Gemeenschap

William Henry Westcott is rond 1900 samen met zijn broer als pionier betrokken geweest bij de start van het moeilijke zendingswerk in het huidige Noord-Kasai (Dem. Republiek Congo). Hij heeft zowel daar als in Engeland veel onder de gelovigen gediend. Onderstaand een aantal brieven en briefgedeelten van hem over een thema dat ook in onze tijd van groot belang is: gemeenschap.

 

Onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus (1 Joh. 1:3). Broeder Westcott laat zien dat die gemeenschap de grondslag is van onze onderlinge gemeenschap als gelovigen, en gaat bijzonder in op de actuele vraag welke gevolgen deze gemeenschap met de Vader en Zijn Zoon heeft voor onze gemeenschap met andere gelovigen en vergaderingen.

 

Geliefde broeder,

Uw brief van de 1e  van deze maand ligt voor mij, waarin u vertelt over uw oefeningen voor God. Ik zou willen dat ik u beter kon helpen dan ik bij machte ben.

Onze gemeenschap als Christenen is niet iets wat geleerde mensen kunnen oprichten, ook niet iets waarover een paar gelovigen het eens zijn, en zeker niet een heterogeen mengsel van alles wat zichzelf graag aanbiedt voor opname in die gemeenschap. Het wordt voor ons als volgt in de woorden van de Heilige Schrift uitgedrukt:

‘Onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus‘ (1 Joh. 1:3)

‘God is getrouw, door Wie u geroepen bent tot de gemeenschap van Zijn Zoon’ (1 Kor. 1:9)

Elke betrekking met God moet per definitie een verhouding op Gods eigen niveau zijn. De gemeenschap van de heiligen wordt vaak verlaagd tot dat wat sommige heiligen zijn overeengekomen, of tot dat wat zij in hun zwakheid zien van de betekenis van de Bijbel. Maar in dat geval komt de gemeenschap van de heiligen, hoewel wij gewoonlijk veel waardering kunnen hebben voor hun oprechtheid, veel te kort aan de gemeenschap met God.

God heeft voor ons gedurende de laatste drie of vier generaties veel hersteld van wat het Christendom is in al zijn rijkdom en volheid in de opgestane Mens Christus Jezus, de Zoon van de Vader in waarheid en liefde. Het is mensen vergund geweest te zien hoe groot het voorrecht is van de Christelijke familie en van de Christelijke Gemeente, de vrijheid van de tegenwoordigheid van de Vader, van de tegenwoordigheid van God, de kracht die de Heilige Geest uitoefent wanneer de beperkingen van menselijke gedachten en handen blijken, de ontvouwing van de bronnen die in Christus zijn, en van Zijn liefde en zorg voor Zijn Gemeente, met alle grote plannen die in en door die Gemeente moeten worden bewerkstelligd.

Gemeenschap is een verblijven in de waarheid; daarom moet gemeenschap de volledige uitdrukking van de waarheid in aanmerking nemen. We kunnen niet zeggen dat iedere gelovige volledig op de hoogte van de Christelijke roeping moet zijn voor hij tot de gemeenschap gaat behoren, want dat zou een wrede exclusiviteit zijn; en u niet, ik niet en geen enkele andere gelovige zouden er dan bij kunnen horen. Maar geen gelovige of groep gelovigen kan een gemeenschap bedenken, opzetten of voorstellen die systematisch en openlijk is verbonden aan leringen en praktijken die tekort doen aan de waarheid, zonder in beginsel een sekte te worden. En omdat dit wordt gedaan door elke zogeheten sekte, ‘kerk’ of groepering, wordt het meer subtiel en ondermijnend naarmate het in zijn uiterlijke vorm dichter staat bij die vormen die uit de waarheid voortkomen.

Door Gods genade is ons een weg getoond buiten wat vaak een ‘systeem’ wordt genoemd, een weg waarop wij in overeenstemming kunnen zijn met Christus als Hoofd en Heer, en waarop wij heiligheid en waarheid voor onze harten en gedachten kunnen stellen als twee dingen die bij elkaar horen, in antwoord op Hem Die alleen de Heilige en de Waarachtige is (Op. 3:7).

