Is de dag van de Heer al aangebroken, en moet de Gemeente door de oordelen heen?

En wij vragen u dringend, broeders, met betrekking tot de komst van onze Heere Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat u niet snel aan het wankelen wordt gebracht of verschrikt, niet door een uiting van de geest, niet door een woord, en ook niet door een brief die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag van Christus al aangebroken zou zijn’ (2 Thess. 2:1,2).

Het is een oude vraag die telkens weer opkomt onder de gelovigen: ‘Is de dag van de Heer al aangebroken?’ De vijand van de zielen wil, door deze vraag met ‘ja’ te beantwoorden, de harten ongelukkig maken. De gelovigen in Thessalonika waren er door zijn macht en listen toe gebracht, hun hoop op te geven op de komst van de Heer tot hun opname en hun vereniging met Hem. Hun gemoed was in elk geval in dit opzicht geschokt; en zij meenden nu dat de dag van de Heer al aangebroken was.

‘De dag van de Heer’ is echter de dag van de toorn en van het oordeel van God over de goddeloze wereld, in de eerste plaats over het afvallige volk Israël, en deze dag breekt pas aan tegen de tijd dat de Heer komt ‘met Zijn heilige duizendtallen’ om oordeel uit te spreken en Zijn rijk op aarde op te richten in grote macht en heerlijkheid. Al in het oude verbond is regelmatig sprake van deze ‘dag’: ‘Weeklaag, want de dag van de Heere is nabij; als een verwoesting van de Almachtige komt hij … Zie, de dag van de Heere komt, meedogenloos, met verbolgenheid en brandende toorn, om van het land (de aarde) woestenij ter maken’ (Jes. 13:6,9). ‘De grote dag van de Heere is nabij; hij is nabij en nadert heel snel. Hoor, de dag van de Heere! De held zal daar bitter schreeuwen. Een dag van verbolgenheid is die dag, een dag van benauwdheid en angst, een dag van verwoesting en vernietiging, een dag van duisternis en donkerheid, een dag van donkere wolken, een dag van bazuingeschal en krijgsgeschreeuw tegen de versterkte steden en tegen de hoge hoektorens’ (Zef. 1:14-16). ‘Want zie, die dag komt, brandend als een oven … die grote en die ontzagwekkende dag.’ (Mal. 4:1,5).

De satan, de grote tegenstander van God en van Zijn volk, had een zware vervolging over de Thessalonikers gebracht, waardoor ook de apostel Paulus verdreven was (1 Thess. 2:14, enz.).

Daarmee niet tevreden probeerde de vijand, die niet alleen machtig is maar ook heel listig, de gelovigen te misleiden en hen te doen geloven dat deze vervolging de dag van de Heer was, of de dag van de toorn en het oordeel van de Heer.

Maar hoe totaal anders had de apostel hun hierover onderwezen! Hij had aan de Thessalonikers in zijn eerste brief geschreven dat de komst van de Heer hun hoop was, dat zij Jezus uit de hemelen verwachten mochten, juist ‘Die ons verlost van de komende toorn;’ (1 Thess. 1:9,10; 4:15-17).

Maar de vijand is deze gelukzalige hoop een doorn in het oog. Deze hoop die de Heer voor Zijn heengaan uit de wereld in de harten van de Zijnen gelegd heeft, door tegen hen te zeggen: ‘En als Ik heengegaan ben plaats voor u gereedgemaakt heb, kom Ik terug en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben’ (Joh.14:3); deze hoopvolle verwachting is de satan een grote ergernis, want de gelovige in wiens hart deze hoop leeft, wordt daardoor getroost, verblijd en bemoedigd. Hij heeft veel ijver voor de Heer en voor Zijn werk; hij wandelt in dagelijkse heiligheid, want hij ‘reinigt zich, zoals Hij rein is’ (1 Joh. 3:3). Daarom is in elk hoofdstuk van de eerste brief aan de Thessalonikers sprake van deze hoop op de komst van de Heer die zo nabij is en zo’n gezegende komst zijn zal.

