Aantekeningen op Exodus 1-3

Auteur: C.H. Mackintosh

Exodus 1

Het hoofdonderwerp van het Bijbelboek Exodus is verlossing. De eerste verzen brengen ons de laatste taferelen van het voorgaande boek voor de geest. De voorwerpen van Gods verkiezende liefde staan voor ons. En al gauw richt de gewijde schrijver onze aandacht op de verdere geschiedenis van Gods volk. In onze beschouwing over het boek Genesis hebben wij gezien dat het gedrag van Jozefs broeders de oorzaak was van hun komst in Egypte. Dit feit moet van twee kanten bekeken worden. Ten eerste ligt voor ons een ernstige les opgesloten in wat Israël deed tegenover God. Ten tweede ontvangen wij een bemoedigend onderricht in wat God deed tegenover Israël.

Als wij Israëls gedrag tegenover God bezien, is het belangrijker voor ons om na te gaan wat de gevolgen waren van hun boosheid tegenover hem in wie wij een type zien van de Heer Jezus Christus. Zonder zich te bekommeren over zijn zielsangst, gaven Jozefs broeders hem over in de handen van de onbesnedenen. En wat was hiervan voor Jozefs broeders het gevolg? Zij werden naar Egypte gevoerd, waar zij een smartelijke oefenschool moesten doorlopen, zoals in de laatste hoofdstukken van Genesis wordt vermeld. Maar dit was niet alles. Een langdurig donker tijdperk stond hun nakomelingen te wachten in het land waar Jozef een gevangene was geweest.

In dit alles echter was God werkzaam, te midden van de plannen van mensen, en God kan uit het kwade het goede tevoorschijn doen komen. Jozefs broers konden hem verkopen aan de Ismaëlieten, en die weer aan Potifar, en Potifar kon hem gevangen zetten, maar Jahweh was boven allen verheven, en Hij volvoerde Zijn raadsbesluiten. “Want de woede van mensen zal U tot lof zijn” (Psalm 76:11), zegt de Psalmist van Hem. Het was de tijd nog niet dat de erfgenamen gereed waren voor de erfenis, en evenmin de erfenis voor de erfgenamen. De tichelovens van Egypte zouden nog een harde leerschool voor het zaad (nageslacht) van Abraham worden, zolang de maat van “de ongerechtigheid van de Amorieten” (Genesis 15:16) niet vol was op de bergen en in de dalen van het beloofde land. Dit alles is belangrijk en leerzaam. In Gods regering zijn raderen midden in raderen (Ezechiël 1:16). Hij gebruikt oneindig veel verschillende middelen om Zijn ondoorgrondelijke plannen te volvoeren. De vrouw van Potifar, de schenker van Farao, Farao’s dromen, Farao zelf, de kerker, de troon, de keten, de koninklijke zegelring, de hongersnood – alle staan ze ter beschikking van Zijn macht, en alle worden dienstbaar gemaakt aan het bereiken van Zijn doel. De geestelijke mens staat verrukt bij dit alles stil, overziet het ruime veld van Gods schepping en voorzienigheid, en ziet met vreugde hoe een almachtig en alwijs God alles bestuurt en gebruikt om Zijn plannen van reddende liefde uit te voeren.
Weliswaar ontdekken wij menig spoor van “de oude slang”, de vijand van God en de mensen. Ook zijn er veel dingen die wij niet kunnen verklaren en volstrekt niet kunnen begrijpen, zoals het lijden van onschuldigen en de voorspoed van goddelozen, dingen die schijnbaar grond geven aan ongelovige redeneringen, maar de ware gelovige kan vol vertrouwen rusten in de zekerheid dat “de Rechter van de hele aarde recht zal doen” (Genesis 18:25).

Dank zij onze God voor de troost en de bemoediging die er in zulke overdenkingen liggen opgesloten. Wij hebben daar telkens behoefte aan op onze tocht door de boze wereld, waar de vijand zo’n ontzettend kwaad sticht, waar de begeerlijkheid en de hartstochten van de mensen zulke wrange vruchten dragen, en het pad van de ware discipel moeilijkheden oplevert, waarvoor de natuurlijke mens zou terugdeinzen. Het geloof weet dat er achter dit alles Eén is die de wereld niet ziet of kent. Omdat het geloof dit weet, kan het met gerustheid zeggen: “Het gaat goed”, en: “het is goed zo” (2 Koningen 4:26,23). Bovengenoemde gedachten komen als vanzelf op bij het lezen van de eerste verzen van ons boek. God zegt: “Mijn raadsbesluit houdt stand en Ik zal al Mijn welbehagen doen” (Jesaja 46:10). Al biedt de vijand tegenstand, God zal altijd bewijzen sterker te zijn dan hij, en wij hoeven alleen maar eenvoudig en kinderlijk te berusten in Gods natuur.

Het ongeloof ziet vaak meer op de pogingen van de vijand om tegen te werken dan op Gods macht; het geloof ziet echter alleen op die macht, en kan zodoende alles overwinnen en blijvende vrede genieten. Het geloof rekent met God en Zijn onfeilbare trouw. Het bouwt niet op de beslissingen die mensen nemen of op aardse hulp – dan zou het op zand bouwen – maar het steunt op de onwrikbare rotssteen van Gods eeuwig Woord, de heilige en vaste schuilplaats van het geloof. Wat er ook gebeurt, het woont veilig in dit heiligdom van Gods sterkte. “Toen Jozef gestorven was, en ook al zijn broers, en heel die generatie” (vers 6). Kon de dood nu enige verandering brengen in het raadsbesluit van de levende God? Volstrekt niet. God wachtte slechts op het door Hem bepaalde ogenblik. Op de juiste tijd zou Hij de meest vijandige machten dienstbaar maken aan de ontwikkeling van Zijn doeleinden. “Toen trad er in Egypte een nieuwe koning aan, die Jozef niet gekend had. Hij zei tegen zijn volk: Zie, het volk van de Israëlieten is talrijker en machtiger dan wij. Kom, laten wij er verstandig tegen optreden, anders zal het talrijk worden en, mocht het zijn dat er een oorlog uitbreekt, dan zal het zich ook bij onze vijanden aansluiten, tegen ons strijden en uit het land wegtrekken” (verzen 8-10).