Wanneer we in de profetische schets van de gemeenten van Filadelfia naar Laodicea gaan, valt het op dat Degene Die zeer zeker heilig en waarachtig is, bij Laodicea over Zichzelf spreekt als de Getrouwe en Waarachtige (vs. 14). Dit betekent niet dat Hij ophoudt heilig te zijn, of dat we onze heiligheid kunnen laten loslaten; dat we niet meer in overeenstemming met Hem zouden hoeven zijn. Maar het houdt in dat er in de laatste dagen kort voor de opname van de hele Gemeente behoefte zal zijn aan duidelijke trouw om aan Christus te beantwoorden, Die nooit ophoudt een Getuige voor God te zijn (Op. 3:14).

Wanneer wij in een menselijke groepering zouden zijn die was gezonken beneden de daar erkende kerkelijke standaard, zouden wij worden aangespoord terug te keren naar de oorspronkelijke principes van die groepering.

Maar God heeft ons geroepen tot het volle licht van Christus, en de enige gemeenschap waarmee we nu rekening kunnen houden is die Goddelijke gemeenschap waarnaar ik heb verwezen aan het begin van deze brief.

Wat betreft het wezen, karakter en innerlijke kenmerken is het de gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. Wat betreft de uitdrukking ervan in één plaats of in elke soortgelijke plaats (1 Kor. 1:2) is het door Gods roeping de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer. Er moet in de plaatselijke gemeenten – en dat geldt overal – een afspiegeling worden gevonden van alles wat Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer is in Zijn verheven maar verborgen positie. Deze afspiegeling, deze weergave komt tot uitdrukking in materiële aspecten, het bestuur en het geestelijk doel van de gemeenten en in de wegen die zij gaan als getuigenissen.

Dan komt een eenheid in praktische zin tot stand, niet omdat wij tot een bepaalde groep van vergaderingen behoren, maar omdat wij eenparig in overeenstemming zijn met de waarheid van Christus. Dezelfde Christus stelt Zichzelf overal voor, en hoewel Hij ruimte geeft voor verschillen in de verschillende leden van Zijn Lichaam en in de verschillende gaven, zal Hij nooit de oorsprong worden van dingen die met Hemzelf onverenigbaar zijn.

Wanneer we dan een individuele gelovige tegenkomen die gewoonlijk handelt zonder acht te slaan op de wil van de Heer; wanneer we een gemeenschap van gelovigen vinden die een principe van handelen aannemen en belijden waarvan we volgens de Bijbel zien en waarvan we – in relatie met Christus en door de Heilige Geest – weten dat het geen heiligheid en niet de waarheid is; wanneer we een groep of kring van vergaderingen aantreffen waar de wegen die zij erkennen en verdedigen niet die wegen zijn waarvan we hebben geleerd dat het de wegen van Christus voor de Gemeente zijn … welnu, dan kunnen we noch van de individuele gelovige, noch van die groep vergaderingen erkennen dat ze aan Hem beantwoorden.

We zullen zeker niet zeggen dat ze geen Christenen zijn, we zullen hen zeker niet beledigen, maar in trouw en waarheid zullen we onze weg vinden om vrij te zijn van hen. De Heer Die hen liefheeft, zal hen zonder twijfel terechtwijzen en verootmoedigen zoals het Hem goeddunkt. Maar ons pad is het Zijn stem te horen en de deur voor Hem te openen; dan zal Hij maaltijd met ons houden, en wij met Hem.

De principes van open broeders  worden erg duidelijk behandeld door br. NN in zijn recente brochure. Hun gemeenschap als zodanig is niet de Christelijke gemeenschap volgens de trouw en waarheid, hoewel de uiterlijke vorm ervan de waarheid soms wel benadert. Zij kennen doop en avondmaal, bidstonden, Bijbellezingen, evangelieverkondigingen en zendingswerk. Velen die vroomheid en oprechtheid zoeken worden door deze kenmerken aangetrokken, en ze zijn goed, voor zover ze aanwezig zijn. Maar voor al deze dingen offeren zij een deel van de waarheid op door de trouw aan de hele waarheid er buiten te laten. En dat is juist door deze kenmerken des te aantrekkelijker en verleidelijker.