Om dezelfde reden worden wij in de Evangeliën en in de brieven van de apostelen steeds weer gewezen op deze hoop van de gelovigen. Wij moeten met onze lampen brandend en onze lendenen omgord op de Heer wachten; en wij zijn ‘zalig’ als we dit doen (Luk. 12:35 enz.). Niet de dood moet onze verwachting zijn, maar de komst van de Heer, waarbij wij veranderd, bekleed zullen worden, om opgenomen te worden, de Heer tegemoet in de lucht (Fp. 3:20,21; 1 Kor. 15:51,52; 2 Kor. 5:2-4). Zo spreekt ook de Heer in het boek van de Openbaring steeds weer van Zijn spoedige komst, in die zin dat die komst ons zal ‘bewaren voor het uur van de verzoeking die over heel de wereld komen zal’1)Dat de woorden „bewaren voor” goed vertaald zijn, (beter dan „bewaren uit,”) blijkt uit Johannes 17:15. Precies dezelfde woorden zijn daar vertaald door „bewaart voor” de boze. En de bedoeling is daar onweersprekelijk: niet komen in de macht van de boze, zo is het ook hier: niet komen in het uur van de verzoeking. Let er ook op dat in Openbaring 4:l de Gemeente in de hemel wordt gezien. In vers 4 wordt over de vierentwintig oudsten gesproken. Alles wat ons vanaf hoofdstuk 4 wordt verteld is dus toekomstig, en vindt plaats, nadat de gelovigen zijn opgenomen en zich rond de troon bevinden. (Op. 3:10,11; 22:7,12,20).

Toen de Gemeente nog maar kort bestond stelde de satan al pogingen in het werk om deze hoop op de komst van de Heer te verstoren in de harten van de gelovigen. Welke middelen de vijand daarvoor gebruikte, kunnen we zien waar hij zich beroept op leugenachtige uitspraken, zogenaamd afkomstig van de apostel, ‘door een uiting van de geest’ en ‘door een woord’ en door ‘een brief die van ons afkomstig zou zijn’. De apostel echter wijst nu ‘wegens’ de komst van de Heere, ofwel ‘ter wille van’ die komst, op grond dus van hun geloof aan die komst, de Thessalonikers op wat hij hun vroeger geleerd had over de heerlijke ontmoeting in de lucht, Jezus tegemoet. En hij vertelt hun ernstig en dringend dat zij in hun ziel niet geschokt moeten zijn en niet verschrikt wat betreft deze beide zaken: ‘De komst van onze Heere Jezus Christus en onze vereniging met Hem’ (2 Thess. 2:1) en: ‘alsof de dag van Christus al aangebroken zou zijn’ (2 Thess. 2:2).ofwel alsof die dag al over de wereld, en dus dan ook over hen, gekomen was.

Nu zullen we de afzonderlijke redenen nagaan die de apostel oppert, om de harten van de Thessalonikers weer naar de waarheid terug te brengen.