Zo spreekt de mens die niet geleerd heeft met God rekening te houden bij het maken van zijn plannen. Het onvernieuwde hart kan dit ook niet; vandaar dat al deze plannen in duigen vallen zodra God Zich openbaart. Zonder God, of onafhankelijk van God, schijnen ze misschien heel verstandig; in Gods tegenwoordigheid echter blijken ze louter dwaasheid te zijn. Maar waarom zouden wij ons laten beïnvloeden door redeneringen en berekeningen waarvan de schijnbare waarheid enkel berust op het geheel en al buitensluiten van God? In beginsel is dit niets anders dan God verloochenen. Farao meende de mogelijke loop van de gebeurtenissen nauwkeurig te kunnen voorspellen: het vermenigvuldigen van het volk, het uitbreken van de oorlog, Israëls overlopen naar de vijand, hun vlucht uit Egypte. Hij overwoog al deze omstandigheden met ongewone schranderheid. Het kwam echter niet bij hem op dat Gods hand hierin werkzaam zou kunnen zijn. Had hij hieraan gedacht, dan had het zijn hele redenering omvergeworpen en zijn berekeningen tot dwaasheid bestempeld. De koning van Egypte “dwaalde zeer”, omdat hij noch God, noch de “onveranderlijkheid van Zijn raad” kende. Hij wist niet dat honderden jaren tevoren, lang voor hij zelf het levenslicht zag, Gods woord en eed – “twee onveranderlijke dingen” (Hebreeën 6:18) – de volkomen en heerlijke bevrijding van het volk, dat Farao in zijn wijsheid wilde vernietigen, onfeilbaar hadden verzekerd. Van dit alles wist hij niets, en zodoende berustten al zijn gedachten en voornemens op zijn onbekendheid met de grote grondslag van alle waarheid, dat GOD IS. Tevergeefs meende hij door zijn toedoen de uitbreiding te kunnen beletten van hen die naar Gods woord zouden zijn als “de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is” (Genesis 22:17). Zijn verstandig overleg was niets dan dwaasheid en onverstand.

Te gaan handelen zonder rekening te houden met God, is de grootste dwaling waartoe de mens kan vervallen. Vroeg of laat zal de gedachte aan God zich aan hem opdringen, en dan zullen al zijn ontwerpen en berekeningen in duigen vallen. Wat zonder God wordt ondernomen, kan hoogstens in deze tegenwoordige tijd stand houden; niets daarvan blijft tot in de eeuwigheid. Alles wat enkel menselijk is, hoe machtig, schitterend en aantrekkelijk ook, zal onder de koude aanraking van de dood verzinken, en in het donkere, zwijgende graf tenietgaan.

De “kluiten van het dal” (Job 21:33) zullen eenmaal de hoogste voortreffelijkheid en de uitnemendste heerlijkheid van de mens bedekken, en van al zijn plannen komt niets. Daarentegen zal wat met God verbonden en op Hem gegrond is, eeuwig blijven. “HEERE, Uw Naam bestaat voor eeuwig; De gedachtenis aan U, HEERE, is van generatie op generatie” (Psalm 135:13). Wat een treurige dwaling is het dus wanneer de zwakke, sterfelijke mens zich tegen de eeuwige God verzet. Zomin als de koning van Egypte de getijden van de oceaan met zijn hand kon keren, kon hij de vermenigvuldiging verhinderen van hen die de voorwerpen waren van Jahweh’s eeuwig raadsbesluit. Al stelde men dan ook opzichters van herendiensten over hen aan, om hen te onderdrukken door de hun opgelegde dwangarbeid, hoe meer men hen onderdrukte, des te meer vermenigvuldigden zij zich. En zo zal het altijd zijn.

“Die in de hemel woont, zal lachen, de Heere zal hen bespotten” (Psalm 2:4). Eeuwige beschaming zal het gevolg zijn van de tegenstand van de mens en van satan. Dit geeft rust aan het hart te midden van een wereld waarin alles zich tegen God en het geloof verzet. Hadden wij niet de verzekering dat “de woede van mensen zal U tot lof zijn” (Psalm 76:11), dan zouden wij dikwijls de moed verliezen bij het zien op de omstandigheden en invloeden die ons in deze wereld omringen. Echter, God zij dank: “daar wij ons oog niet richten op de dingen die men ziet, maar op de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig” (2 Korinthe 4:18). In de kracht hiervan mogen wij zeggen: “Zwijg voor de HEERE en verwacht Hem; ontsteek niet in woede over hem wiens weg voorspoedig is, over een man die listige plannen uitvoert” (Psalm 37:7). Hoe duidelijk zien we de waarheid hiervan in dit hoofdstuk, zowel wat betreft de vervolgden als de vervolger! Wanneer Israël zag op “de dingen die men ziet”, wat zag het dan? Farao’s toorn, onverbiddelijke opzichters, zware lasten, harde dienst, kalk en stenen. Maar wat waren “de dingen die men niet ziet”? Gods eeuwig raadsbesluit, Zijn onveranderlijke belofte, de dageraad van de verlossing, de “brandende fakkel” van Jahweh’s bevrijding. Wonderlijke tegenstelling! Dit kan alleen het geloof begrijpen. Alleen het geloof kon de arme, verdrukte Israëlieten uit de rokende oven van Egypte doen uitzien naar de groene weiden en de vruchtbare bergen van het land Kanaän. Alleen het geloof kon in die mishandelde slaven, die zwoegden in de Egyptische steenbakkerijen, de erfgenamen van het heil herkennen, de voorwerpen van de bijzondere zorg en gunst van de hemel.

Zo was het toen, en zo is het nu. “Wij wandelen door geloof, niet door aanschouwen” (2 Korinthe 5:7). “Het is nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn” (1 Johannes 3:2). “Wij wonen nog in het lichaam en zijn nog niet bij de Heer” (2 Korinthe 5:6). Lichamelijk bevinden wij ons in Egypte, in de geest zijn wij echter in het hemels Kanaän. Geloof brengt het hart onder de macht van de Goddelijke, onzichtbare dingen, waardoor het in staat is zich te verheffen boven de dingen hier beneden waar duisternis en dood regeren. Hadden wij maar meer dit kinderlijk geloof dat zich aan de zuivere, altijd stromende bron van de waarheid zet om daar dat verfrissende water te drinken dat de verkwijnende geest opwekt en de nieuwe mens kracht geeft om zijn weg, voorwaarts en opwaarts, moedig voort te zetten!

De slotverzen van dit hoofdstuk geven ons een treffende les in het gedrag van de twee godvrezende vrouwen Sifra en Pua. Zij wilden het wrede bevel van de koning niet uitvoeren, maar trotseerden zijn toorn, en daarom gaf God beiden een gezin. “Wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij verachten, zullen zelf veracht worden” (1 Samuel 2:30). Laten wij dit steeds bedenken en in alle omstandigheden bij ons doen en laten God voor ogen houden.

