38. Naar ’t Vaderhuis (= 53, 76)


Lied 38
1 Naar ’t Vaderhuis,
‘k ben vreemd’ling hier op aarde.
Geen woning vind ik hier, noch iets van waarde.
Geen blijdschap vind ik meer in ’t aards gedruis.
Naar ’t Vaderhuis!

2 Naar ’t Vaderhuis,
mijn Jezus zal mij leiden
door deez’ woestijn, waar ik Hem zal verbeiden,
tot ik Hem loof bij ’t hemels harpgeruis.
Naar ’t Vaderhuis!
3 Naar ’t Vaderhuis,
daar zal ik eeuwig rusten
aan Jezus’ hart, hier kan mij niets meer lusten.
Waar Jezus woont, daar is mijn waar tehuis.
Naar ’t Vaderhuis!

4 Naar ’t Vaderhuis,
dra is de strijd volstreden.
Getroost, mijn ziel, straks is het leed geleden!
Een oogwenk slechts – de kroon volgt op het kruis.
Naar ’t Vaderhuis!

5 Naar ’t Vaderhuis,
daar in der heil’gen midden
zie ik het Lam – daar zal ik Hem aanbidden.
Daar is mijn plaats, hoe ook de vijand bruis’.
Naar ’t Vaderhuis!