  1. God is rechtvaardig, als Hij over Zijn vijanden die de Zijnen kwellen ‘toorn’ en ‘verdrukking’ brengt, evenals een rechtvaardig oordeel dat zal gebeuren ‘bij de openbaring van de Heere Jezus vanuit de hemel met de engelen van Zijn kracht, wanneer hij met vlammend vuur wraak oefent’ (2 Thess. 7-8). Als dit echter gebeurt is het ‘de dag van de Heer’. Het is een dag van toorn waarvoor de Thessalonikers als voor ‘de komende toorn’ gered zouden worden door de komst van de Heer, zodat hieruit volgt dat zij op de dag van de Heer ‘rust’ moesten hebben (vgl. 1 Thess. 1:10 met 2 Thess. 1:6,7). Omdat nu de Thessalonikers in die dagen geen ‘rust’ hadden, maar eerder in ‘verdrukking’ en moeilijkheden waren, konden zij daaruit al afleiden dat ‘de dag van de Heer’ nog niet gekomen was.2)Vgl. ook Romeinen 1:18, waar we lezen dat toorn van God wordt geopenbaard van de hemel over de goddelozen, waarbij de gelovigen niet meer horen, met Romeinen 5:9, waar we lezen dat de gelovigen behouden worden van de toorn (zie ook 1 Thess. 1:10). Deze ‘komende toorn’ is niet het eeuwig verderf in de hel, maar het oordeel op de dag van de Heer vanuit de hemel. Van de straf van de hel zijn wij al bevrijd (Ef. 2:5 ,8).
  2. Op ‘de dag van de Heer’ zullen de gelovigen niet alleen rust hebben, maar ook verenigd zijn met degenen die in Christus overleden zijn. In zijn vorige brief had Paulus de Thessalonikers getroost over het feit dat de overledenen over wie zij treurden, niet ontbreken zouden wanneer de Heer komt om Zijn rijk op te richten. Wat betreft dit rijk of koninkrijk van Christus hier op aarde, waren de Thessalonikers blijkbaar mondeling door de apostel uitvoerig onderwezen (vgl. Hand. 17:7). En de apostel schreef hun in zijn eerste brief dat de Heer Jezus bij deze wederkomst tot oprichting van Zijn rijk de overledenen met Hem meebrengen zou (1 Thess. 4:13-15). Hoe dit mogelijk zou zijn zette hij hun vervolgens uiteen: de Heer zou terugkomen in de lucht met een roep die tevens een bevel inhoudt: de doden in Christus opwekken; daarna de levenden veranderen en in de wolken opnemen, en van dat ogenblik af zullen zij allemaal altijd samen met de Heer zijn3)Dit ‘altijd met de Heer’ zijn wordt niet verstoord, doordat de gelovigen met Hem nederdalen om erbij te zijn als Hij Zijn rijk zal oprichten. Ze zullen altijd met Hem zijn; dus Hem overal begeleiden; steeds zijn waar Hij is (zie o.a. 1 Thess. 1:9,10; 4:13-15; 2 Thess. 1:10; Op. 19:7-16; 20:6; 21:1-3). (1 Thess. 4:16-18). Deze komst van de Heer Jezus Christus en de hier bedoelde ‘vereniging met Hem’ (of ‘bijeenvergadering tot Hem’) hadden echter nog niet plaats gevonden, zoals het feit dat zij nog op aarde waren dit immers duidelijk bewees. Hoe kon dan de dag van de Heer al tegenwoordig zijn?
    De apostel voert nu, behalve deze tweekort besproken bewijzen, nog twee andere redenen aan waaruit wij kunnen opmaken dat de dag van de Heer nog niet gekomen kon zijn, en daarom de dag van het heil en het getuigenis nog voortduurde, waarvoor zij van de vijand veel te lijden hadden.
    Paulus schrijft: ‘Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden. Want die dag komt niet4)De woorden ‘die dag komt niet’ staan tussen haakjes, omdat ze niet in de Griekse tekst voorkomen. Voor de zinsbouw moesten ze in onze taal worden toegevoegd. Maar ook als men, zoals sommige vertalers deden, er tussengevoegd had: ‘hij komt niet’ heeft men niet bij ‘hij’ aan ‘Christus’ gedacht, maar aan ‘dag’. Het is wel zeker dat het hier gaat om die dag, waarover de apostel direct hiervoor spreekt., tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf geopenbaard is, de tegenstander die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als  God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en als God voordoet’ (2 Thess. 2:3,4).