Maar onze moeilijkheid gaat verder dan dit. Er is in uw omgeving een gemeente die een bijzondere geschiedenis heeft en die, hoewel men belijdt dat men de open broeders als zodanig niet erkent, toch een dubbelzinnige methode hanteert van komen en gaan met hen. Een of twee bekwame broeders onder hen geven een hele geloofwaardige verdediging, zoals ik weet uit correspondentie met hen. Maar hoewel hun argumenten goed lijken en het voor eenvoudige gelovigen erg moeilijk is deze te onderkennen, is de uitkomst van de hele zaak dat broeders uit die gemeente naar eigen goeddunken komen en gaan onder de open en onafhankelijke vergaderingen, en dat zij zelf in beginsel en praktijk op een open grondslag staan – ondanks al hun mooi klinkende redeneringen.

Verder zijn wij zo zwak geworden en zo weinig bekend met het ware karakter van Christelijke gemeenschap in zijn volledige betekenis, dat velen onder ons openlijk hebben gevraagd de standaard van de gemeenschap te verlagen. Dat gebeurt met het doel gelovigen uit deze groeperingen die op twee gedachten hinken te kunnen toelaten, en om het toelaten van gelovigen uit hen als een erkende grondslag van handelen te aanvaarden.

Daardoor hebben wij weinig of geen kracht die gelovigen in de Naam van de Heer onder tucht te stellen van wie wij weten dat zij naar open vergaderingen gaan (en die dat als juist beschouwen, terwijl ze hun handelwijze verdedigen).

Het is mijn groot verdriet dat de hele standaard van de waarheid onder ons zo verlaagd is (zoals de geest van Laodicea zelf verklaart); zo verdwijnt de priesterlijke kracht om te onderscheiden tussen reine en onreine dingen in verband met het getuigenis van de Heer.

Dit is niet beperkt tot maar één groep broeders en zusters. Je kunt Christelijke gemeenschappen aantreffen die op de ´broeders´ lijken en een eigen maatstaf van uitsluiting hebben; groepen gelovigen die net zoveel buitensluiten als de Rooms-Katholieke Kerk, waar de vrees voor mensen en voor elkaar een erg grote, zo niet dominerende factor is.

Hoewel dit in zijn uiterlijke vorm kan lijken op dat wat de waarheid voortbrengt, ontbreekt hier de lieflijkheid van de genade. Het systeem als zodanig veroordeelt zichzelf, want Degene tot Wiens gemeenschap wij zijn geroepen is vol van genade en waarheid. In zo’n groep is wel een bepaalde vorm van afzondering, maar die komt voort uit voorschriften, zodat zielen in slavernij worden gehouden, omdat zij weten dat hun gemeenschap in stand wordt gehouden door mensenvrees en velen zonder oorzaak buiten sluit, zoals ik van sommigen van hen persoonlijk weet.

Maar ons gevaar is veeleer de andere kant. Laodicea is die toestand van de Gemeente waarin een positie wordt opgeëist, terwijl er een laksheid en zelfgenoegzaamheid aanwezig is die geheel vreemd zijn aan die positie.

Het wordt in zo´n toestand algemeen verworpen dat wij ons ernstig voor de Heer moeten afvragen wat er precies bij Hem past als de trouwe en waarachtige Getuige, de Amen, het begin van de schepping van God. Er wordt gefaald in het erkennen dat alles in Christus zijn einde vindt en men tolereert de onbedwongen wil die de oude schepping ten val bracht.

Parallel aan de geest van vermenging die rondgaat in de wereld is er een aanverwante beweging in de belijdende kerken: de poging een grondslag te vinden waarop iedereen in staat is op een gemeenschappelijke bodem bijeen te komen. In de wereld krijgt het gestalte in de gedachte van een eenheid of gemeenschap waarvan helaas Christus niet het Hoofd is. In de kerken is het niet zozeer gebaseerd op het Hoofdschap van Christus, als op gemeenschappelijke afspraken van naamchristenen onderling.

Het komt hierop neer: ´zolang we maar allemaal Christen zijn, doet de rest niet terzake´. Het feit dat God ons beeldend gesproken uit de ballingschap heeft teruggeroepen, het herstel van het Huis, de herontdekking van het Goddelijke middelpunt: al deze dingen zijn niets voor hen die zouden willen dat wij alle hindernissen afbreken.