Exodus 2:1-10

In dit gedeelte van ons boek vinden we belangrijke grondbeginselen van de Goddelijke waarheid. Duidelijk onderscheiden wij hierin: de macht van de boze, de macht van God en de kracht van het geloof. Aan het slot van het vorige hoofdstuk lezen wij: “Toen gebood de farao heel zijn volk: Al de zonen die geboren worden, moet u in de Nijl werpen”. Hier werkte de macht van de duivel. De rivier was de plaats van de dood, en door middel van de dood trachtte satan Gods doel te verijdelen. Zo is het van het begin af geweest. Steeds heeft de slang met afgunst hen gadegeslagen die God wilde gebruiken om Zijn doeleinden te bereiken. We zien dit in de geschiedenis van Abel (Genesis 4). Wat deed de slang anders dan een uitverkorene van God bespieden, om hem door middel van de dood uit de weg te ruimen? Zie ook de geschiedenis van Jozef (Genesis 37). Daar lezen wij hoe de vijand de man van Gods keuze ter dood trachtte te brengen. Zie wat er gebeurde met het koninklijk geslacht (2 Kronieken 22), en de moord op de kinderen door Herodes (Mattheüs 2), en de kruisdood van de Heer Jezus (Mattheüs 27). Overal zien wij hoe de satan door middel van de dood de loop van Gods werk probeert te stuiten. Echter, God zij geloofd, er is iets wat verder reikt dan de dood. Gods doen in verband met de verlossing ligt buiten de grenzen van de macht van de dood. Wanneer satans krachten zijn uitgeput, treedt God tevoorschijn. Het graf is het einde van het werken van de duivel, terwijl God daar juist begint.

Dit is een heerlijke waarheid. Satan heeft de macht van de dood, maar God is de God van de levenden, Hij geeft leven dat buiten het bereik en de macht van satan ligt; het is een leven dat de duivel niet kan aanraken. Wat verkwikkend voor het hart dit te weten in een wereld waar de dood regeert! Het geloof kan staande blijven en toezien, terwijl de duivel zijn hele macht tentoonspreidt. Het kan zich vastklemmen aan Gods krachtige tussenkomst door de opstanding. Bij het graf van een geliefde geeft Hij, die “de opstanding” en “het leven” is, ons de verzekering dat we een zalige onsterfelijkheid bezitten. Het geloof weet dat God machtiger is dan de boze. Het kan dus stil de volkomen openbaring van die macht afwachten, en zodoende alles overwinnen en volkomen vrede genieten. Een treffend voorbeeld van zo’n geloofskracht vinden wij in de eerste verzen van dit hoofdstuk.

“Een man uit het geslacht van Levi ging en nam een dochter van Levi tot vrouw. De vrouw werd zwanger en baarde een zoon. Toen zij hem zag, dat hij mooi was, verborg zij hem drie maanden. Maar toen zij hem niet langer kon verbergen, nam zij voor hem een mandje van biezen en bestreek het met asfalt en pek. Zij legde het kind daarin en zette het tussen het riet aan de oever van de Nijl. En zijn zuster ging op een afstand staan om te weten te komen wat er met hem gedaan zou worden” (verzen 1-4). Hoe wij deze geschiedenis ook beschouwen, altijd wekt zij onze belangstelling. Feitelijk is het eenvoudig een geschiedenis van het geloof dat de invloed van de natuur en de dood overwint, en de Heer van de opstanding vrij laat handelen op Zijn eigen wijze en overeenkomstig Zijn karakter. De macht van de boze blijkt echter duidelijk, daar het kind in een toestand moest worden geplaatst die niet veel beter was dan de dood. Bovendien werd het hart van de moeder als met een zwaard doorstoken bij het zien van haar geliefde kind dat als het ware in het graf werd gelegd. Al verrichtte de duivel zijn boos werk en al moest het natuurlijk hart lijden, Hij die de doden opwekt, was achter de donkere wolk. Het geloof onderscheidde Hem, en zag hoe Hij die wolk van de zijde van de hemel met Zijn schitterende en levengevende stralen verguldde.

“Door [het] geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang door zijn ouders verborgen, omdat zij zagen dat het kind mooi was; en zij vreesden het gebod van de koning niet” (Hebreeën 11:23). Deze edele dochter van Levi geeft ons een belangrijke les. Haar kistje van biezen, bestreken “met asfalt en pek”, zegt ons hoe zij vertrouwde dat er iets bestond wat dit “schone kind”, net als Noach, de “prediker van de gerechtigheid”, tegen de wateren van de dood kon beschermen. Moeten wij veronderstellen dat dit kistje slechts een zuivere menselijke vinding was, een voorzorg die vrouwelijke schranderheid haar ingaf? Was het alleen haar moederlijk gevoel dat haar het kind in een kistje deed leggen met de zoete, maar dwaze hoop daardoor haar schat te beveiligen tegen de nietsontziende dood? Nee, het kistje werd in geloof vervaardigd, als een “ark” van genade, die het “schone kind” veilig over de donkere wateren van de dood zou voeren naar de plaats die in Gods onveranderlijke raadsplan was bepaald. Deze dochter van Levi, gebogen over het “biezen kistje” waarin zij haar kind legde, wandelde in het voetspoor van het geloof van haar vader Abraham. Hier is geen sprake van de energie van de menselijke natuur.

Nee, wij zien hier de kracht van een geloof dat haar als overwinnares bij het water van de dood doet staan, en waardoor zij zich verheft boven deze plaats van verwoesting en dood. Het geloofsoog dringt door de zware wolken heen die zich boven het graf samenpakken, en ziet hoe de God van de opstanding de uitkomsten van Zijn eeuwige raadsbesluiten openbaart, waar geen pijl van de dood meer kan treffen. Het geloof kiest zijn standplaats op “de rots der eeuwen”, om in heilige overwinning toe te luisteren als de golven van de dood aan zijn voeten bruisen.

Wat betekende “Farao’s gebod” voor haar die zo’n geloof bezat? Welke waarde had dit gebod voor iemand die rustig bij dit “biezen kistje” kon staan, en de dood in het aangezicht zien? De Heilige Geest antwoordt: “Zij vreesden het gebod van de koning niet”. Het hart dat iets weet van gemeenschap met Hem Die de doden levend maakt, kent geen vrees. Zo’n hart kan de overwinningstaal spreken van 1 Korinthe 15, en uitroepen: “Waar is, dood, uw prikkel? Waar is, dood, uw overwinning?” Wij kunnen dit overwinningslied zingen bij het lijk van de vermoorde Abel, bij Jozef in de put, bij Mozes in het biezen kistje, als het koninklijk geslacht door Athalia omgebracht wordt, bij de kinderen van Bethlehem en bovenal bij het graf van de overste Leidsman van onze zaligheid!