    De eerste twee bewijzen voor het feit dat de dag van de Heer nog niet gekomen kon zijn waren de Thessalonikers wel bekend, en zij hadden daaraan vast moeten houden. Het was echter anders wat betreft de twee voorgaande dingen. Die waren mogelijk nieuw voor hen.
  3. Eerst moet de afval komen; het Christelijk geloof moet prijsgegeven zijn en het Christendom van de aarde verdwenen, voordat de dag van de Heer over de wereld komt.Sinds de apostel dit ernstige feit opschreef, is de afval voorbereid en heeft deze zich al een plaats verworven. Vooral is de laatste jaren duidelijk te zien welke schrikwekkende vorderingen het verval maakt, en hoe de geest van de afval zich meer en meer laat zien. De leiders en leraren in de moderne theologie willen alleen nog een Christendom zonder Christus, zonder Zijn kruis, zonder Zijn eeuwig Woord.
  4. Als vierde bewijs voert de apostel ten slotte aan dat voor de dag van de Heer ‘de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf’ geopenbaard moet worden. Hij die de belichaming is van de ‘afval’ en van de ‘wetteloosheid’, is niemand anders dan de antichrist, die de apostel Johannes herhaaldelijk noemt (1 Joh. 2:18, 22; 2 Joh.:7). In de Openbaring wordt hij genoemd ‘een ander beest’ of ook ‘de valse profeet’ (Op. 13:11; 19:20). Het ‘eerste beest’ is een staatkundige macht, namelijk het Romeinse rijk dat opnieuw ontstaan zal, ofwel het hoofd van dat rijk, dat opstijgen zal uit de ‘zee’, dat is uit de volken die door de anarchie verscheurd zijn (Op. 13:1-10; Jes. 17:12). Het ‘andere beest’ of ‘de mens van de wetteloosheid’ stelt een godsdienstige macht voor, die opstijgt uit de ‘aarde’, ofwel uit geordende toestanden.
    Deze beide ‘beesten’ zullen zich met elkaar verbinden, althans voor een tijd. En juist wegens de gewelddadige handelingen en de wetteloosheid van deze beide beesten, maar ook om de algemene afval van het naam-Christendom, daalt dan de Heer met Zijn heilige duizendtallen van de hemel neer en is het ogenblik gekomen waarop Hij zal oordelen en Zijn rijk zal oprichten. Beide zaken, het oordeel zowel als het rijk dat daarna ontstaat, het koninkrijk van Christus, worden, samen of afzonderlijk, de dag van de Heer genoemd (vlg. b.v. Joël 3:14,15 met Joh. 3: 18; Zef.3:8 met Zef. 3:15-17 en andere plaatsen).
    Ook in vroeger geschreven gedeelten van de Bijbel is sprake van de antichrist, in het bijzonder in het boek Daniël. Daar wordt hij ons voorgesteld als de valse Messias, die de Joden eens in hun ongeloof als koning zullen aannemen. Hij is ook de grote tegenstander van Jehova, de Eeuwige God, waar hij voor zichzelf in de tempel Goddelijke verering vraagt (Dan. 9:27; 11:36-39). ‘Het zal een benauwde tijd zijn, zoals er niet geweest is sinds er een volk is geweest’ (Dan. 12:1). De Heer Jezus Zelf wijst in Mattheüs 24:15-22 ook op de antichrist en op de zware dagen, die vanwege hem over de aarde komen zullen, in het bijzonder over Palestina, bij de verschijning van de Heer. Wanneer Hij komt om Zijn rijk op te richten zal de antichrist vernietigd worden (2 Thess. 2:8; Jes. 11:4; Op. 20:2).
    Tussen de komst (parousia) van de Heer voor de opname van de gelovigen vóór de dag van de toorn (1 Thess. 4:15) en later de ‘verschijning (epiphaneia) bij Zijn komst’ (2 Thess. 2:8) tot het rechtvaardig oordeel en tot de oprichting van Zijn rijk, ligt de tijd van de grote verdrukking, wanneer de antichrist op aarde heerst.
    In de hemel wordt echter in deze zelfde tijd de bruiloft van het Lam gevierd (Op. 19:6,9). Dan daalt de Heer uit de hemel neer, vergezeld van Zijn ‘heilige duizendtallen’ die Hij tevoren tot Zich genomen heeft bij de opname van de Gemeente, en dan, op de ‘dag van de Heer’, wordt het oordeel voltrokken, het eerste ‘beest’ gegrepen, de ‘valse profeet’ (het tweede ‘beest’) vernietigd en het duizendjarig rijk opgericht (Op. 19:11-20:6).