Maar wanneer we terugkeren naar het Huis in Jeruzalem, moeten we de wetten van het Huis en dat wat passend is voor de naam en heerlijkheid van het Huis in acht nemen. Het kan zijn dat iemand, hoewel hij een Israëliet was, tot dan toe in Babel was gebleven en de wegen van Babylon had overgenomen. Maar als hij verlangde op te gaan naar Jeruzalem en in het Huis van de Heer te aanbidden, moest hij naar Gods wil zijn Babylonische wegen en relaties verlaten en zichzelf reinigen volgens de reiniging van het heiligdom.

De strijd in de dagen van Ezra en Nehemia was onophoudelijk. Hoe probeerde de vijand door listigheid de geestelijke kracht van de opwekking te breken! Hoeveel brieven werden door hen niet geschreven, welke verbindingen niet gemaakt! En hoeveel invloeden moesten niet worden afgeslagen om in stand te houden wat God had hersteld. Het valt op dat na Ezra Nehemia komt, en dat wanneer het Huis in orde is, de stad volgt. Voor het Huis van God werd een voorschrift uitgevaardigd door Cyrus, maar voor de herbouw van de stad werd een voorschrift uitgevaardigd door Darius. Dat voorschrift was op zijn beurt even belangrijk. Het Huis is vanzelfsprekend het eerste; de muur het tweede. Velen schijnen het Huis en zijn vormen te willen hebben, maar zonder de muren.

Dit is een uitgebreid onderwerp, maar ik zie dit als de diepste oorzaak van de plaatselijke problemen. Er is geen muur van afzondering tussen de grondslag die God voor ons heeft hersteld en dat wat zeer vastbesloten en duidelijk onder de macht van de vijand ligt. In de herbouwde stad zijn poorten, maar poorten zijn er om op de voorgeschreven manier diegenen toe te laten die moeten worden toegelaten. Alles moet zijn in overeenstemming met de Goddelijke voorschriften. Er is geen lauwheid, geen strenge of vrije handelswijze. Iedereen die in de kring komt waar Jahweh wordt erkend, moet zich onderwerpen aan de verantwoordelijkheden van die positie. Er bestond geen dwang om Jeruzalem binnen te gaan, maar de gedachte dat zij die dat deden geen acht zouden hoeven slaan op het bestuur dat daar werd erkend en door God was ingesteld, zou verraad en ontrouw aan Jahweh zijn geweest.

Ik geloof dat niemand dan de Heer Zelf ons kan leiden in onze tegenwoordige moeilijkheden, maar mijn hele wezen walgt van de gedachte van deze gemengde principes van gemeenschap. Zij zullen kwaad veroorzaken, daarvan ben ik zeker. Zij die dit in de praktijk brengen zullen elk mogelijk excuus vinden, maar ik heb niet de geringste twijfel over de uitwerking ervan op plaatselijke gemeenten en op het getuigenis van de Heer in het algemeen. Geve de goede Heer ons nog uitredding!

Uw altijd liefhebbende broeder,

William Henry Westcott

  

Uit een volgende brief, gedateerd 4 januari 1928:

Wat betreft uw naschrift van vorige week, waarin u vraagt of het mogelijk is Bijbelgedeeltes aan te halen om onze weigering van twijfelachtige relaties te rechtvaardigen, het volgende: het lijkt mij dat enerzijds onkunde over de Bijbel en anderzijds gebrek aan consequentie met dat wat de Bijbel ons voorstelt, verantwoordelijk zijn voor veel van de huidige fouten.

Klaarblijkelijk vindt u dat men u tegemoetkomt met een soort ‘traditie!’ wanneer men broeder J.N. Darby citeert. Daarom vraagt u: ‘In hoeverre vindt u onze mening toelaatbaar?’ Ik zou u als eenvoudig antwoord moeten geven: ‘… en alles wat niet op grond van geloof is, is zonde´  en ‘Een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd’ (Rom. 14:23 en 5).

Ik wil er op wijzen dat een geoefend geweten beantwoordt aan het Woord van God als klei aan de zegelring. Daarom kan de morele oefening van een broeder relatief gering zijn wanneer hij weinig over God en Zijn Woord weet, terwijl de morele oefening van een broeder die meer over God en Zijn Woord weet, erg intens kan zijn.