Misschien zijn er Christenen die niet zien hoe het geloof werkt in de geschiedenis van het “biezen kistje”. Velen van hen hebben het misschien niet verder gebracht dan de zuster van Mozes, toen zij “op een afstand ging staan om te weten te komen wat er met hem gedaan zou worden”. Het is duidelijk dat de zuster van Mozes niet zo’n groot geloof had als haar moeder. Ongetwijfeld voelde zij diepe belangstelling en ware genegenheid, zoals wij die zien bij “Maria Magdalena en de andere Maria, gezeten tegenover het graf” (Mattheüs 27:61). Er was echter veel meer dan belangstelling of genegenheid bij haar die het “biezen kistje” vervaardigde. Zij ging niet op enige afstand staan om te zien wat er met haar kind gebeuren zou. Zoals dikwijls het geval is, had de waardigheid van het geloof de schijn van onverschilligheid; het was echter geen onverschilligheid, maar ware grootheid van ziel, volmaakt vertrouwen op God. Haar moederlijk gevoel deed haar niet op het toneel van de dood blijven. Dit kwam doordat zij in de kracht van het geloof edeler werk te doen had voor het aangezicht van de God van de opstanding. Haar geloof deed alles voor Hem wijken, en op de heerlijkste wijze zou God Zich openbaren.

“Toen daalde de dochter van de Farao af om zich te wassen in de Nijl. Terwijl haar dienaressen langs de kant van de Nijl liepen, zag zij het mandje midden in het riet. Zij stuurde haar slavin om het te halen. Toen zij het opendeed, zag zij hem, het kind. En zie, het jongetje huilde. Zij kreeg medelijden met hem en zei: Dit is een van de Hebreeuwse kinderen” (verzen 5-6).

Hier hoort het geloof al het Goddelijk antwoord. God was in dit alles. De rationalist, de scepticus, de ongelovige, de godloochenaar glimlacht hier misschien bij. Het geloof lacht ook, maar het lachen van beiden is heel verschillend. De eersten lachen verachtelijk om het idee dat we God tussenbeide zien treden in zoiets onbelangrijks: de wandeling van een koningsdochter langs een rivier. Het geloof daarentegen lacht uit ware vreugde bij de gedachte dat God in alle dingen is. En zeker, als God ooit iets geleid heeft, dan was dat deze wandeling van Farao’s dochter, al was zij zich er zelf niet van bewust.

Het is voor het vernieuwde gemoed een bijzonder genot de leiding van God na te gaan in omstandigheden en gebeurtenissen waarin de onnadenkende mens enkel het blinde toeval of een onbestemd noodlot ziet. Het onbeduidendste voorval kan soms één van de belangrijkste schakels worden in een reeks gebeurtenissen, waardoor de almachtige God plannen volvoert. Lees bijvoorbeeld het zesde hoofdstuk van het boek Esther. Wij vinden daar een heidense koning die een slapeloze nacht heeft. Niets ongewoons zou men denken, en toch wordt deze slapeloze nacht de eerste schakel in een langere reeks gebeurtenissen, die met de wonderbare bevrijding van de verdrukte Israëlieten eindigt. Zo ging het ook met de dochter van Farao toen zij langs de Nijl wandelde. Ze was zich er niet van bewust dat zij het doel van de “HEERE, de God van de Hebreeën” in de hand werkte. Evenmin kon zij vermoeden dat de huilende zuigeling in het biezen kistje eenmaal het werktuig van Jahweh zou zijn om Egypte zo heftig te beroeren. En toch was het zo! Jahweh kan de woede van mensen Hem tot lof doen zijn, en met de rest van de woede zal Hij Zich omgorden (Psalm 76:11). Hoe duidelijk komt dit uit in wat er volgt.

“Toen zei zijn zuster tegen de dochter van de farao: Zal ik voor u een voedster uit de Hebreeuwse vrouwen gaan roepen, die dat kindje voor u de borst kan geven? De dochter van de farao zei tegen haar: Ga maar. Toen ging het meisje de moeder van het kind roepen. En de dochter van de farao zei tegen haar: Neem dit kind mee en geef het voor mij de borst. Ikzelf zal u uw loon geven. De vrouw nam het jongetje mee en gaf het de borst. En toen het jongetje groot geworden was, bracht zij hem bij de dochter van de farao, en hij werd haar tot zoon. Zij gaf hem de naam Mozes. Want, zei ze, ik heb hem uit het water getrokken” (verzen 7-10).

Het geloof van Mozes’ moeder wordt hier rijk beloond; de duivel wordt beschaamd, en Gods wonderbare wijsheid wordt tentoongespreid. Wie zou gedacht hebben dat hij die gezegd had: “Dan moet u, als het een zoon is, hem doden” en: “Al de zonen die geboren worden, moet u in de Nijl werpen”, aan zijn hof een van die “zonen” zou opnemen, en wel zulk “een zoon”. De duivel wordt met zijn eigen wapens verslagen: Farao, die door de satan gebruikt werd om zo mogelijk Gods plannen te verijdelen, wordt door God Zelf gebruikt om Mozes te verzorgen en op te voeden – Mozes, die Gods werktuig zou zijn om satans macht te vernietigen. Wonderlijke wijsheid! Inderdaad, Jahweh is wonderlijk van raad, maar groot van daad! Laten wij leren altijd eenvoudig op Hem te vertrouwen! Dan zal onze wandel God meer verheerlijken en van ons getuigenis zal meer kracht uitgaan.

Exodus 2:11-25

De geschiedenis van Mozes kunnen we uit twee oogpunten bezien: Mozes als persoon en als type. Bij het bestuderen van Mozes’ persoon en karakter valt heel veel voor ons te leren. God heeft hem op verschillende wijzen gevormd gedurende een lange tijd van tachtig jaar, eerst in de woning van Farao’s dochter, later “voorbij de woestijn”. Voor ons bekrompen verstand is dat een buitengewoon lange tijd, besteed aan de opvoeding van een dienaar van God. Maar Gods gedachten zijn niet onze gedachten. God wist dat die tweemaal veertig jaar nodig waren om Zijn uitverkoren vat voor te bereiden. Wanneer God onderwijst, doet Hij dit op een manier die bij Hem en Zijn heilige dienst past. Hij wil geen nieuweling tot Zijn werk toelaten. De dienaar van Christus moet in het verborgen menige les leren, veel beproevingen ondergaan en veel strijden, voordat hij geschikt is om in het openbaar op te treden. De natuurlijke mens voelt hier niets voor. Hij wil liever in het openbaar optreden dan in de afzondering onderwezen worden; hij wil liever dat de mensen hem bewonderen dan dat Gods hand hem tuchtigt. Dat zou echter verkeerd werken. Wij moeten Gods weg gaan. De natuur in de mens wil zich misschien naar het arbeidsveld haasten, God kan de natuur daar niet gebruiken. Dit natuurlijke element in ons moet verbrijzeld en terzijde gesteld worden. De dood is de plaats voor onze natuur. Wil de mens in eigen kracht werken, dan zal God in Zijn onfeilbare trouw en volmaakte wijsheid de resultaten van dat werk zó leiden, dat die kracht vernietigd en te schande wordt. God kent de plaats die onze oude natuur toekomt, en zal die in bedwang houden. Laten wij toch in alles wat ons eigen ik betreft in nauwere gemeenschap met God leven. Dan zullen wij ons niet zo vaak vergissen; onze wandel zal gelijkmatiger worden en meer hemels; ons hart zal rustig en onze dienst zal nuttig zijn.

