40. Wat ook het oog aanschouw’ beneden (= 9, 88, 208, 218)


Lied 40
1 Wat ook het oog aanschouw’ beneden,
’t is de verderfenis nabij;
de ganse schepping zucht naar vrede,
onze openbaring maakt haar vrij.
Wij zuchten mee, zien vol verlangen
naar U, o dierb’re Jezus, uit.
Reeds hebben wij de Geest ontvangen,
die met ons roept: “Kom tot uw bruid!”

2 Door U, Heer Jezus, is het leven,
de onsterf’lijkheid aan ’t licht gebracht;
U zult ons eens met eer omgeven,
U deelt met ons uw troon en macht.
Is ’t vaderhuis dra onze woning,
dan zullen wij U zelf daar zien.
Daar vindt uw liefde haar bekroning
als wij U eeuwig hulde bien.

3 Die hope kan alleen ons geven
volharding in de aardse strijd.
Mocht onze blik steeds zijn geheven
tot U, o Heer der heerlijkheid.
Versterk toch ons geloofsvertrouwen;
U gaf uw Geest als onderpand;
’t geloof verwissel’ in aanschouwen,
Heer Jezus, doe uw woord gestand.