Het gaat er niet om wat J.N. Darby zegt, en ook niet wat Spurgeon zei of Augustinus schreef, maar hierom: dat wij in morele oefeningen worden gevormd door het Woord van God, dat ons alles leert wat waar is in Christus (1 Joh. 2:8). Wanneer ik ontdek dat Augustinus of Spurgeon in een bepaalde zaak de Heer volgden, is het een vreugde voor mij daarover na te denken. Ik zal hun geloof navolgen, maar niet omdat zij het hebben gedaan. Het geloof bracht hen ertoe iets te doen wat met Christus en het Christelijk geloof in overeenstemming was, en ik doe het omdat ik geloof dat het van Christus Zelf afkomstig is. De apostel zegt ‘Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus’ (1 Kor. 11:1). Dat is onze regel. En als we denken aan hen die na de apostelen leefden, staat er in Hebr. 13:7: het Woord van God: ´Gedenk uw voorgangers, die het Woord van God tot u gesproken hebben, beschouwt het einde van hun wandel en volgt hun geloof na’.

Dat is geen blinde aanhankelijkheid aan een leider, niet het doen van dingen omdat een voorganger iets doet of zegt, maar we doen het in zoverre zij het Woord van God in al zijn zuiverheid als de basis van hun leven en wegen hadden.

Uw opdracht is het, alles te leren wat u kunt over Christus en de tegenwoordige bedoeling van God in verband met Christus en de Gemeente. Met uw hele hart en in ware liefde voor Hem en Zijn belangen moet u zich in het licht van Zijn Woord bezighouden met dat waarvan u gelooft en weet dat het Gods weg is. U moet zich net zo min overgeven aan enige ondersteuning van godsdienstige systemen van de mens als dat u zijn politieke en sociale doelen zou ondersteunen. Het is jammer dat gelovigen die u liefhebt daarin verstrikt zijn, maar u weet dat u hen niet kunt helpen door zelf verstrikt te raken. Hoe meer u bent afgezonderd, hoe meer u consequent en voortdurend bent afgezonderd, in zachtmoedigheid en standvastigheid, hoe meer kracht u zult hebben om hen werkelijk te helpen.

Vanzelfsprekend voelen zij aan dat u niet helemaal oprecht bent in uw verwerping van menselijke systemen, wanneer zij zien dat u zich van tijd tot tijd vrij voelt naar dat systeem te gaan, waardoor u daar ogenschijnlijk deel van uitmaakt. En u zou dat ook niet kúnnen doen wanneer u zich diep bewust zou zijn van de plaats van Christus in de Gemeente en de veroordeling van de Heilige Geest over alle instellingen die de mens heeft gemaakt om de Gemeente in te richten en te besturen. Een geestelijke stand en wetteloosheid zijn allebei even vreemd aan de inrichting van de Gemeente van God en schadelijk voor een echte groei van degenen die roemen in de Heer (1 Kor. 1:31). Alleen door de Geest worden de dingen van God openbaar en krijgen zij geldigheid.

Om het dus samen te vatten: ik geloof dat een vermenging met groeperingen, zendingsorganisaties en de principes waaraan o.a. de open broeders hun ontstaan en geschiedenis te danken hebben ontrouw aan Christus is. Het is schadelijk voor de eigen ziel en draagt ertoe bij dat de getrouwen worden verstrooid, in plaats dat het ‘overige wordt versterkt’. Ik geloof dat het volgen van gelovigen die bepaalde gaven verheerlijken en een bepaalde tendens bij de bediening van het Woord najagen – waardoor zij hun gemeenschap in beginsel sektarisch maken – inhoudt dat wij een koers volgen die ons zelf sektarisch maakt en ons verwijdert van de grondslag van de Gemeente van God.

Dat kan ertoe leiden dat wij anderen verachten die zich niet met onze speciale koers identificeren. Ik geloof ook dat er veel geliefde broeders en zusters zijn die nu door een historische scheuring van ons zijn1)Br. Westcott verwijst hier naar scheuringen in Engelstalige landen die door Gods genade in de daarop volgende decennia grotendeels ongedaan zijn gemaakt. en die zich nooit hadden moeten afscheiden of tot afscheiding gedwongen hadden moeten worden. Naar hen kan onze volledige persoonlijke sympathie uitgaan en we kunnen met hen – geleid door het gebed – omgang hebben. En hoewel wij toegeven dat er moeilijkheden zijn wat betreft het bij elkaar komen in onbeperkte gemeenschap en hoewel we weigeren vóór de Heer uit te gaan, kunnen we toch naar Hem opzien of Hij de harten van iedereen ertoe wil brengen naar Zijn stem te luisteren.