“In die dagen, toen Mozes groot geworden was en naar zijn broeders vertrok en hun dwangarbeid aanzag, gebeurde het dat hij een Egyptische man zag, die een Hebreeuwse man sloeg, een van zijn broeders. Hij keek om zich heen, en toen hij zag dat er niemand was, sloeg hij de Egyptenaar dood en verborg hij hem in het zand” (verzen 11-12). Hier toonde Mozes ijver voor zijn broeders, maar het was ijver zonder verstand. De tijd die God had vastgesteld om Egypte te oordelen en Israël te bevrijden, was nog niet gekomen, en de verstandige dienaar zal altijd Gods tijd afwachten. Mozes was “groot geworden”, hij was “onderwezen in alle wijsheid van [de] Egyptenaren” en, meer nog, “hij nu meende dat zijn broeders zouden beseffen dat God hun door zijn hand behoudenis zou geven” (Handelingen 7:23,25).

Dit was allemaal waar, maar het is duidelijk dat hij op Gods tijd vooruitliep, en als dit het geval is, is vergissing en mislukking het noodzakelijk gevolg.

In de rede van Stefanus tot de raad te Jeruzalem maakt deze melding van Mozes’ handelwijze en het is misschien nuttig hier even bij stil te staan. “Toen hij nu [de] leeftijd van veertig jaar had bereikt, kwam het in zijn hart op zijn broeders, de zonen van Israël, te bezoeken. En toen hij iemand onrecht zag lijden, beschermde hij hem en nam wraak voor hem die werd afgebeuld door de Egyptenaar neer te slaan. Hij nu meende dat zijn broeders zouden beseffen dat God hun door zijn hand behoudenis zou geven; maar zij beseften het niet” (Handelingen 7:23-25).

Het is duidelijk dat Stefanus in zijn hele toespraak de bedoeling had de geschiedenis van het volk op het geweten van zijn hoorders toe te passen. Het zou, met dit doel voor ogen, heel vreemd zijn geweest en in strijd met het plan van de Heilige Geest in het Nieuwe Testament, als hij de vraag had geopperd in hoeverre Mozes voor de door God bepaalde tijd gehandeld had. Hij zei eenvoudig: “Het kwam in zijn hart op zijn broeders, de zonen van Israël, te bezoeken”. Hij zei niet, dat God hem toen zond. Trouwens, dit veranderde niets aan de toestand van hen die hem verwierpen. Zij hebben het niet verstaan. Dit was waar met betrekking tot zijn broeders, afgezien van wat Mozes persoonlijk daardoor moest leren. Wie enigszins geestelijk is, zal dit zonder moeite begrijpen.

Beschouwen wij Mozes als type, dan zien wij in hem een type van Christus, Die tot Israël kwam dat Hem verwierp en weigerde om Hem over hen te laten heersen. Beschouwen wij daarentegen Mozes als persoon, dan zien wij dat hij evenals andere mensen fouten beging en zwakheden had, dat hij het ene ogenblik te gauw, het andere ogenblik te langzaam handelde. Dit alles is gemakkelijk te begrijpen, en het maakt Gods oneindige liefde en onuitputtelijk geduld alleen maar groter.

Behalve vergissing en mislukking is er ook onzekerheid, gebrek aan rust en verhevenheid van geest, aan heilige onafhankelijkheid, als men een werk wil ondernemen en voortzetten voordat Gods tijd gekomen is. Mozes “zag hierheen en daarheen”. Dit hoeven we niet te doen als we met en voor God werken, in het volle bewustzijn dat we Zijn wil doen. Was de door God bepaalde tijd inderdaad daar geweest en was Mozes er zich van bewust geweest dat God hem gezonden had om het oordeel over de Egyptenaar te volvoeren en had hij zeker geweten dat God met hem was, dan zou hij niet “hierheen en daarheen” gekeken hebben.

De manier waarop Mozes te werk ging, bevat een ernstige, praktische les voor alle dienaren van God. Twee dingen kunnen ons zo doen handelen: de vrees voor de vijandschap van de mensen en het verlangen bij hen in de gunst te komen. Wie de levende God dient, moet zich om die dingen niet bekommeren. Wat heeft de vijandschap of de genegenheid van een sterveling te betekenen voor iemand die een boodschap van God brengt en in Zijn tegenwoordigheid mag verkeren? Volgens hem zijn die vijandschap en genegenheid van minder gewicht dan een stofje aan de weegschaal! “Heb Ik het u niet geboden? Wees sterk en moedig, schrik niet en wees niet ontsteld, want de HEERE, uw God, is met u, overal waar u heen gaat” (Jozua 1:9).

“U dan, omgord uw middel, sta op en spreek tot hen alles wat Ík u gebieden zal. Wees niet ontsteld vanwege hen, anders zal Ík u ontsteld doen zijn voor hen. Want zie, Ík stel u heden aan tot een versterkte stad, tot een ijzeren pilaar en tot bronzen muren, tegen heel het land, tegen de koningen van Juda, tegen zijn vorsten, tegen zijn priesters en tegen de bevolking van het land. Zij zullen tegen u strijden, maar zij zullen niet tegen u op kunnen, want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te redden” (Jeremia 1:17-19). Wanneer de dienaar van Christus het verheven standpunt heeft bereikt waarover bovenstaande woorden spreken, zal hij niet “hierheen en daarheen” zien, maar hij zal handelen volgens de wijsheid die van boven is. “Laten je ogen recht vooruitkijken en je oogleden zich recht vóór je houden” (Spreuken 4:25). Kennis van God zal ons altijd omhoog en vooruit doen zien.

Als wij erop uit zijn om de boze blikken van de mensen te ontgaan of hun goedkeuring te krijgen, kunnen wij er zeker van zijn dat er iets fout is, en dat het ons ware doel niet is de Heer te dienen. Wij missen dan het bewustzijn dat God ons heeft gezonden en we zijn niet zeker van Zijn hulp. Wij kunnen echter geen van beide missen. Er zijn weliswaar mensen die door onwetendheid of verregaand zelfvertrouwen een werk beginnen waartoe God hen volstrekt niet heeft geroepen en waarop Hij hen ook niet heeft voorbereid. Zij doen dit werk onverstoorbaar en rustig zodat allen zich verbazen die hun begaafdheden en verdiensten onpartijdig beoordelen. Dit neemt echter volstrekt niet de waarheid weg van het beginsel dat niets de mens werkelijk kan bevrijden van de neiging om “hierheen en daarheen” te zien dan de zekerheid dat God hem een werk heeft opgedragen en voortdurend met hem is. Als we dit weten, hebben mensen geen invloed en zijn we geheel onafhankelijk van hen. Niemand kan zijn medemens dienen als hij niet geheel onafhankelijk van hem is. Wie echter werkelijk zijn plaats kent, kan zich neerbuigen om zijn broeders de voeten te wassen.