In aansluiting op deze vier bewijzen dat de dag van de Heer er nog niet was, noemt de apostel ook twee belemmeringen voor het optreden van de antichrist, die tegelijk de komst van de ‘dag van de Heer’ tegenhouden. Hij schrijft: ‘En u weet wat hem nu weerhoudt, opdat hij op zijn eigen tijd geopenbaard wordt. Want het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam. Alleen is er iemand die hem nu weerhoudt, totdat hij uit het midden verdwenen is. En dan zal de wetteloze geopenbaard worden. De Heere zal hem verteren’ (2 Thess. 2:6-8).

De apostel zegt niet wat deze beide belemmeringen zijn. Hij zegt ons echter dat de gelovigen zelf wisten wie en wat deze waren. En dit was ook zo. Want zijzelf maakten immers deel uit, of beter: vormden een van deze belemmeringen voor het openbaar worden van de antichrist, zolang zijzelf op aarde waren en in hun midden de Heilige Geest was, die met hen wachtte op ‘de komst van onze Heer Jezus Christus en onze ontmoeting met Hem’ en de Geest met hen riep: ‘Kom, Heer Jezus!’ (Openb. 22:17), zo lang was en is nog op aarde een macht, die de afval van het Christendom en ook de verschijning van de antichrist tegenhoudt.5)‘Wat hem tegenhoudt’ zijn dus de ware gelovigen op aarde, en met hen de macht van de overheid, want het wettelijk gezag wordt door de gelovigen gesteund. En ‘hij die hem nu tegenhoudt’ moet dus de Heilige Geest Zelf zijn, die in de gelovigen woont en werkt. Vergelijk. met het oog op het ‘tegenhouden’ Gen. 19:22. En let erop, dat Henoch voor de zondvloed werd weggenomen (Gen. 5:24; Hebr. 11:5: Jud.:14,15).

Wanneer echter in een punt van de tijd, in een ogenblik, zoals dit nog vandaag gebeuren kan, de Heer komt en de Zijnen tot Zich brengt, staat voor de afval niets meer in de weg, evenmin als aan de belichaming van de wetteloosheid in de persoon van de antichrist.

Wat een grote droefheid moet het wel voor de Heilige Geest en voor de Heer geweest zijn, dat de vijand erin geslaagd was om de gelovigen in Thessalonika zover te krijgen dat ze het heerlijke doel uit het oog te verloren, zodat zij niet meer Hem, de Zoon van God, Die hen redden zou van de komende toorn uit de hemel verwachtten, waardoor zij mede als het ware hadden afgelegd ‘het borstharnas van geloof en liefde, en de hoop van de behoudenis als helm’ (1 Thess. 5:8).

De Thessalonikers konden nu ook niet meer samen met de Heilige Geest de Heer Jezus toeroepen: ‘Kom.’ Immers, zij verwachtten nu in plaats van Zijn komst andere dingen, die in verband stonden met de dag van de Heer en zijn verschrikkingen; zelfs geloofden zij dat deze dag al gekomen was. Waar was nu de trouw van de Heer gebleven waarin zij geloofd hadden; waar Zijn liefde die zich uitte in de heerlijke belofte: ‘Ik kom terug en zal u tot Mij nemen’? En hoe was het gesteld met de hoop van deze gelovigen, die elke dag uitgezien hadden naar de ‘blinkende Morgenster’ Die hen tot Zich nemen zou? Dit alles was hun nu ontvallen. Hun scheen hetzelfde lot te wachten als de vijandig gezinde wereld, tenminste hier op deze aarde wat betreft de toorn van God, die over deze wereld en over Israël komen moet, omdat zij de Zoon van God en de Messias verworpen hebben.

