Aanbidders

Onder de vele personen die ons in Genesis 4 en 5 worden voorgesteld, zijn Abel en Seth wel in de eerste plaats onze aandacht waard. We hebben in hen een heerlijk type van Christus in Zijn dood en opstanding, terwijl we er treffende lessen door ontvangen voor ons praktisch leven als gelovigen.

Na de zondeval wordt ons de geschiedenis van het eerste broederpaar verteld. In deze beiden zien wij de verdorvenheid van de gevallen mens, bij Kaïn de openbaring van die verdorvenheid en bij Abel de erkenning ervan. Aanvankelijk wordt Kaïn ons geschilderd als een mens van wie we zouden kunnen vragen: ‘Wat ontbreekt hem nog? Is hij niet een voorbeeld van werkzaamheid? Doet hij niet zijn best om in de gegeven omstandigheden op eerlijke wijze in zijn behoeften te voorzien? Vereist de landbouw niet veel meer werk dan de veeteelt? En ziet Kaïn daar tegenop? Werkt hij niet met grote ijver? Is hij bovendien niet een godsdienstig man? Heeft hij niet een altaar? Wil hij niet van de moeilijk verkregen, mooie en heerlijke vruchten aan de Heer wat afstaan? Komt hij niet als een aanbidder voor God? Maar wat ontbreekt hem dan nog?’

Ach, we weten het wel: juist in de manier waarop hij tot God naderde en in wat hij God bracht, werd openbaar wie hij was en wat hem ontbrak. Zouden we het niet in déze korte zin kunnen samenvatten: ‘Hij kende zichzelf niet en hij kende God niet’? Kaïn had toch moeten weten dat hij een verloren zondaar was en dus niet zó tot God kon naderen. Hij had toch kunnen weten dat God heilig en rechtvaardig is en met de zondaar geen gemeenschap kan hebben.

We mogen immers veronderstellen dat zijn ouders zowel aan hem als aan zijn broer hebben meegedeeld wat er in het paradijs was gebeurd. Was daar de gemeenschap tussen God en de mens niet door de zondeval verbroken? Getuigden de rokken van vellen er niet voortdurend van dat de vader en moeder van Kaïn niet alleen beschaamd over hun naaktheid voor God hadden gestaan, maar dat voor elk van hen in het bijzonder ‘een ander’ in de dood had moeten gaan, omdat zij onder het oordeel van de dood lagen?

En waren Kaïn en Abel niet uit deze ouders geboren, in zonde en ongerechtigheid daarom ontvangen? Van die verloren toestand heeft Kaïn echter geen besef gehad en van de heiligheid van God evenmin! Hij meende God een offergave te kunnen aanbieden zonder te erkennen dat hij een verloren zondaar was. Daarom kwam hij met de vruchten van eigen land, door werk verkregen. Wat een blindheid! Maar hij die zo godsdienstig en eigengerechtig was, zou spoedig openbaar worden als een broedermoordenaar. Zijn voeten zouden snel zijn om bloed te vergieten en het oordeel van God zou hem moeten treffen. Het oordeel van die God, Die heilig en rechtvaardig is.

Hoe geheel anders was Abel! In Hebreeën 11:4 wordt ons meegedeeld dat hij rechtvaardig was en dat juist daaruit bleek dat hij God een beter offer bracht dan zijn broer Kaïn. Beter wil hier niet zeggen: van meer waarde, maar: beter in soort. Zijn offerande was een slachtoffer, een bloedig offer. In Abels offer vinden we dan ook een treffend beeld van de offerande van de Heer Jezus Christus. Alleen op grond daarvan kon God Abel rechtvaardig verklaren, door het geloof.

Maar we vinden ook in Abel zelf een beeld van Christus. Niet van Christus in Zijn vrijwillige overgave in de dood op het kruis, ook niet van Christus, de Zoon van God, door de Vader overgegeven, maar van Christus als Degene Die door ‘[de] hand van wettelozen aan [het kruis] gehecht en gedood’ is (Handelingen 2:23). Hij, de enige Rechtvaardige onder alle goddelozen, werd uit boosheid en haat, om Zijn rechtvaardigheid, uit het midden weggedaan.

Zó was het ook met Abel. Kaïn was ‘uit de boze’, omdat hij in werkelijkheid God de eer niet gaf en hij zijn broer doodde. ‘En waarom sloeg hij hem dood?’ zo stelt de apostel Johannes zijn vraag. ‘Omdat zijn werken boos waren en die van zijn broer rechtvaardig’ (1 Johannes 3:12). De mens van nature mag in Kaïns offer misschien iets moois zien, God echter noemt het een boos werk, omdat het in werkelijkheid een tekortdoen aan Gods eer was. Zo hebben wij dus in Abels dood een beeld van de dood van de Heer Jezus.

Laten we ons nu bezighouden met de persoon van Seth. Seth was, zo sprak de gelovige moeder bij de geboorte, ‘ander nageslacht’ (Genesis 4:25). Er wordt ons niet meegedeeld dat Seth de derde zoon van Eva was, maar dat hij de andere voor de gestorven Abel was. Seth betekent: ‘in de plaats van’.