Wanneer wij onze ogen van de mens afwenden en op de ware en volmaakte dienaar zien, merken wij dat Hij niet “hierheen en daarheen” zag, om de eenvoudige reden dat Hij Zijn blik nooit op de mens, maar altijd op God gericht hield. Hij vreesde niet de vijandschap van de mens, evenmin zocht Hij de gunst van mensen. Hij sprak nooit een woord om de goedkeuring van de mensen te verwerven en evenmin zweeg Hij om hun afkeuring te ontwijken. Daardoor was er heilige beslistheid en verhevenheid in alles wat Hij zei en deed. Van Hem alleen kon werkelijk gezegd worden: “Waarvan het blad niet afvalt; al wat hij doet, zal goed gelukken” (Psalm 1:3). Alles wat Hij deed, bracht rijke zegen voort, omdat alles voor God gedaan werd. Elke daad, elk woord, elke beweging, elke blik, elke gedachte was een liefelijke reuk voor God. Nooit was Hij bang voor de gevolgen van wat Hij zei of deed, omdat Hij in alles met God en voor God handelde, in het volle besef van Diens wil. Zijn eigen wil, al was die ook Goddelijk volmaakt, mengde zich nooit in iets wat Hij als mens hier op aarde deed. Hij kon zeggen: “Ik ben van de hemel neergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil van Hem Die Mij heeft gezonden” (Johannes 6:38).

Daarom bracht Hij vruchten voort “op Zijn tijd”. Hij deed “altijd wat Hem welbehaaglijk is”, en had dus nooit enige reden tot “vrees” of “berouw” of om “hierheen en daarheen” te zien. In dit en in elk ander opzicht staat onze geliefde Meester oneindig ver boven Zijn beste dienaren. Zelfs Mozes “vreesde” en Paulus had “berouw”, maar bij de Heer Jezus vinden we zoiets nooit. Nooit hoefde Hij een stap terug te doen, een woord te herroepen, een gedachte te verbeteren. Alles was volmaakt in de volste zin van het woord. Alles was “vrucht op Zijn tijd”. Zijn heilig en hemels leven was onberispelijk. Hij onderwierp Zijn wil volkomen aan God. De beste en vroomste mensen kunnen fouten maken, al is het zeker dat wij minder fouten zullen begaan als wij door Gods genade onze wil leren doden. Wanneer ons pad over het algemeen werkelijk een pad van het geloof is, en er bij ons kinderlijke toewijding aan Christus is, zullen wij gelukkig zijn. Dit was het geval bij Mozes; hij was een man van geloof – een man die vol was van de Geest van zijn Meester en Hem met wonderlijke standvastigheid volgde. Wel liep hij, zoals gezegd, veertig jaar vooruit op de tijd die God voor het oordeel over Egypte en de bevrijding van Israël had vastgesteld, maar Hebreeën 11 vermeldt dit niet. Daar vinden wij alleen het heilige beginsel waarop over het algemeen Mozes’ wandel was gegrond. “Door [het] geloof weigerde Mozes, toen hij groot geworden was, een zoon van Farao’s dochter genoemd te worden, omdat hij er de voorkeur aan gaf met het volk van God slecht behandeld te worden, boven een tijdelijke genieting van [de] zonde, en de smaad van Christus groter rijkdom achtte dan de schatten van Egypte, want hij zag op de beloning. Door [het] geloof verliet hij Egypte, zonder de toorn van de koning te vrezen; want hij bleef standvastig, als zag hij de Onzichtbare” (Hebreeën 11:24-27).

Deze woorden werpen het licht van de genade op wat Mozes deed. De Heilige Geest vermeldt de geschiedenis van de gelovigen van het Oude Testament altijd op deze wijze. Wanneer Hij de levensloop van één van hen beschrijft, stelt Hij hem ons precies zoals hij is voor ogen, en vermeldt steeds al de gebreken en tekortkomingen. Als Hij echter in het Nieuwe Testament diezelfde levensloop toepast, spreekt Hij alleen van het ware beginsel en van het belangrijke resultaat van zo’n leven.

Al lezen wij dan ook in Exodus, dat Mozes “hierheen en daarheen” zag, dat hij vreesde en zei: “Deze zaak is beslist bekend geworden” en dat hij “vluchtte voor de farao”, in de brief aan de Hebreeën wordt ons gezegd dat Mozes “door [het] geloof niet vreesde voor de toorn van de koning” en dat hij “standvastig bleef, als zag hij de Onzichtbare”. Zo zal het ook zijn wanneer Hij zal komen, Die aan het licht zal brengen wat in de duisternis verborgen is, en de overleggingen van de harten openbaar zal maken, en dan zal ieder zijn lof hebben van God (1 Korinthe 4:5). Dit is een heerlijk en vertroostend woord voor elke oprechte gelovige. Er kan zich in het “hart” meer dan één “overlegging” vormen die de hand om verschillende redenen niet ten uitvoer kan brengen. Al deze “overleggingen” zullen “openbaar” gemaakt worden als de Heer komt. Geloofd zij de genade van God, Die ons dit belooft!

De overleggingen van het hart dat Hem liefheeft, zijn Christus veel meer waard dan het voortreffelijkste werk van onze handen. Dat werk is misschien schitterend in de ogen van de mensen, maar die raadslagen zijn enkel voor het hart van de Heer Jezus bestemd. Mensen prijzen wel de werken die we doen, maar wat het hart bedenkt zal geopenbaard worden voor het aangezicht van God en Zijn heilige engelen. Laten alle dienaren van de Heer meer vervuld zijn met Zijn persoon en hun oog bestendiger gericht zijn op Zijn wederkomst.

