31. U, des vaders eeuw’ge zoon.


Lied 31
1 U, des Vaders eeuw’ge Zoon,
hebt geen eng’len aangenomen;
U bent van uw hemeltroon
tot ons, zondaars, neergekomen.
Onze zonden droeg U, Heer;
nu treft ons geen oordeel meer.

2 Vrij verklaard van schuld en straf,
wand’len wij nu hier beneden;
U nam ons de zonden af,
en schonk ons uw zaligheden.
U stierf eens des zondaars dood;
o, wat is uw liefde groot.

3 Eeuwig zij U dank gebracht,
Jezus, ’s Vaders eengeboor’ne.
Uit des satans boze macht
trok uw liefde ons, diep verloor’nen.
Onze ziele looft U, Heer,
U komt toe de lof en eer.