Het zou fataal zijn niet Zijn hand over ons te erkennen Die deze scheuringen heeft toegelaten; enig deel van de waarheid op te offeren ter wille van het samen zijn zou fataal zijn en de waarachtige en volkomen Christus verloochenen, Die het unieke Middelpunt van ons samenkomen is. Maar wanneer Hij ons leidt tot wederzijdse verootmoediging voor Hem en Hij onmiskenbaar van ons verwacht dat wij hen erkennen en vertrouwen die ‘de Heer vrezen en aan Zijn Naam gedenken’, zou het fout zijn Zijn leiding te verwerpen. Alleen wanneer deze verootmoediging plaatsvindt, kan de kwestie van ‘hereniging’ worden overwogen waarover u hebt geschreven.

Aan een groot deel van de onafhankelijkheid en openheid die altijd al onze valkuil is geweest (ik herinner mij dat deze tendens al bijna vijftig jaar duurt), ligt het feit ten grondslag dat er vaak veel verborgen trots is en een overtuiging van de eigen belangrijkheid. ‘Mijn gave’ en ‘een open deur voor mij’ zijn gedachten die een mens vaak van Christus doen afwijken. Naar een voorbereid publiek in kerken en zendingsgemeenschappen te gaan is een gemakkelijker weg dan het oneffen pad van huis-aan-huis werk en het gevoel van schaamte en verwijt, dat diegenen ondervinden die helemaal voor Christus zijn afgezonderd. Wanneer de Heer iemand oproept voor Hem uit te gaan die duidelijk is begiftigd voor een dienst, zal Hij de gave die Hij heeft gegeven gebruiken op een manier die overeenstemt met Zijn Naam en die persoon er zeker niet toe brengen een compromis te sluiten. Ik zie geen reden waarom een afgezonderde gelovige geen zendingswerk of straatprediking, traktaatverspreiding of ander goed werk zou kunnen doen, terwijl hij tegelijk elke andere verbinding blijft weigeren dan de Gemeente, die Hij heeft gevormd.

In de waarheid van die Gemeente willen wij wandelen. Wanneer het gebruik van gaven wordt aangevoerd om ons in kringen te brengen waar de waarheid van Christus en Zijn Gemeente wordt aangetast, is dat zonder enige twijfel een aantasting van die gave. Ik geloof niet dat de Heer er dit ooit mee heeft bedoeld. In het licht van de Bijbel kan ik de Christen alleen maar beklagen die in plaats van naar God en Zijn Woord te vragen, dit alles verwerpt door als een papegaai te roepen: ‘Traditie!’

Met toegenegen liefde in de Heer, verbonden in de waarheid,

uw W.H. Westcott

  

Uit een andere brief van W.H. Westcott d.d. 30 januari 1932:

Wij moeten binnen het terrein van onze uiterlijke gemeenschap veel dingen verdragen waarvoor wij in onze persoonlijke contacten terugdeinzen. Ik herinner mij dat iemand mij vroeg of ik mij niet verbind aan alles wat iemand doet met wie ik brood breek. Mijn antwoord was: ‘Zeker niet!’, en de reden daarvoor is het hele onderwijs in de Brieven van Paulus.

Zonder dat de apostel Paulus ingaat op de kwestie van gemeenschap als gemeente en nog veel minder aandringt op uitsluiting daarvan, stelt de apostel het ene geval na het andere aan de kaak waar gelovigen scherp moeten worden berispt, gecorrigeerd met betrekking tot een dwaling, en waar men zich zelfs moet onttrekken aan hen die verkeerd wandelen. Toch moet men hen in deze gevallen niet als vijanden beschouwen, maar hen vermanen als broeders; gelovigen die verkeerd wandelen moeten worden gewaarschuwd, enz. We moeten onszelf niet verbinden aan deze kenmerken van het vlees in gelovigen, maar het onderwijs van de Bijbel wijst ons er niet op dat we hen in zulke gevallen buiten de grenzen van de gemeenschap moeten sluiten door uitsluiting … Laten wij in dagen van verval Gods standaard niet veranderen en niet afwijken van Gods wegen.

Voetnoten   [ + ]

1. Br. Westcott verwijst hier naar scheuringen in Engelstalige landen die door Gods genade in de daarop volgende decennia grotendeels ongedaan zijn gemaakt.