39. O, welk een Heiland zijt Gij, Heer


Lied 39
1 O, welk een Heiland zijt Gij, Heer;
in ’t zondaarshart daalt ruste neer,
die niemand kan doorgronden.
Een diepte van barmhartigheid
verslindt een zee van bange strijd;
Gij stierft voor onze zonden.
Ja, Gij maakt vrij, halleluja, halleluja!
Van de zonde slavernij zijn wij ontbonden.

2 Volzaal’ge, trouwe Vredevorst,
wel hebt Gij naar het heil gedorst,
naar ’t heil van het verloor’ne.
Uw bloed vloot eens op Golgotha,
Gij stierft voor ons, ja, amen, ja,
Gij, ’s Vaders eengeboor’ne.
Jezus Christus heeft het leven ons gegeven;
hier beneden gaf Hij ons zijn zaal’ge vrede.

3 Gij schonkt ons Gods gerechtigheid.
Hoe wordt een ieders hart verblijd
van wie U toebehoren.
Gij hebt het grote werk volbracht,
Gij zijt voor onze schuld geslacht,
niets kan ons heil verstoren.
Vreugde, vreugde, halleluja, halleluja!
Eens daarboven zullen wij U eeuwig loven.