Die twee, Abel en Seth, waren dus ten nauwste met elkaar verbonden. Het is alsof we uit de gestorven Abel een nieuw leven zien voortkomen. Is dit niet een heerlijk beeld van de opstanding van de Heer Jezus Christus? Abel en Seth als het ware één. In Abel zien wij de dood, in Seth het leven. Beide nu, dood en leven, hebben wij in de ene Christus. In Seth vinden wij immers het hoofd van een nieuw geslacht. In Christus, het Hoofd van de Gemeente, het nieuwe geslacht, voortgekomen uit Zijn dood en opstanding.

Heerlijke waarheid! Om deze waarheid meteen aan het begin van het Oude Testament voor te stellen, moesten er twee personen zijn. Abel kon alleen een beeld van de dood van Christus zijn. Maar hoe zou er de prediking van het evangelie kunnen zijn als er geen opstanding was? ‘En als Christus niet is opgewekt, dan is ook onze prediking vergeefs’ (1 Korinthe 15:14), zegt de apostel Paulus. Daarom moest ons in Seth een beeld gegeven worden van een ander die de plaats van de vorige inneemt, daarom een beeld van de opstanding.

Christus is opgewekt, de Eersteling van hen die ontslapen zijn. Verbonden met de gestorven en opgewekte Christus, zullen straks allen die in Hem geloven, met Hem in heerlijkheid worden gezien. Hij, als Hoofd van het nieuwe geslacht, zal allen die door Zijn dood en opstanding met Hem verbonden zijn, vóór Zich stellen zonder vlek of rimpel (Efeze 5:27). Geen wonder, dat de apostel het uitroept: ‘Waar is, dood, uw prikkel? Waar is, dood, uw overwinning?’ (1 Korinthe 15:55). God zij dank, niet alleen voor de dood van Christus, maar ook voor Zijn opstanding! ‘God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus!’

Laten we nu nog een blik werpen op Abel, niet als beeld van Christus, maar als mens, als gerechtvaardige, en wel in tegenstelling tot Kaïn. Wat bij Kaïn ontbrak, wordt bij Abel gevonden. Een diep bewustzijn van de gerechtigheid en heiligheid van God leefde in zijn ziel. Daarbij een diep gevoel van zijn verdorven toestand voor God en het geloof in de noodzaak van een plaatsvervangend offer. Abel geloofde met zijn hele hart dat hij, geheel verloren als hij was, voor God niet kon bestaan. Hij geloofde, dat hij onder het oordeel van God stond en de dood hem wachtte.

Dat geloof deed hem de hand uitstrekken naar de eerstgeborenen van zijn schapen. Hij nam een van de lammeren van zijn kudde, om de Heer een offer te brengen. Door dat geloof, en door dat betere slachtoffer dan Kaïn bracht, verkreeg hij het getuigenis van God, dat hij rechtvaardig was; kreeg hij het bewustzijn, dat zijn zonden vergeven waren en God hem niet meer als een zondaar zag. Was dat lam niet in zijn plaats gestorven? Was hij dan, door het aannemen van dat offer in zijn plaats, niet gerechtvaardigd? God gaf getuigenis over zijn geloof en zijn offer. God nam zijn offer aan, omdat Hij zag op het Offerlam Christus.

En nog altijd spreekt Abel, lang nadat hij gestorven is, door zijn geloof en zijn slachtoffer. Heerlijk beeld van het plaatsvervangend sterven van de Heer Jezus voor een ieder die niet werkt maar gelooft in God, Die de goddeloze rechtvaardigt. Kaïn kwam met een spijsoffer, maar nooit kan dit God aangenaam zijn, als er niet een slachtoffer wordt gebracht. Wat een rust moet Abel hebben vervuld toen hij met zijn slachtoffer voor God kwam! Hebben ook wij dit niet ervaren, toen we met het offer van Christus tot God naderden?

Gerechtigheid
werd ons bereid;
verlossing, licht en leven
werd ons in Hem gegeven.

(Lied 4:2 uit ‘Geestelijke Liederen / Lofzangen en Geestelijke Liederen’)

Tot slot willen we ons ook nog met Seth bezighouden, en nu met zijn geslacht. Hem werd een zoon geboren, die hij Enos noemde. Enos betekent: zwak mens. In zichzelf zwak en ellendig, kon hij voor God bestaan, als voortgekomen uit en verbonden met zijn stamvader Seth. Enos is een beeld van de gelovige in verbinding met de gestorven Abel en de levende Seth. Wij die in de Heer Jezus geloven, zijn de vruchten van de dood en de opstanding van Hem met Wie wij verbonden zijn. ‘Wat spruit er uit Uw graf een heerlijk zaad van eeuwig leven’, zo luiden de woorden van een lied.