Letten wij op Mozes’ leven, dan zien wij dat het geloof hem leidde, dwars tegen de gewone loop van de natuur in. Door het geloof verachtte hij de genoegens, de voorrechten en de eerbewijzen van Farao’s hof en gaf hij een schijnbaar uitgebreide kring van nuttig werk op. Menselijk overleg zou hem een weg in tegengestelde richting hebben doen gaan; het zou hem ertoe gebracht hebben zijn invloed te gebruiken ten behoeve van het volk van God – iets doen voor hen in plaats van te lijden met hen. Menselijke overwegingen zouden veronderstellen dat de voorzienigheid Mozes in een rijke en hoogst belangrijke werkkring had geplaatst. Wanneer ooit Gods hand duidelijk te onderscheiden was in het plaatsen van een mens in een bepaalde situatie, was het wel hier. Door een wonderlijke tussenkomst, door een samenloop van omstandigheden, waarvan elke schakel op de leiding van God wees – door een reeks van gebeurtenissen die geen mens van tevoren had kunnen bedenken – werd Farao’s dochter Gods werktuig om Mozes uit het water te redden, hem op te voeden en te onderwijzen tot “hij [de] leeftijd van veertig jaar had bereikt”. Wie alleen op deze dingen let, kan het verlaten van een hoge, eervolle en invloedrijke betrekking slechts als het gevolg van misplaatste ijver beschouwen; geen gezond verstand kan zoiets goedkeuren.

Zo redeneert het blinde, natuurlijke verstand, maar het geloof denkt er anders over, want onze natuur en het geloof zijn altijd met elkaar in strijd. Ze kunnen elkaar in geen enkel opzicht begrijpen, want ze verschillen het meest als het gaat om dingen die men gewoonlijk “de leiding van de Voorzienigheid” noemt. De natuur beschouwt die leiding als een vrijbrief om toe te geven aan eigen wil en genot, terwijl ze het geloof de gelegenheid biedt tot zelfverloochening. Jona zag het waarschijnlijk als een bijzondere leiding van de Voorzienigheid toen er een schip was dat naar Tarsis zeilde; het werd echter een gelegenheid voor hem om het pad van gehoorzaamheid te verlaten. Ongetwijfeld heeft de gelovige het voorrecht in alle dingen de hand van zijn Vader te zien en Zijn stem te horen; hij mag zich echter niet door de omstandigheden laten leiden. Doet hij dit toch, dan is hij als een schip dat zonder roer of kompas op zee ronddrijft, en een spel is van wind en golven. Gods belofte aan Zijn kind is: “Ik onderwijs u en leer u de weg die u moet gaan; ik geef raad, Mijn oog is op u”. Zijn waarschuwing luidt: “Wees niet als een paard, als een muildier, dat geen verstand heeft. Zijn bek houdt men in toom met bit en toom; dan kan hij u niet te na komen” (Psalm 32:8-9). Wij kunnen ons veel beter door het oog van de Vader dan door bit en toom van de omstandigheden laten leiden, en wij weten dat “Voorzienigheid” voor velen slechts een ander woord is voor de loop van de omstandigheden.

De kracht van het geloof blijkt steeds in het weigeren en opgeven van deze schijnbare leiding van de Voorzienigheid. Dit zien wij bij Mozes. “Door [het] geloof weigerde Mozes, toen hij groot geworden was, een zoon van Farao’s dochter genoemd te worden”, en “door [het] geloof verliet hij Egypte”. Had hij gehandeld naar wat hij zag, dan zou hij de wereldse grootheid als een bijzondere gift van een liefdevolle Voorzienigheid hebben aanvaard; hij zou aan het hof van Farao gebleven zijn, als in een nuttige werkkring waarin Gods hand hem zo duidelijk geplaatst had. Hij wandelde echter door geloof en niet door aanschouwen. Daarom verliet hij alles. Wat een voorbeeld! Mogen wij het door genade leren volgen!

En wat was het, dat Mozes “groter rijkdom achtte dan de schatten van Egypte?” Het was “de smaad van Christus”. Niet alleen de smaad voor Christus. “Al de smaad van wie U smaden, is op Mij gevallen” (Psalm 69:10). In volmaakte genade vereenzelvigde de Heer Jezus Zich met Zijn volk. Hij daalde uit de hemel neer, verliet het huis van Zijn Vader en al Zijn heerlijkheid, om de plaats van Zijn volk in te nemen, hun zonden en hun oordeel te dragen op het vloekhout.

Dat deed de Heer Jezus in vrijwillige zelfopoffering. Niet alleen deed Hij dit vóór ons, maar Hij maakte Zich één mét ons, en daardoor bevrijdde Hij ons van alles wat tegen ons was of kon zijn. Hieruit zien wij hoezeer Mozes, wat Gods volk betrof, met de geest en de gedachten van Christus instemde. Mozes leefde te midden van de pracht, de weelde en het aanzien van Farao’s hof, waar men van de zonde kon genieten en waar “de schatten van Egypte” in de rijkste overvloed aanwezig waren. Van al deze dingen had hij gebruik kunnen maken, als hij dat had gewild. Hij had in hoogheid en weelde kunnen leven en sterven. Als hij gewild had, zou zijn hele loopbaan, van het begin tot het einde, door de zonneschijn van Farao’s gunst zijn beschenen. Dit zou echter geen “geloof”, geen gelijkvormigheid aan Christus geweest zijn. In zijn verheven positie zag hij hoe zijn broeders gebukt gingen onder hun zware lasten, en het geloof deed hem inzien dat zijn plaats bij hen was, in al hun smaad, hun slavernij, hun ellende en hun verdrukking. Zou hij enkel door goedhartigheid, mensenliefde en vaderlandsliefde zijn gedreven, dan had hij zijn persoonlijke invloed voor hen kunnen aanwenden. Misschien was het hem gelukt Farao te bewegen door zijn koninklijk woord hun lasten te verlichten en hun het leven wat gemakkelijker te maken. Maar dit zou een hart dat iets gemeen had met het hart van Christus, nooit bevredigd hebben, en zo’n hart had Mozes door Gods genade. Daarom wierp hij zich met al zijn kracht en liefde, met lichaam, ziel en geest in het midden van zijn verdrukte broeders. Hij gaf er de voorkeur aan met het volk van God slecht behandeld te worden, en hij deed dit “door het geloof”.

Wat een prachtig getuigenis! Laten we hier ernstig over nadenken! Het is niet genoeg het volk van God het goede toe te wensen, hun van dienst te zijn of met welwillendheid over hen te spreken. Wij moeten ons geheel met hen vereenzelvigen, hoe veracht of versmaad zij ook zijn. In zekere zin heeft het voor een edel gemoed iets aantrekkelijks de Christenen in bescherming te nemen. Maar met Christenen één te zijn en met Christus te lijden, zijn twee dingen. Een beschermheer is heel wat anders dan een martelaar, en dit verschil straalt in de hele bijbel door. Obadja verzorgde de profeten van God, maar Elia was een getuige voor God. Darius was aan Daniël gehecht, zo zelfs dat hij om hem een hele nacht niet sliep, terwijl Daniël diezelfde nacht in de leeuwenkuil doorbracht, als getuige voor de waarheid van God. Nicodemus waagde het een woord ten gunste van Christus te spreken, terwijl meer kennis van zijn Meester hem ertoe gebracht zou hebben zich één te maken met Christus.