En toch, hoe duidelijk had de apostel in zijn eerste brief gesproken over het onderscheid, dat bestond tussen hun heerlijke hoop op de komst van de Heer tot hun opname (1 Thess. 4:15-18), en het vreselijke lot dat de wereld treffen zal bij het aanbreken van de dag van de Heer! (1 Thess. 5 :1-3) De komst van de Heer moest voor de gelovigen tot ‘troost’ zijn en tot hun redding dienen, terwijl de dag van de Heer die komt als een dief in de nacht, over de wereld ‘een plotseling verderf’ zal brengen. De apostel schrijft dan verder, dat het voor de Thessalonikers, voor de gelovigen dus, niet nodig was meer te weten over de ‘tijden en de gelegenheden’ omdat deze betrekking hebben op de dag van de Heer.

Geheel in dezelfde geest sprak de Heere met Zijn discipelen voor Zijn hemelvaart, toen deze Hem vroegen: ‘Heere, zult U in deze tijd voor Israël het koninkrijk weer herstellen?’ De Heer antwoordde hun dat het hun niet toekwam, ‘tijden of gelegenheden’ te weten (Hand. 1:7). Het ‘koninkrijk’ houdt namelijk ten nauwste verband met de ‘dag van de Heer’. En terwijl nu dit ‘koninkrijk’ hier beneden thuis hoort, op aarde wordt hersteld, is de hoop en de plaats van de Gemeente van de Heer een hemelse. Met betrekking tot het koninkrijk van Christus komen ‘tijden en gelegenheden’ in aanmerking, ofwel gebeurtenissen destijds, wereldgebeurtenissen, tekenen van de tijd. Maar de komst van de Heer voor ons is een verwachting, een hoop waarvan de vervulling in geen enkel opzicht van tijd en gebeurtenissen afhangt. Ons, de Zijnen die Zijn bruid uitmaken en een deel zijn van Hemzelf – want Hij is het Hoofd en de Zijnen zijn de leden – ons heeft Hij Zijn komst beloofd als een gebeurtenis, die wij elk ogenblik verwachten kunnen, waarop wij elke dag mogen hopen (Joh. 14:3; Luk. 12:34-36).

In deze hoop leefden ook elke dag de eerste Christenen, zoals we gezien hebben (vgl. 1 Kor. 15:51,52; Fil. 3:20,21), totdat het de vijand lukte de harten te misleiden en te doen inslapen (Matth. 24:48; 25:1-13; Luk. 12 :45). Ja, de apostel leert ons dat de gelovigen het vooruitzicht hebben met de Heere te zullen neerdalen van de hemel als Zijn dag komt, als Hij Zijn rijk oprichten zal. Immers zijn zij ‘kinderen van het licht en kinderen van de dag’. Hoe zou hun dan die dag als een dief kunnen overvallen? (1 Thess. 5:4,5).

Wanneer de dag van de Heer komt ‘zal de Zon der Gerechtigheid opgaan’, (Mal. 4:1,2), ‘dan zullen de rechtvaardigen’, in plaats van het lot van de vijandige wereld te delen ‘stralen als de zon, in het Koninkrijk van hun Vader!’(Matth. 13:43) Dus geenszins alsof zij op de ‘dag van de Heere’ met de goddeloze wereld samen door de oordelen zouden moeten gaan, zullen zij de wereld oordelen (1 Kor. 6:1,2). Zij vormen als het ware de stralen van de Zon der Gerechtigheid in hun gerechtelijke heerlijkheid. Zonder Zijn Bruid wil Jezus Christus Zijn heerschappij niet aanvaarden. Zijn Bruid vergezelt Hem bij Zijn verschijning bij het oordeel, op Zijn dag, bij de oprichting van Zijn rijk. Bij Zijn komst om de gelovigen op te nemen komt de Heer alleen tot ‘in de lucht’ (1 Thess. 4:17), en wel als ‘de blinkende Morgenster’, zoals Hij in het laatste hoofdstuk van het Nieuwe Testament genoemd wordt Dan voert Hij Zijn verlosten binnen in het Vaderhuis, opdat zij van dat ogenblik af altijd met Hem zijn en Hij met hen de bruiloft zou kunnen vieren (Openb. 19:6).

