en ieder afzonderlijk leden” (1 Korinthe 12:27).

Nu richtte hij deze woorden niet alleen tot de gemeente te Korinthe, maar ook tot: “allen, in elke plaats, die de Naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen, zowel hun als onze [Heer]”. Dus is de waarheid van het ene Lichaam blijvend en algemeen. Iedere Christen is geroepen ze te erkennen en ernaar te handelen. Elke vergadering van Christus, waar ook, hoort de plaatselijke uitdrukking te zijn van deze grote, uiterst belangrijke waarheid. Misschien vraagt men: Hoe kan van een vergadering gezegd worden: U bent [het] lichaam van Christus? Er waren toch ook gelovigen te Efeze, te Kolosse en in Filippi? Zeker! en had de apostel hen over hetzelfde onderwerp geschreven, dan had hij eveneens tot hen gezegd: U bent [het] lichaam van Christus, in zoverre zij de voorstelling waren van het lichaam in die plaats. Bovendien had hij, toen hij zo sprak, al de gelovigen voor zijn aandacht, tot het einde van het bestaan van de Gemeente op aarde.

Tot een menselijk genootschap had de apostel onmogelijk dergelijke woorden kunnen richten. Zelfs al waren al die menselijke genootschappen – of hoe men ze ook noemen wil – tot één groot systeem samengesmolten, dan had hij nog niet kunnen spreken van “het Lichaam van Christus”. Dat Lichaam bestaat en is samengesteld uit alle gelovigen op de hele wereld. Dat zij niet vergaderen op die enige Goddelijke grondslag is tot hun grote schade en tot oneer van de Heer, maar toch blijft de kostbare waarheid van kracht dat er “één Lichaam” is. Dat is de Goddelijke maatstaf waaraan we elke kerkelijke vereniging en elk godsdienstig systeem onder de zon behoren te toetsen.

C.H. Mackintosh