Dit is allemaal heel leerzaam. De Heer Jezus heeft geen bescherming nodig; Hij vraagt gemeenschap met Hemzelf. De waarheid over Zijn persoon wordt ons niet meegedeeld om Hem op aarde in bescherming te nemen, maar om met Hem in de hemel gemeenschap te hebben. Hij maakte Zich aan ons gelijk, ten koste van alles wat de liefde kon geven die Hem in eeuwigheid toekomt. Maar hoe had dan die oneindige genade, die stroom van liefde, die in Zijn hart lag opgesloten, tot ons schuldige zondaars kunnen neerkomen? Tussen Hem en ons kon geen gemeenschap bestaan dan alleen als Hij Zichzelf ontledigde en ons gelijk werd. Eeuwig dank zij Zijn aanbiddelijke Naam!

Hij gaf Zich vrijwillig voor ons over. Hij heeft “Zichzelf voor ons gegeven, opdat Hij ons van alle wetteloosheid verloste en Zichzelf een eigen volk reinigde, ijverig in goede werken” (Titus 2:14). Hij wilde Zijn heerlijkheid niet alleen genieten; het was de wens van Zijn liefhebbend hart “vele zonen” met Hem in die heerlijkheid te doen delen. “Vader”, zei Hij, “wat U Mij hebt gegeven – Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij Mijn heerlijkheid aanschouwen die U Mij hebt gegeven, omdat U Mij hebt liefgehad vóór [de] grondlegging van [de] wereld” (Johannes 17:24). Zo dacht Christus over de Zijnen, en het is werkelijk niet moeilijk in het hart van Mozes ook zulke gedachten te vinden. Ontegenzeggelijk bezat hij veel van de gezindheid van zijn Meester, en hij openbaarde die, door vrijwillig persoonlijk belang op te offeren en zich spontaan met Gods volk te verenigen.

Het persoonlijk karakter en de daden van deze uitnemende dienaar van God zullen wij in de volgende hoofdstukken uitvoerig bespreken. Wij zullen hem hier slechts terloops bezien als type van de Heer Jezus Christus. Dat hij dit werkelijk was, blijkt uit de volgende woorden: “Ik zal een Profeet voor hen doen opstaan uit het midden van hun broeders, zoals u. Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en alles wat Ik Hem gebied, zal Hij tot hen spreken” (Deuteronomium 18:18). Niet op grond van menselijke opvatting zien wij in Mozes een type van Christus; de Heilige Schrift zelf leert het ons duidelijk. Wij vinden dit type in de laatste verzen van hoofdstuk 2: ten eerste in de verwerping van Mozes door Israël, en ten tweede in zijn huwelijk met een vreemde vrouw, uit het land Midian. Wij hebben deze punten al besproken in de geschiedenis van Jozef. Nadat deze door zijn broeders verworpen was, trouwde hij met een Egyptische bruid. Zowel in de geschiedenis van Jozef als in die van Mozes zien wij een voorafschaduwing van Christus’ verwerping door Israël en Zijn vereniging met de Gemeente.

Dit wordt ons echter vanuit een verschillend oogpunt voorgesteld. Bij Jozef vinden wij vijandschap tegen zijn persoon; bij Mozes is het de verwerping van zijn zending. Van Jozef lezen we: “haatten zij hem en konden niet vriendelijk meer tot hem spreken” (Genesis 37:4), terwijl er van Mozes gezegd wordt: “Wie heeft u tot leider en rechter over ons aangesteld?” Kortom: Jozef werd persoonlijk gehaat, Mozes in zijn ambt afgewezen. Hetzelfde verschil zien wij in de wijze waarop de grote verborgenheid, de Gemeente, wordt voorgesteld in de geschiedenis van deze twee mannen van het Oude Testament. “Asnath” stelt ons een heel andere toestand van de Gemeente voor dan “Zippora”. De eerste trouwde met Jozef in de dagen van zijn grootheid; de laatste was Mozes’ gezellin gedurende de donkere tijd van zijn leven in de woestijn (vergelijk Genesis 41:41-45; Exodus 2:15; 3:1). Zowel Jozef als Mozes waren weliswaar tijdens hun verbintenis met die vreemde vrouwen door hun broeders verworpen, maar de eerste was “heerser over heel het land Egypte”, terwijl de laatste enige schapen hoedde “voorbij de woestijn”.

Of wij Christus beschouwen als geopenbaard in heerlijkheid of als voor het oog van de wereld verborgen, de Gemeente is altijd nauw met Hem verbonden. Evenmin als de wereld Hem ziet, kan zij zich een denkbeeld vormen van dat Lichaam dat met Hem geheel en al één is. “Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet heeft gekend” (1 Johannes 3:1). Spoedig zal Christus in Zijn heerlijkheid verschijnen, en de Gemeente met Hem. “Wanneer Christus, uw leven, geopenbaard wordt, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid” (Kolosse 3:4). Evenzo: “En de heerlijkheid die U Mij hebt gegeven, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn zoals Wij één zijn: Ik in hen en U in Mij; opdat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkent dat U Mij hebt gezonden en hen hebt liefgehad zoals U Mij hebt liefgehad” (Johannes 17:22-23).

Dit is het verheven en heilige standpunt van de Gemeente. Zij is één met Hem, Die door de wereld verworpen is, maar Die zit op de troon van de Majesteit in de hemelen. De Heer Jezus heeft Zich op het kruis één gemaakt met de Gemeente, opdat zij met Hem Zijn tegenwoordige verwerping en Zijn toekomstige heerlijkheid zou delen. Laten wij allen die zo bevoorrecht zijn tot Zijn Lichaam te behoren, meer doordrongen zijn van wat ons past in onze handel en wandel hier beneden! Als kinderen van God moeten we meer en duidelijker beantwoorden aan die liefde waarmee Christus ons heeft liefgehad, aan de verlossing die we bezitten, en aan de hoge plaats die Hij ons heeft gegeven! De wandel van de gelovige behoort het gevolg te zijn van het verwerkelijken van Zijn voorrechten en niet het gedwongen nakomen van wettische geloften en voornemens. Zij moet de logische vrucht zijn van het door het geloof kennen en genieten van onze hemelse positie en niet het resultaat van eigen pogingen om door “de werken van [de] wet” die hemelse positie te bereiken. Alle ware gelovigen samen zijn Christus’ bruid, en zij zijn Hem de liefde schuldig die uit die verhouding voortvloeit. Die verhouding is geen gevolg van onze liefde, maar onze liefde komt voort uit deze verhouding.

Belangstelling voor het vervolg?
Bestel dan nu het schitterende boek
‘Aantekeningen op Exodus’
van C.H. Mackintosh
bij www.uhwdw.nl