Maar bij de tweede komst van de Heer, als Hij neerdaalt en Zijn rijk herstellen zal, zullen ‘Zijn voeten staan op de Olijfberg’. Hij komt dan ‘met Zijn tienduizenden heiligen’ (Zach. 14:4,5; Jud:14,15; Op.19:11, enz.) als de ‘Zon’ zoals Hij aangeduid wordt in het laatste hoofdstuk van het Oude Testament.

Wanneer wij echter het onderscheid niet zien tussen de plaats die Israël inneemt volgens het Woord van God, en de plaats van Zijn Gemeente; als zijn ons oor en hart niet geopend voor de hemelse roeping en hoop die de Gemeente heeft, het geroep van de Heer: ‘Ik kom spoedig’ vindt dan geen weerklank, en wij kunnen niet met de Heilige Geest de Heer Jezus toeroepen: ‘Kom! Amen; kom, Heer Jezus!’ Dan verwacht men de oordelen, de komst van de antichrist. Hoe triest!

Ook in onze tijd worden helaas de harten van vele gelovigen geschokt. Deze tijd is niet zozeer gekenmerkt door vervolging van de gelovigen, toch zij er wel vele verdrukkingen en vervolgingen geweest.

En nog altijd is er grote onrust. Wij kunnen wel zeggen, dat alles wankelt. De volken zijn radeloos, de immoraliteit en wanorde nemen hand over hand toe, terwijl de ‘macht van Rome’ toeneemt en de antichristelijke geest zich steeds gedurfder openbaart. Men hoort ook nu vele gelovigen zeggen, evenals destijds de Thessalonikers, dat de Heer nog altijd niet gekomen is om de Zijnen op te nemen en ze te bewaren voor de dag van de toorn en verzoeking, die over de hele aarde komen zal, en dat het ernaar uitziet alsof ‘de dag van de Heer al gekomen is.’ Maar zij hebben zich laten misleiden. Ook in onze dagen, net als in de tijd van de Thessalonikers, zijn er vier redenen te noemen die het bewijs zijn van het tegendeel.

Waar is echter, meer dan ooit, dat wij ‘de dag zien naderen’ (Hebr. 10:25). Daarom is de Heer, ‘de blinkende Morgenster’ nabij, zeer nabij. Dat Hij ons bij Zijn komst wakend, wachtend en dienend zal vinden! Laten we niet met de luie dienstknecht zeggen: ‘Mijn heer stelt Zijn komst nog uit’ (zie Matth. 24:48), maar laten we, met de Heilige Geest, Hem tegemoet gaan en zeggen: ‘Kom! Amen; kom, Heer Jezus!’

Kort overzicht van de aanstaande gebeurtenissen tot en met de komst van het Koninkrijk

De komst van de Heer Jezus in de lucht om Zijn Gemeente tot Zich te nemen. Iedereen die in Jezus gestorven is wordt opgewekt, en alle gelovigen in Christus die leven bij Zijn komst worden veranderd, en allemaal gaan ze gezamenlijk de Heer tegemoet.

De gebeurtenissen volgen elkaar daarna met grote snelheid op. Een gedeelte van de Joden, (de twee stammen,) ongelovig naar Jeruzalem teruggekeerd, herbouwt daar de tempel en voert zijn godsdienstplechtigheden weer in.

Tegelijkertijd wordt het oude Romeinse rijk hersteld en verdeeld in tien koninkrijken. De keizer van dit rijk sluit met de koning in Jeruzalem, die zich voor de Messias uitgeeft, een verbond.

De verbasterde Christenheid wordt door de volken vernietigd.

De koning in Jeruzalem treedt als de antichrist op en laat zich als God aanbidden.

Gedurende die tijd komen er veel verschrikkelijke oordelen over de aarde. Ook worden er vreselijke oorlogen gevoerd. Velen uit Israël en de volken bekeren zich tot de Heer, weigeren de antichrist en zijn beeld te aanbidden, en zijn de uitverkorenen die zullen worden vervolgd, gepijnigd, of gedood.