Natuurlijk was Enos een verloren zondaar en moest ook hij door het geloof gerechtvaardigd worden. Wij mogen hem in dít opzicht slechts als beeld zien, dat hij een vrucht was van de gestorven Abel en de levende Seth, beiden als het ware één.

Wat wordt ons nu van het geslacht van Seth meegedeeld? Dit korte maar mooie getuigenis: ‘Toen begon men de Naam van de HEERE aan te roepen’ (Genesis 4:26). Spreekt ons dit niet van gebed en aanbidding? Die kring van groten en kleinen, ingeleid door Enos, leefde in een moeilijke tijd. Het geslacht van Kaïn hield zich op in de wereld; stelde zich ten doel buiten God om die wereld te veraangenamen en dienstbaar te maken aan allerlei genot. In Lamech zien we het vertreden van de oorspronkelijke ordening van God met betrekking tot het huwelijk.

In zo’n tijd nu van afwijking van God, kwamen Enos en de zijnen samen om de Naam van de Heer aan te roepen. Wat een mooi getuigenis! Spreekt het niet ernstig tot onze harten? Wij, als de vruchten van de dood en de opstanding van Christus, moeten ook de Naam van de Heer aanroepen. Hebben wij die plaats van afzondering van de wereld gevonden? Nemen wij die met een gelukkig hart in?

Het aanroepen van de Naam van de Heer betekent in de eerste plaats gebed. Als man van het gebed wordt ons in de Bijbel onder verschillende anderen bijzonder Samuël voorgesteld. Hij die van de HEERE gebeden was (1 Samuel 1:28), riep al heel jong de Heer aan. In Psalm 99:6 wordt ons gezegd: ‘Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters, Samuel onder wie Zijn Naam aanriepen; zij riepen tot de HEERE en Híj verhoorde hen’.

Wat het gebed betreft, zegt de Heer in Psalm 27: ‘Zoek Mijn aangezicht’ (vers 8) en in Psalm 50: ‘Roep Mij aan’ (vers 15). Heerlijk voorrecht! Niet alleen persoonlijk, maar ook gemeenschappelijk gebed is zo gezegend, is zo’n kracht, is God welgevallig. Als het in de dagen van Kaïn nodig was, dat men zich afzonderde om de Naam van de Heer aan te roepen, zou het dan in onze dagen minder noodzakelijk zijn? Zeker niet! Wanneer we oog hebben voor de geestelijke nood in onze dagen, zal zeker ons hart behoefte hebben, niet alleen aan het persoonlijk, maar vooral ook aan het gemeenschappelijke gebed.

Maar het aanroepen van de Naam van de Heer betekent ook aanbidding. ‘Want dezelfde Heer van allen is rijk jegens allen die Hem aanroepen’, zegt de apostel Paulus in Romeinen 10:12. Allen die in de Naam van de Heer hun alles vinden, zijn behouden, en hebben er behoefte aan de Naam van de Heer groot te maken. Drukt men in het gebed zijn afhankelijkheid uit, de aanbidding spreekt ons van het zich neerbuigen in lof, dank en bewondering voor Hem Die waard is geprezen te worden tot in eeuwigheid. Wat aanbidding is, laat zich echter beter voelen dan beschrijven of bespreken. Het hart dat aanbidding geléérd heeft, wéét het echter. Het is het bezig zijn met Gods gedachten over het offer en de Persoon Die Zelf het Offer is, zodat die gedachten tot Hem terugkeren.

Hoe gelukkig is dit voor het hart en hoe kostelijk zijn die ogenblikken, als gelovigen het samen doen. ‘Zolang de Koning aan Zijn ronde tafel zit, verspreidt mijn nardus zijn geur’, zegt de bruid in Hooglied 1:12. ‘Het huis werd met de geur van de balsem vervuld’ (Johannes 12:3), wordt ons meegedeeld toen Maria haar fles voor de Heer brak.

Nee, het is niet goed wanneer een gelovige zou zeggen: ‘Ik kan de Heer niets brengen’. Zeker, we kunnen Hem nooit vergelden, wat Hij voor en aan ons deed. Maar het is toch ons heerlijk voorrecht, Hem iets te mogen brengen van wat Hij ons schonk. De Bijbel spreekt over ‘de offers van onze lippen’ (Hosea 14:3). En op een andere plaats: ‘Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden’ (Hebreeën 13:15).

Wij hebben vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom. Is dat niet de plaats van de aanbidding? Wordt daar niet de Naam van de Heer aangeroepen? Dat wij daar met ons hele hart veel gevonden worden! Dat we er ook gemeenschappelijk graag vertoeven. Door de gelovigen nu wordt dit aan de tafel van de Heer gedaan op een bijzondere wijze. Laten toch zij die deze plaats nog niet innemen, bedenken, dat het de wil van de Heer is, dat ze niet alleen onder de biddende, maar ook onder de aanbiddende gelovigen hun plaats hebben, om in beide gevallen de Naam van de Heer aan te roepen!

De Vader zoekt aanbidders (Johannes 4:23)!

Schrijver onbekend.