Als de goddeloosheid haar toppunt heeft bereikt, komt de Heere Jezus met Zijn vele duizenden heiligen van de hemel om Zijn vijanden te oordelen. Het beest en de valse profeet worden in de hel geworpen en alle vijandige machten vernietigd.

De duivel wordt gebonden, duizend jaar. De gelovige Israëlieten worden verlost. De heiligen uit Israël en uit de volken die gedood werden, staan op. De tien stammen worden naar Palestina teruggevoerd.

Gog – Rusland – met andere volken van het Noorden, komen om Palestina in bezit te nemen, maar vinden daar een vernederende dood.

De levende volken worden voor de troon van de Heer gesteld en geoordeeld. Een deel wordt verwezen naar het eeuwige vuur; een ander deel beërft het koninkrijk.

Het koninkrijk van Christus, het duizendjarig vrederijk, begint.

De schepping wordt van de vloek ontheven. Heel Israël wordt behouden, de volken verheugen zich in het heil van de Heer, en de Gemeente deelt met alle heiligen in Jezus’ eer en zalige heerschappij.

E. Dönges

Voetnoten   [ + ]

1. Dat de woorden „bewaren voor” goed vertaald zijn, (beter dan „bewaren uit,”) blijkt uit Johannes 17:15. Precies dezelfde woorden zijn daar vertaald door „bewaart voor” de boze. En de bedoeling is daar onweersprekelijk: niet komen in de macht van de boze, zo is het ook hier: niet komen in het uur van de verzoeking. Let er ook op dat in Openbaring 4:l de Gemeente in de hemel wordt gezien. In vers 4 wordt over de vierentwintig oudsten gesproken. Alles wat ons vanaf hoofdstuk 4 wordt verteld is dus toekomstig, en vindt plaats, nadat de gelovigen zijn opgenomen en zich rond de troon bevinden.
2. Vgl. ook Romeinen 1:18, waar we lezen dat toorn van God wordt geopenbaard van de hemel over de goddelozen, waarbij de gelovigen niet meer horen, met Romeinen 5:9, waar we lezen dat de gelovigen behouden worden van de toorn (zie ook 1 Thess. 1:10). Deze ‘komende toorn’ is niet het eeuwig verderf in de hel, maar het oordeel op de dag van de Heer vanuit de hemel. Van de straf van de hel zijn wij al bevrijd (Ef. 2:5 ,8).
3. Dit ‘altijd met de Heer’ zijn wordt niet verstoord, doordat de gelovigen met Hem nederdalen om erbij te zijn als Hij Zijn rijk zal oprichten. Ze zullen altijd met Hem zijn; dus Hem overal begeleiden; steeds zijn waar Hij is (zie o.a. 1 Thess. 1:9,10; 4:13-15; 2 Thess. 1:10; Op. 19:7-16; 20:6; 21:1-3).
4. De woorden ‘die dag komt niet’ staan tussen haakjes, omdat ze niet in de Griekse tekst voorkomen. Voor de zinsbouw moesten ze in onze taal worden toegevoegd. Maar ook als men, zoals sommige vertalers deden, er tussengevoegd had: ‘hij komt niet’ heeft men niet bij ‘hij’ aan ‘Christus’ gedacht, maar aan ‘dag’. Het is wel zeker dat het hier gaat om die dag, waarover de apostel direct hiervoor spreekt.
5. ‘Wat hem tegenhoudt’ zijn dus de ware gelovigen op aarde, en met hen de macht van de overheid, want het wettelijk gezag wordt door de gelovigen gesteund. En ‘hij die hem nu tegenhoudt’ moet dus de Heilige Geest Zelf zijn, die in de gelovigen woont en werkt. Vergelijk. met het oog op het ‘tegenhouden’ Gen. 19:22. En let erop, dat Henoch voor de zondvloed werd weggenomen (Gen. 5:24; Hebr. 11:5: Jud.:14,15).